5 juli 2004 - Landelijk Parket
De Rijksrecherche heeft geen enkele onderbouwing gevonden voor de
veronderstelling dat het Tolteam of medewerkers van het Openbaar
Ministerie (OM) in het onderzoek naar de vuurwerkramp opzettelijk
de rechterlijke macht hebben misleid. Dat is de uitkomst van het
feitenonderzoek door de Rijksrecherche, dat is uitgevoerd onder
leiding van het Landelijk Parket.
Een tussenrapportage van het Bureau Interne Zaken (BIZ) van de
regiopolitie Gelderland-Midden maakte in november vorig jaar
melding van de hypothese dat in het onderzoek naar de
vuurwerkramp de rechterlijke macht opzettelijk was misleid.
Burgemeester Mans van Enschede had als korpsbeheerder van de
regiopolitie Twente opdracht tot dit onderzoek gegeven, omdat
binnen en buiten de rechtszaal de professionaliteit van het
Tolteam in twijfel was getrokken.
De korpsbeheerder wendde zich destijds met de hypothese van het
BIZ rechtstreeks tot de minister van Justitie. Het gevolg was dat
de Coördinatie Commissie Rijksrecherche (CCR) opdracht gaf tot
een feitenonderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek zijn vandaag
toegelicht aan de leden van de driehoek (korpsbeheerder,
hoofdofficier van justitie en korpschef) in Enschede.
De Rijksrecherche heeft in zijn onderzoek gebruik gemaakt van
alle gegevens waarover het BIZ beschikte. Op basis van een
analyse en reconstructie van deze informatie zijn vervolgens
getuigen gehoord en is verder administratief en digitaal
onderzoek gedaan. Onder de getuigen bevonden zich de rechercheurs
Paalman en De Roy van Zuydewijn, die ernstige kritiek hebben
geuit op het functioneren van het Tolteam.
Geheim onderzoek
Door de BIZ-rapportage loopt als een rode draad de mogelijkheid
van een geheim onderzoek tegen verdachte A. de Vries,
voorafgaande aan diens eerste verhoor op 21 november 2000. De
Vries is eerst als getuige gehoord. Het BIZ stelt dat hij echter
als verdachte moest worden aangemerkt en hem de cautie - verdacht
en niet tot antwoorden verplicht - had moeten worden aangezegd.
Een 'select' aantal rechercheurs zou voor die datum betrokken
zijn geweest bij opsporingshandelingen tegen De Vries. Hun
werkzaamheden zouden zij bovendien hebben verwerkt in een
afgeschermd 'journaal'.
Het onderzoek van de Rijksrecherche wijst uit dat geen sprake was
van een geheim opsporingstraject. Het gehele Tolteam en het
openbaar ministerie waren op de hoogte of hadden het kunnen zijn
dat vanaf eind oktober of begin november 2000 een onderzoek was
gestart naar De Vries. De werkzaamheden van de rechercheurs
brachten niet met zich mee dat De Vries bij zijn eerste verhoor
de status van verdachte had moeten krijgen.
Onrechtmatig bewijs
De Rijksrecherche heeft onderzoek gedaan naar de stelling dat het
bewijs tegen verdachte De Vries mogelijk onrechtmatig is
verkregen. Ook is onderzoek gedaan naar het mogelijk antedateren
of willens en wetens achterhouden van een proces-verbaal om
zodoende De Vries te kunnen vasthouden in voorlopige
hechtenis.
In een proces-verbaal van 26 april 2001 trok een rechercheur van
het Tolteam de conclusie dat het niet aannemelijk was dat De
Vries de gebruiker was van een mobiele telefoon, waarmee kort
voor en na de vuurwerkramp in het rampgebied was gebeld. Een dag
later, tijdens een pro-forma zitting van de rechtbank op 27 april
2001, voerde de officier van justitie onder andere het onderzoek
naar de gsm aan als grond voor het voortduren van de voorlopige
hechtenis van De Vries.
De getuigenverklaringen die de rechercheur had gebruikt voor zijn
analyse bevonden zich in het dossier. De rechterlijke macht kon
er kennis van nemen. Het 'gsm-verbaal' is pas enkele maanden
later aan het dossier toegevoegd. Toen was bekend geworden dat De
Vries de telefoon niet had gebruikt op de dag van de
vuurwerkramp. Volgens de Rijksrecherche is het proces-verbaal
niet geantedateerd. Uit stemherkenning is op 28 september 2001
gebleken dat iemand anders de gsm had gebruikt ten tijde van de
vuurwerkramp.
De Rijksrecherche onderzocht verder de door het BIZ opengehouden
mogelijkheid dat telefoongesprekken van De Vries werden opgenomen
en uitgeluisterd voordat hij formeel verdachte werd. Uit het
ingestelde onderzoek valt echter op geen enkele wijze op te maken
dat in 2000 telecommunicatie van De Vries is getapt.
Rode sportbroek
Het BIZ heeft de conclusie getrokken dat door een aantal
medewerkers van het Tolteam en de regiopolitie Twente niet
professioneel is omgegaan met een in beslag genomen rode
sportbroek. Over deze sportbroek is veel te doen geweest. Er zou
gekheid mee zijn uitgehaald. De sportbroek - een belangrijk
bewijsmiddel in de strafzaak - zou door een van de rechercheurs
zijn aangetrokken of op het hoofd gezet. Dat is door deze
rechercheur altijd met klem ontkend.
Uit het onderzoek door de Rijksrecherche is naar voren gekomen
dat de rechercheur het sportbroekje uit de verpakking heeft
gehaald. Er is niet gebleken dat hij het ook heeft aangetrokken
of op zijn hoofd heeft gezet, zoals zijn collega's Paalman en De
Roy van Zuydewijn onder ede bij het gerechtshof in Arnhem hebben
verklaard. Uit alle door leden van het Tolteam opgemaakte
processen-verbaal en afgelegde verklaringen over het rode
sportbroekje heeft de Rijksrecherche geen ondersteuning gevonden
voor de beweringen van Paalman en De Roy van Zuydewijn.
Rechercheur Paalman kwam tegenover de Rijksrecherche terug op
zijn verklaring bij het gerechtshof. Hij zei niet te hebben
gezien dat zijn collega het sportbroekje aantrok.
N.B. (Deze alinea is op last van de rechter op 13 augustus
gerectificeerd. Klik
hier)
Door de Rijksrecherche is voor de veronderstellingen in de
BIZ-rapportage geen onderbouwing gevonden. Daarbij moet opgemerkt
worden dat het onderzoek van het BIZ in november 2003 nog in
volle gang was. Het rapport van 16 november 2003 was slechts een
voortgangsrapportage aan de opdrachtgever. Uit het
feitenonderzoek door de Rijksrecherche is niet gebleken dat niet
integer is gehandeld door het Tolteam of medewerkers van het
OM.
Voor informatie: Wim de Bruin, tel. 010 - 4966 966