Reactie voorzitter van het College van PG’s, Harm Brouwer, op de stellingen van de paneldiscussie tijdens de Amsterdamse Juridische Bedrijvendag

Kruimelpad

Inhoud pagina: Reactie voorzitter van het College van PG’s, Harm Brouwer, op de stellingen van de paneldiscussie tijdens de Amsterdamse Juridische Bedrijvendag

7 november 2008

Reactie voorzitter van het College van PG’s, Harm Brouwer, op de stellingen van de paneldiscussie tijdens de Amsterdamse Juridische Bedrijvendag,

 

Amsterdam 7 november 2008

 

Stelling 1

Moet een verdachte in de beeldvorming onschuldig blijven tot hij is veroordeeld? 

Het meest eenvoudige antwoord op deze stelling – of eigenlijk vraag – is natuurlijk: ‘Ja’. We kennen immers de onschuldpresumptie, zoals onder meer vastgelegd in art. 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar je bent niet voor niets jurist. Dus laten we de zaken wat ingewikkelder maken.  

‘Beeldvorming’, waar hebben we het dan precies over? Beeldvorming in het maatschappelijk verkeer, in de media, in het Kröller- Müller museum? Vermoedelijk hadden de opstellers de media in gedachten. Maar omdat we hier met juristen onder elkaar zijn, begin ik met de juridische beeldvorming.  

Juist in de juridische beeldvorming behoort een verdachte onschuldig te blijven tot hij is veroordeeld. Toch ligt in het woordje ‘blijven’ nog een listigheid besloten. Bedoelen we daarmee dat een verdachte binnen het gerechtelijke systeem voor onschuldig gehouden moet worden totdat-ie is veroordeeld? Of bedoelen we dat iemand te allen tijde als onschuldig aangemerkt moet worden? Twee heel verschillende zaken.  

Mijn antwoord op de eerste vraag luidt wederom: ‘Ja’. Als vertegenwoordiger van het OM is mijn antwoord op de tweede vraag echter: ‘Nee’. Want volgens art. 27 Sv kan iemand door politie en OM als verdachte behandeld worden, zodra er een redelijk vermoeden van schuld bestaat. Dan kan er een opsporingsonderzoek gestart worden met als volgende stap dat de verdachte in voorlopige hechtenis wordt genomen. Voorwaarde is dan wel dat tegen betrokkene ‘ernstige bezwaren’ bestaan. Dat is weer een graad ernstiger dan ‘een redelijk vermoeden van schuld bestaat’.  

Op grond van het opsporingsonderzoek kan de officier van justitie de verdachte voor de rechter te brengen. Dat doet hij alleen als hij ervan overtuigd is dat hij een zaak heeft. Met andere woorden: dat het waarschijnlijk is dat de rechter op basis van het bewijs zal oordelen dat verdachte schuldig is. Je gaat als officier niet in een moordzaak twintig jaar eisen en ter afsluiting de rechtbank veel succes wensen met haar moeilijke afweging omdat je persoonlijk twijfelt aan de schuld van de verdachte. Het zou raar zijn als de officier van justitie al die tijd zou moeten veinzen dat naar zijn mening de verdachte onschuldig is. Zo ver reikt de onschuldpresumptie niet. 

Waar het wél om gaat, is dat de officier van justitie geen voorschot neemt op het oordeel van de rechter. De officier moet de ogen openhouden voor de mogelijkheid dat betrokkene uiteindelijk wordt vrijgesproken omdat de rechter niet overtuigd is van de schuld van betrokkene. 

‘Waarheidsvinding’ maakt deel uit van de opdracht van de officier. Dat kan er in de praktijk toe leiden dat de officier zijn mening herziet. Zelfs als de zaak al op de zitting is gebracht.

Dus als je tijdens het proces oprecht begint te twijfelen aan de schuld van de verdachte – noem het voortschrijdend inzicht – dan moet je daar iets mee. Dan kan je bijvoorbeeld om schorsing vragen, je eis bijstellen of misschien bij nader inzien zelfs op vrijspraak aandringen. Dat is dan geen zwaktebod, maar juist een teken van magistratelijkheid. Want als officier ben je niet alleen ‘crime fighter’, je bent óók en vooral magistraat. De spanning tussen die twee opdrachten maakt de taak van officier extra boeiend.  

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

EXTRA ‘MUNITIE’ VOOR HET DEBAT 

Het OM opereert onder de presumptie dat waar rook is, nog geen vuur hoeft te zijn. Tegelijkertijd weet je dat als de media eenmaal met een zaak aan de haal gaan, in de publieke opinie al snel de omgekeerde opvatting zal prevaleren. 

Zelfs als iemand ten onrechte als verdachte blijkt te zijn aangemerkt - bijvoorbeeld vanwege een persoonsverwisseling - kan-ie daar zijn hele leven last van hebben. Juist in het digitale tijdperk geldt immers: eens een dief, altijd een dief.   

Het collectieve geheugen van de Google-samenleving is ongelimiteerd in tijd, afstand en opslagcapaciteit. En bovenal ook ongelimiteerd in vooroordelen. Er trekt altijd wel ergens een blogger ongenuanceerd van leer. Misschien durft-ie zichzelf nog journalist te noemen ook. En zo ontstaan er zóveel rookgordijnen dat leken nauwelijks meer kunnen achterhalen of er ooit vuur is geweest.  

Gedeelte uit het vonnis over computervredebrekende SZW-voorlichters over de ontvankelijkheid van de officier van justitie.  
 
De raadsvrouwe heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit op de volgende gronden. Hetgeen in het publieke domein, door de pers en politici, over verdachte en haar medeverdachten naar buiten is gebracht, is in strijd met de ware aard en omvang van het gebeurde. Het Openbaar Ministerie heeft aan die onjuiste beeldvorming bijgedragen door publiekelijk over verdachten te spreken alsof al vaststond dat zij strafbaar waren. Dit is in strijd met de onschuldpresumptie en heeft het recht van verdachte op een eerlijk proces nadelig be? nvloed, zodat sprake is van strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.  

De beslissing om tot vervolging over te gaan moet geacht worden te hebben plaatsgevonden onder grote publieke druk, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat min of meer gelijke gevallen van computervredebreuk door het Openbaar Ministerie zijn geseponeerd. Daardoor is ook sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. 
 
De rechtbank stelt voorop dat deze zaak zich van andere gevallen van computervredebreuk onderscheidt door de bijzondere omstandigheid dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten als voorlichter bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Ministerie van SZW) en dus als ambtenaar in rijksdienst was aangesteld. Dit aspect wordt door de verdediging onvoldoende onderkend. Het is juist deze omstandigheid die de commotie in de pers en overigens in de maatschappij heeft veroorzaakt en die (in ieder geval mede) de officier van justitie tot vervolging heeft gebracht. Die beslissing is begrijpelijk. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet gebleken.  

De rechtbank overweegt verder dat het in het algemeen onwenselijk is dat vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie zich gedurende strafrechtelijke onderzoeken uitlaten over wat een verdachte wel of niet heeft gedaan. Het verdient aanbeveling - en het is in het algemeen ook de praktijk - dat steeds duidelijk wordt gemaakt dat nog slechts sprake is van een op de betrokkene rustende verdenking. Als dat in deze zaak niet, of niet in voldoende mate, is gebeurd, is dat betreurenswaardig, maar het leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat dit tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat hetgeen volgens de verdediging door de persofficier van justitie over de beslissing tot vervolging in de onderhavige zaak is gezegd, geen onjuistheden bevat en strookt met hetgeen door verdachte bij de recherche en ter terechtzitting naar voren is gebracht. 
Het verweer dat het recht van verdachte op een eerlijk proces nadelig is be?nvloed, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Ook anderszins is niet gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan haar recht op een behoorlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging.


 

Stelling 2

In welke mate mogen de media iemands privacy schenden als hij door justitie wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit? 

Of eigenlijk: in welke mate mogen de media iemands privacy schenden als hij door het OM wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit?  

Laten we vooropstellen dat betrouwbare en pluriforme journalistiek van het grootste belang is voor een democratische samenleving. Die kan niet goed functioneren zonder geïnformeerde burgers en een vrije uitwisseling van ideeën.  

Vanwege die vitale functie is de overheid – en dat geldt ook voor de rechterlijke macht waartoe het OM behoort – zeer terughoudend in haar bemoeienis met de media. Het liefste zien we als samenleving dat de journalistiek zichzelf corrigeert. Ook waar het gaat om de schending van privacy van personen over wie er bericht wordt.  

Nu is het tuchtrecht in veel beroepsgroepen zwak ontwikkeld en de media vormen daarop geen uitzondering. De status van de Raad voor de Journalistiek – het tuchtrechtelijke orgaan – is laag en zakt onder druk van de digitalisering verder af. Want wat of wie is nu eigenlijk een journalist? Het is immers geen beschermde titel, zoals arts, advocaat of notaris.  

Zijn de vrije jongens van GeenStijl journalisten? Ze laten zich in elk geval weinig gelegen liggen aan klassiek-journalistieke normen. Denk aan het filmpje van de Haagse dakmoord dat te zien was op deze website en waarop verdachten duidelijk herkenbaar in beeld waren. Een duidelijk geval van schending van pricacy, dunkt mij. Een verdachte diende een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek.  

Die Raad heeft in zijn leidraad staan: ‘De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijke belang van de publicatie’. 

Van maatschappelijk belang was hier geen sprake. De Raad stelden de klagers dan ook in het gelijk. De reactie van GeenStijl? ‘De Raad voor de Journalistiek is een volstrekt non-existent orgaan. Een wassen neus, een papieren tijger, een stomme trekpop. Val lekker dood met die gegronde en ongegronde klachten. We hebben niets te schaften met jullie’.

Het lijkt erop dat onder druk van dit soort internetbravoure de serieuze media worden meegezogen in ‘a race to the bottom’. In de slag om de nieuwsconsument lijken ook zij te mikken op meer sensatie in plaats van op meer betrouwbaarheid. Terwijl ze zich juist met dat laatste zouden kunnen onderscheiden van de bloggers.  

Eigenlijk zouden de serieuze media op elk artikel, op elke uitzending over een verdachte een disclaimer moeten laten volgen: ‘Een verdachte van een misdrijf wordt voor onschuldig gehouden totdat voor een rechter het tegendeel is bewezen’. 

Naarmate de journalistiek zelf minder grenzen trekt, zullen anderen – de overheid of benadeelden - gedwongen worden dat meer te doen. Aannemelijk is dat het aantal civielrechtelijk procedures tegen al dan niet zelf verklaarde journalisten zal toenemen.  

Probleem met dit soort corrigerend optreden achteraf is natuurlijk dat het kwaad dan al is geschied. Als je je privacy eenmaal kwijt bent, krijg je haar nooit meer terug in het internettijdperk, ook niet met een vonnis van de rechter in je hand. Ik hoop dan ook dat de media de maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij hier hebben, serieus blijven nemen. In ieder geval die media die zich ten doel stellen het publiek te informeren en niet alleen te shockeren of te vermaken. 

Overigens zie ik hier ook enige verantwoordelijkheid voor de advocatuur. Advocaten zoeken om tactische redenen steeds vaker de openbaarheid voordat de rechtszaak goed en wel begonnen is. Dat kan in het belang zijn van de zaak van hun individuele cliënt, maar het betekent alles bij elkaar wel een uitholling van de privacy van verdachten. Men zou bijna gaan denken dat die privacy blijkbaar niet zo belangrijk is,  wanneer avond aan avond verdachten in praatprogramma’s aan schuiven.


 

EXTRA ‘MUNITIE’ VOOR HET DEBAT


Volgens het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren onziet ‘de journalist de privacy van slachtoffer, nabestaanden, patiënten, maar ook van verdachten en daders door de algemene herkenbaarheid van betrokkenen in de berichtgeving te vermijden in al die gevallen waarin deze personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden en voor zover het vermijden van herkenbaarheid niet in strijd is met het belang van adequate berichtgeving.’


In theorie kan het OM publicisten – ik vermijd bewust het woord journalisten - bijvoorbeeld vervolgen via art. 261 Sr dat betrekking heeft op smaad. Smaad is ‘opzettelijk iemands eer of goede naam aanranden, door tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven’. Maar het is moeilijk om smaad voor een strafrechter wettig en overtuigend te bewijzen. Bovendien geldt er een uitsluitinggrond bij smaad wanneer ‘het algemeen belang de tenlastelegging eiste’. De vrijheid van nieuwsgaring kan zo’n algemeen belang zijn. Voor de civiele rechter daarentegen kan het begin van bewijs al voldoende zijn om in een vonnis rectificatie of schadevergoeding te eisen.

Even geduld aub.
Naar boven
Verklaar Jargon
Jargon Verklaard
Geen vakjargon termen gevonden

Zoeken