18 december 2007 - Openbaar Ministerie
Het College van procureurs-generaal (het College) heeft op 15 december jl. het onderzoeksrapport van de onderzoeks-commissie Vermeulen, die de afgesloten Enschedese ontuchtzaak nader heeft onderzocht, in ontvangst genomen. Het College heeft het rapport op 17 december aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad gezonden, met het verzoek te bezien of hij in het rapport aanleiding ziet voor een door hem bij de Hoge Raad in te dienen herzieningsverzoek, dan wel of hij in dit verband nog nader onderzoek gewenst acht. In dat geval zal het Openbaar Ministerie (OM) desgewenst bijstand verlenen. Het College van procureurs-generaal volgt hiermee de lijn die het College met het verschijnen van het onderzoeksrapport van de CEAS inzake Lucia de B. heeft ingezet. Daarnaast heeft het College het Wetenschappelijk Bureau van het OM opdracht gegeven op korte termijn advies uit te brengen over de te stellen eisen aan de inhoud van het strafdossier.
Volgens de commissie Vermeulen uit de CEAS leiden de bevindingen niet tot het oordeel dat de rechterlijke uitspraak waarschijnlijk wezenlijk anders had geluid. Om iedere twijfel daarover weg te nemen adviseert zij het College nader onderzoek te (laten) doen. De commissie komt tot dat advies na te hebben geconcludeerd dat bepaalde aanvullende informatie uit het opsporingsonderzoek niet in het strafdossier is opgenomen, waar dit wel had moeten gebeuren.
Het opsporingsonderzoek uit 1998/1999 in deze zeer complexe gevoelige en met het oog op de waarheidsvinding lastige zaak, is volgens de onderzoekscommissie door het OM en de politie op integere wijze en met grote inzet uitgevoerd. Men heeft gestreefd naar transparantie; er is geen enkele aanwijzing dat men relevante informatie voor de rechter heeft wíllen achterhouden.
Daarnaast heeft het College aan het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie opdracht gegeven in voorjaar 2008 advies uit te brengen over het thema "volledigheid van het strafdossier" dat zal dienen als basis voor over dit onderwerp op te stellen richtlijnen binnen het OM. Dit betreft de samenstelling van het dossier dat door de officier van justitie aan de rechter wordt voorgelegd en waarvan de verdediging een afschrift krijgt.
Voorgeschiedenis
Het onderzoek in de
"Enschedese ontuchtzaak" is medio 1998 gestart en april 2000
afgerond. In deze zaak zijn twee mannen en één vrouw uit Enschede
veroordeeld voor verkrachting en (mede)plegen van ontucht met
minderjarigen. Twee van deze personen zijn niet meer gedetineerd.
De derde persoon, die was veroordeeld tot een gevangenisstraf en
TBS, wordt momenteel behandeld in een TBS-kliniek.
Onderzoeksvragen
Aan de commissie was
gevraagd te onderzoeken of de rechter relevante informatie
onthouden was die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen
leiden, doordat niet alle processen-verbaal van de verhoren van
slachtoffers/getuigen deel zouden uitmaken van het strafdossier,
dan wel, zoals werd gesuggereerd, eerst na de terechtzitting aan
het strafdossier zouden zijn toegevoegd.
De commissie heeft deze vraag zonder enig voorbehoud ontkennend beantwoord. Alle opgemaakte processen-verbaal van verhoor van slachtoffers/getuigen maakten deel uit van het strafdossier en na de terechtzitting zijn geen verklaringen van slachtoffers en/of "andere kinderen" meer aan het strafdossier toegevoegd.
Na beantwoording van deze vraag heeft de commissie de onderzoeksvraag uitgebreid met de vraag of andere relevante informatie aan de rechter was onthouden die mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden.
De commissie is van mening dat informatie buiten het dossier is gebleven, die er naar haar mening wel in had gemoeten. Dit betreft zowel informatie waarnaar onvoldoende diepgaand onderzoek is gedaan, als informatie uit verricht onderzoek met hetzij negatief resultaat, hetzij met een resultaat dat voor het onderzoek niet van belang werd geacht. Terwijl die onderzoeken wel van belang waren voor een goede beeldvorming over de verdachten. Op de vraag of dit tot een ander oordeel van de rechter had kunnen leiden is volgens de commissie geen stellig antwoord te geven.
Omdat de rol van de rechter om staatsrechtelijke redenen door de CEAS niet in haar onderzoek is betrokken, bevat het rapport geen oordeel of de betrokkenen in deze zaak terecht zijn veroordeeld.
Advies gevraagd aan Wetenschappelijk Bureau
OM
Het College is van mening dat geen eenduidig
antwoord valt te geven op de vraag welke stukken in het
strafdossier moeten worden gevoegd. Het begrip processtuk is niet
in de wet gedefinieerd en rechterlijke uitspraken laten ruimte
voor een gevarieerde toepassing in de praktijk. Het College heeft
het Wetenschappelijke Bureau OM verzocht hieromtrent advies uit
te brengen. Dit moet op korte termijn leiden tot heldere en
strakke kaders voor wat onder de verantwoordelijkheid van het OM
in het strafdossier moet worden gevoegd, Daarbij moeten - naast
rechterlijke uitspraken en standpunten van deskundigen - ook
adviezen van eerdere CEAS-onderzoekscommissies worden betrokken
(Schiedammer Parkmoord en Lucia de B.)
Achtergrondinformatie CEAS
Het College
heeft in april 2006 de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken
(CEAS) ingesteld. De CEAS heeft als opdracht door middel van
onderzoek na te gaan of zich in een specifieke afgeronde
strafzaak in opsporing, vervolging en/of presentatie van het
bewijs ter terechtzitting ernstige manco's hebben voorgedaan die
een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de
weg hebben gestaan. Onderdeel van deze commissie is de
Toegangscommissie die het College adviseert welke zaken in
aanmerking komen voor nader onderzoek. Dit is tot op heden in
drie zaken het geval geweest. Het College heeft in alle drie de
zaken een onderzoekcommissie geformeerd. Na het rapport van de
commissie Grimbergen in de zaak Lucia de B. dat eind oktober 2007
is verschenen, is nu het rapport van de commissie Vermeulen
openbaar gemaakt. Het rapport inzake Ina Post van de commissie
Van Beuningen wordt in januari 2008 verwacht.