Aanwijzing in de zin van art. 130 lid 4 Wet RO
art. 67, lid 1, Sv.; art. 2 Pol.w.
Deze aanwijzing geeft aan wat opsporingsberichtgeving inhoudt, hoe en wanneer het Openbaar Ministerie (OM) de verschillende vormen ervan kan inzetten en aan welke omstandigheden het OM daarbij nog speciale aandacht moet geven.
Sinds de voorgaande aanwijzing heeft het aantal beschikbare mediavormen een enorme vlucht genomen. Vooral het internet heeft de mogelijkheden om burgers te betrekken bij de opsporing vergroot. De aanwijzing besteedt ruim aandacht aan het internet.
De aanwijzing begint met een definitie en het wettelijk kader, waarna uiteen wordt gezet welke soorten opsporingsberichtgeving het OM kan inzetten en welke procedure daartoe moet worden gevolgd. Gevoelige zaken worden apart genoemd. Nieuw daarbij zijn de dringend gezocht lijsten op het internet. Ook geeft de aanwijzing een overzicht van berichten die weliswaar kenmerken vertonen van opsporingsberichtgeving, maar niet onder de verantwoordelijkheid van het OM vallen, waaronder het Amber Alert. Daarnaast besteedt de aanwijzing bijzondere aandacht aan de verwijdering van informatie, vooral van het internet, en een klachtprocedure. Ook gaat de aanwijzing in op het uitloven van beloningen door het OM en op het gebruik van beeld- en geluidsmateriaal.
De aanwijzing bespreekt ook de samenstelling en werkwijze van het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving (L.O.O.), het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.) en het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O.). Ten slotte gaat de aanwijzing in op de samenwerking met mediapartners en wordt aangegeven welke afspraken tot stand moeten komen.
Om de bruikbaarheid van de aanwijzing te vergroten is ervoor gekozen om de (kern van de) inhoud met behulp van bewegwijzering (kaders) toegankelijk te maken en zijn de procedures ten behoeve van de verschillende vormen van opsporingsberichtgeving niet in de aanwijzing zelf opgenomen, maar puntsgewijs als bijlage weergegeven.
SAMENVATTING *
1. ACHTERGROND *
2. WAT IS
OPSPORINGSBERICHTGEVING? *
3. JURIDISCH
KADER *
4. EISEN AAN INZET OPSPORINGSBERICHTGEVING *
4.1. Toestemming (hoofd)officier van justitie
*
4.2. In iedere fase van het onderzoek
mogelijk *
4.3. Alleen in specifieke
gevallen *
4.3.1. Onderzoek naar
onbekende verdachten: *
4.3.2. Onderzoek
naar niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden:
*
4.3.3. Onderzoek naar bekende
verdachten en ontvluchte veroordeelden:
*
4.4. Na bewuste belangenafweging
*
5. VORMEN VAN OPSPORINGSBERICHTGEVING *
5.1. Algemeen *
5.2.
Bijzondere vormen van opsporingsberichtgeving
*
5.2.1. Dringend gezocht lijsten
*
5.2.2.Internationale
opsporingsberichtgeving *
5.3.
Verwijdering en klachten *
6. ZAKEN DIE NIET ONDER VERANTWOORDELIJKHEID VAN HET OM VALLEN *
6.1. Opsporingsberichtgeving na een oproep vermiste kinderen (Amber Alert) *
7. BESLUITVORMING, PROCEDURES EN OVERLEG *
7.1. Twee niveaus van besluitvorming over publicatie
en verwijdering *
7.1.1. Landelijk niveau
*
7.1.1.1. Procedure landelijke en
internationale opsporingsberichtgeving
*
7.1.1.2. Procedure gevoelige zaken en
prijsgeven identiteit *
7.1.1.3.
Procedure melding ontwikkelingen, experimenten en projecten met
landelijke uitstraling *
7.1.2. Regionaal
niveau *
7.1.2.1. Procedure regionale
opsporingsberichten *
7.2. Beleidsvorming
landelijk en regionaal *
7.2.1. Het
Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving
*
7.2.2. Het Regionaal Overleg
Opsporingsberichtgeving *
7.3. Het
Landelijke Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O.)
*
8. SAMENWERKING MET MEDIAPARTNERS *
8.1. Afspraken *
8.2.
Verantwoordelijkheid *
8.3.
Kosten*
8.4. Beeld-en geluidsmateriaal
*
8.5. Geheimhoudingsverklaring
*
8.6. Afzien van samenwerking
*
9. BELONINGEN *
9.1. Beloningen uitgeloofd door Justitie/Openbaar
Ministerie *
9.2. Beloningen uitgeloofd
door derden *
10. GEBRUIK BEELD - EN GELUIDSMATERIAAL *
11. OVERGANGSRECHT *
12. BIJLAGEN *
Bijlage 1 Aanmelden zaak voor Landelijke
Opsporingsberichtgeving *
Bijlage 2
Aanmelden voor Regionale Opsporingsberichtgeving
*
Bijlage 3 Lijst Dringend Gezochte
Personen *
Bijlage 4 Landelijke urgente
opsporingsberichtgeving (het Politiebericht)
*
Bijlage 5 Regionale urgente
opsporingsberichtgeving (het Politiebericht) *
Sinds de inwerkingtreding van de vorige Aanwijzing Opsporingsberichtgeving (2004A010) is vier jaar verstreken. In die periode zijn er belangrijke ontwikkelingen rond opsporingsberichtgeving geweest.
Het bereik van communicatie via het internet en de tv is sterk vergroot. Ook de snelheid waarmee informatieverspreid wordt, is toegenomen. Lokale en regionale berichtgeving hebben onbedoeld vaak een landelijke uitwerking. Digitalisering van opsporingsberichtgeving maakt kopiëren, bewerken en rondsturen van berichten voor iedereen mogelijk. Informatiestromen zijn moeilijk te beheersen.
Mediabedrijven gebruiken het internet om zowel grote algemene als kleine specifieke doelgroepen te bereiken.
Onderzoeksjournalisten en burgers betreden het terrein van opsporing en maken van media gebruik bij het onder de aandacht brengen van zaken en kwesties. Soms wordt hierbij afstemming gezocht met politie en OM.
Ten slotte is er toegenomen aandacht van politiek, pers en burgers voor opsporingsberichtgeving. In het publieke debat worden inbreuken op de privacy van verdachten en veroordeelden eerder geaccepteerd bij ernstige strafbare feiten of ten aanzien van personen die met hun gedrag een ernstig gevaar voor de samenleving vormen.
Het OM moet de organisatie van opsporingsberichtgeving aan deze ontwikkelingen aanpassen.
Deze aanwijzing kenmerkt zich, in vergelijking met de vorige Aanwijzing, door:
Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen. Onder deze ruime definitie vallen opsporingsberichten die gepubliceerd worden via de tv, radio, krant, telefoon of het internet. Ook berichten op publieke beeldschermen, in flyers en berichten die, na overleg met OM en/of politie, in media als resultaat van onderzoeksjournalistiek worden getoond, zijn aan te merken als vormen van opsporingsberichtgeving wanneer daarbij de hulp van het publiek wordt gevraagd. |
Opsporingsberichtgeving is geen voorlichting en dient daarmee niet verward te worden.
De bevoegdheid tot het inzetten van het opsporingsmiddel opsporingsberichtgeving is niet expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering(Sv), maar valt onder de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 Sv waarin is bepaald dat de officier van justitie is belast met de opsporing van strafbare feiten en in dat kader bevelen kan geven aan de overige personen die met de opsporing zijn belast. Bij de inzet van opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, ook wel het privéleven, dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM. Dat is (uiteraard) met name het geval als in het opsporingsbericht tot de persoon herleidbare gegevens worden gebruikt. Een dergelijke inbreuk is slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien. Dezelfde waarborg is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet.
Bij opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van het verwerken van politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens (Wpg). De Wpg is een wettelijke regeling die beoogt, met eerbiediging van de beginselen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten doel hebben, meer ruimte te bieden voor het verwerken van gegevens ten behoeve van een optimale uitvoering van de politietaak. Tevens kan sprake zijn van het verwerken van strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en de Aanwijzing Wjsg. In deze wettelijke regelingen zijn waarborgen neergelegd voor een zorgvuldige omgang met politie- en strafvorderlijke gegevens.
In deze aanwijzing worden de regels en waarborgen rond de inzet van opsporingsberichtgeving nog nader gepreciseerd.
Daarbij is van belang dat deze aanwijzing ziet op de situatie dat de burger vrijwillig wordt benaderd; met andere woorden: of het opsporingsbericht wordt ontvangen, dan wel gelezen, is een eigen keuze van de ontvanger, hetzij omdat deze gebruik maakt van media (tv, radio, internet) hetzij omdat deze zich op de ontvangst heeft geabonneerd (internet, mobiele telefoon). Voor onvrijwillige benadering - denk aan de zogenaamde sms-bom waarvoor plaatsbepalingsgevens van mobiele telefoons nodig zijn - gelden striktere regels, zoals neergelegd in het Wetboek van Strafvordering en de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden (BOB). Voor het verkrijgen van telecommunicatiegegevens van burgers aan wie in overeenstemming met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving opsporingsberichten worden gestuurd, is de BOB-regelgeving van toepassing.
4.1 Toestemming (hoofd)officier van justitie
| Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de inzet van opsporingsmiddelen in het onderzoek naar strafbare feiten. Voor de inzet van opsporingsberichtgeving moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de (zaaks)officier van justitie, toestemming geven. De hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is verantwoordelijk voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht. |
4.2 In íedere fase van het onderzoek mogelijk, meermalig
Het OM kan opsporingsberichtgeving in iedere fase van het onderzoek inzetten. Dit kan ook wanneer nog niet zeker is dat een misdrijf heeft plaatsgevonden maar daarvoor wel concrete aanwijzingen zijn, of wanneer opsporing nodig is om executie van een opgelegde straf mogelijk te maken.
Voorheen werd een opsporingsbericht gezien als een laatste redmiddel, als alle andere middelen waren ingezet en onvoldoende aanwijzingen hadden opgeleverd. Tegenwoordig is men ervan doordrongen dat een opsporingsbericht juist ook kort na het plegen van een misdrijf zijn nut kan hebben. De herinnering van eventuele getuigen is dan nog vers. Een opsporingsbericht, bijvoorbeeld in de vorm van een weblog, is in het begin van een opsporingsonderzoek te zien als een uitgebreid buurtonderzoek. Komen er in de loop van het onderzoek nieuwe vragen naar voren, dan kan het OM opnieuw de hulp van het publiek inroepen met een nieuw opsporingsbericht.
De frequentie van uitzending of publicatie van het opsporingsbericht varieert van eenmalig tot doorlopend. De officier van justitie bepaalt dit binnen de hiervoor gestelde criteria.
4.3 Alleen in specifieke gevallen
4.4 Na bewuste belangenafweging
Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van opsporingsberichtgeving maakt het OM altijd een afweging van verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij is van belang dat het OM nadrukkelijk rekening houdt met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen zoals het internet en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich - bijvoorbeeld van het internet - niet meer zonder meer laat verwijderen of herroepen. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken (verdachte, slachtoffer, eventueel getuigen). Het OM moet met ieders belang rekening houden bij de beslissing om dit middel in te zetten.
Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Proportionaliteit: de zwaarte van het in te zetten middel dient in verhouding te staan tot het beoogde doel. Hierbij speelt de ernst van het gepleegde delict een rol.
Subsidiariteit: het middel wordt ingezet als een eventueel lichter middel niet tot voldoende resultaat heeft geleid dan wel zal kunnen leiden. Als het doel ook met een voor de verdachte minder belastend middel kan worden bereikt, moet voor dat middel worden gekozen.
Vertaald naar opsporingsberichtgeving: hoe ernstiger het opsporingsbericht de belangen van de verdachte schendt, hoe belangrijker het is dat het doel in verhouding staat tot het middel én het beoogde doel niet op een andere manier kan worden bereikt die de verdachtes privacy of andere belangen minder schendt.
Een algemeen opsporingsbericht dat informatie geeft over het gepleegde delict en getuigen vraagt zich te melden, zal de privacy of een ander belang van de verdachte niet snel schenden. Dit is uiteraard anders als een compositietekening of zelfs camerabeelden worden getoond.
De politiek en andere instanties, zoals het College Bescherming Persoonsgegevens, waken voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van burgers, vooral gepleegd door de overheid. In de strafzaak is het de zittingsrechter die achteraf de rechtmatigheid van de inzet van het middel toetst.
Als de rechter tot het oordeel komt dat de inzet niet rechtmatig was of dat daarbij de belangen van verdachte onevenredig zijn geschonden, kan de rechter art. 359a Sv toepassen. Als de verdachte de rechtmatigheid in een verzoek om schadevergoeding aan de orde stelt, zal dit verzoek - zoals gebruikelijk - door het College worden behandeld, waarbij het ook mogelijk is dat de civiele rechter zich uiteindelijk over de rechtmatigheid van de inzet van het middel uitspreekt.
|
De enorme vlucht die het aantal beschikbare mediavormen
de laatste jaren neemt, maakt dat de mogelijkheden voor
opsporingsberichtgeving zijn vergroot. Belangrijk is om
een mediavorm te kiezen niet alleen met de bedoeling om
zoveel mogelijk mensen te bereiken, maar ook gericht op
specifieke doelgroepen.
Hieronder worden mogelijkheden omschreven voor uitzenden/publicatie van opsporingsberichtgeving, die het OM op het moment van vaststellen van deze aanwijzing al dan niet gecombineerd gebruikt. |
5.1 Algemeen
Wereldwijde Web
Het OM laat via het internet opsporingsberichten publiceren op het W.W.W. Dit medium is in het bijzonder geschikt voor het bereiken van ofwel een grote groep ofwel een specifieke doelgroep. Ook kan het OM zo de burger interactief in verschillende rollen bij de opsporing betrekken. Met behulp van websites/weblogs en R.S.S. feeds kunnen burgers naar wens op de hoogte worden gehouden van nieuwe informatie. Wanneer het OM met succes van deze vorm van opsporingsberichtgeving gebruik wil maken, moet nagedacht zijn over consequenties van deze vorm van interactie met de burger en de verwachtingen die daarbij aan de kant van de burger ontstaan. Ook dient aandacht te zijn voor de waarborgen die bij een dergelijke inzet van het opsporingsmiddel noodzakelijk zijn. De combinatie van mobiel internet en GPS maakt het mogelijk burgers lokale opsporingsberichten te geven. Mobiel internet vergroot de snelheid waarmee het OM burgers kan informeren.
Met mailberichten kan opsporingsberichtgeving op maat aan burgers (of groepen van burgers) direct ter beschikking worden gesteld.
Televisie
Op televisie maakt het OM gebruik van zendtijd en programma's die publieke en commerciële zendgemachtigden ter beschikking stellen. Dit kunnen programma's zijn die geheel zijn gericht op opsporingsberichtgeving, maar ook andere programma's waarbinnen een deel van de zendtijd hiervoor ter beschikking is gesteld.
Radio
Op de radio kan het OM opsporingsberichten laten uitzenden in de zendtijd die de zendgemachtigden ter beschikking stellen. Voorwaarde hierbij is dat het programma wordt ondersteund door een website op het internet, waarop het bijbehorende beeldmateriaal kan worden geraadpleegd.
Teletekst
Diverse zendgemachtigden beheren eigen vormen van teletekst op televisie. Via hen kan het OM opsporingsberichten op teletekst laten publiceren zodat een op televisie uitgezonden bericht nog eens na kan worden gelezen.
Kranten en andere geschreven berichtgeving
Vrijwel alle vormen van geschreven media zijn geschikt voor
het publiceren van opsporingsberichtgeving, bijvoorbeeld kranten,
huis-aan-huisbladen, tijdschriften. Ook kan worden gedacht aan
flyers.
Telefonie
Door de opkomst van zogenaamde smartphones is de grens tussen telefonie en internettoepassingen vervaagd. Beeld, tekst en ingesproken berichten kunnen via de mobiele (internet)telefoon worden verspreid. (NB: hier wordt niet de zogenaamde 'sms-bom' bedoeld, die slechts kan worden verzonden met behulp van plaatsbepalingsgevens).
Beeldschermen
Er is een groeiend aantal beeldschermen en billboards op voor het publiek toegankelijke plaatsen zoals in het openbaar vervoer en in openbare ruimten die het OM kan gebruiken voor opsporingsberichtgeving. Vaak zijn beeldschermen verbonden met internet of intranet.
5.2 Bijzondere vormen van opsporingsberichtgeving
5.2.1 Dringend gezocht lijsten
Het L.O.O. stelt op het internet (www.politie.nl) een landelijke lijst samen van dringend gezochte personen. Deze lijst kent geen numerieke opbouw en brengt gezochte personen in wisselende volgorde onder de aandacht. Ook regionaal kan het R.O.O. een dergelijke niet-numerieke lijst samenstellen.
In de regel geldt voor al deze lijsten dat terughoudend wordt
omgegaan met vermelding van het (vermoedelijk) begane misdrijf;
hiernaar wordt slechts in algemene zin verwezen, tenzij nadere
precisering noodzakelijk is in verband met mogelijk
recidivegevaar.
Zowel voor plaatsing van opsporingsberichten op de landelijke als
de regionale lijst zijn de criteria van paragraaf 4.3.2 en 4.3.3
van toepassing.
Voorwaarde voor plaatsing op de lijst is dat de wens tot opsporing van de dringend gezochte persoon eerder onder de aandacht is gebracht in een opsporingsbericht.
Deze voorwaarde geldt niet voor de categorie van 4.3.2, de niet-gedetineerde onherroepelijk veroordeelden.
De opsporingsinstantie voert een actief beleid om de betreffende persoon aan te houden. De voorzitter van het L.O.O. wordt door het KLPD periodiek geïnformeerd over de noodzaak om betrokkene op de landelijke lijst te laten staan. De beslissing om betrokkene al dan niet van de lijst te verwijderen, komt toe aan de hoofdofficier die voor de plaatsing toestemming heeft gegeven. De hoofdofficier van het regiokorps dat de regionale lijst beheert, wordt door het korps periodiek geïnformeerd over de noodzaak om betrokkene op de regionale lijst te laten staan.
5.2.2 Internationale opsporingsberichtgeving
Nederland kan verzoeken een bericht in een of meer andere
landen uit te zenden of te publiceren. Andersom kan aan een ander
land deze vraag ook aan Nederland stellen. Internationale
opsporingsberichtgeving is altijd gericht op informatie uit een
ander land dan het verzoekende land.
Internationale opsporingsberichtgeving kan alleen plaatsvinden op
basis van een rechtshulpverzoek; het gaat daarbij niet om het
uitwisselen van informatie op politieel niveau (kleine
rechtshulp) maar om een verzoek van de autoriteiten van het ene
land aan de autoriteiten van het andere land om de inzet van een
opsporingsmiddel (formele rechtshulp).
Op opsporingsberichten in het buitenland zijn dezelfde
voorwaarden en criteria van toepassing als op opsporingsberichten
in Nederland.
5.3 Verwijdering en klachten
Een opsporingsbericht is - gelet op het voorgaande - van tijdelijke aard. Publicatie van informatie op het internet kan op gespannen voet staan met de beoogde tijdelijkheid van het bericht. Ook wanneer maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat de inmiddels van het internet verwijderde informatie nog naar voren komt bij het gebruik van bijvoorbeeld zoekmachines, kan niet worden uitgesloten dat deze informatie - via andere sites - nog te raadplegen is. Uiteraard dient er zo goed mogelijk voor te worden gewaakt dat dit voorkomt. Vanwege de grote impact die de vermelding van identiteitsgegevens en foto's op een internetsite heeft, is het van het grootste belang dat onmiddellijk gehandeld wordt wanneer blijkt dat de gegevens ten onrechte in een opsporingsbericht zijn gebruikt. Hiervan kan sprake zijn wanneer een verdachte of veroordeelde persoon gebruik heeft gemaakt van de identiteit van een ander. |
Klachten over de gebruikte (persoons)gegevens kunnen worden
ingediend bij dezelfde instantie die wordt vermeld voor het
indienen van tips; daarbij kan het vermelde telefoonnummer of
e-mailadres worden gebruikt.
Door de 24-uurs bereikbaarheid die aan deze telefoon- en
e-mailgegevens is gekoppeld, wordt gewaarborgd dat op zo kort
mogelijke termijn kan worden gereageerd op klachten.
Voor de inhoud van het opsporingsbericht is de hoofdofficier van
het regiokorps verantwoordelijk. De afhandeling van de klachten
en - indien nodig - de verwijdering van de onjuiste gegevens,
geschiedt ook onder diens verantwoordelijkheid.
Het OM is niet in álle gevallen verantwoordelijk voor berichtgeving in de media. Het kan hierbij zowel om regionale als landelijke berichten gaan. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
6.1 Opsporingsberichtgeving na een oproep verniste kinderen (Amber Alert)
Als een kind beneden de leeftijd van achttien jaren wordt vermist, waarbij sprake is van direct gevaar voor het leven of voor ernstig lichamelijk of psychisch letsel van de minderjarige, zendt het KLPD - als er voldoende informatie beschikbaar is die kan leiden tot het lokaliseren van de vermiste minderjarige en er sprake is van een (O.A.T.)signalering in NSIS [1] - een zogenaamd Amber Alert uit. Naast al bestaande mogelijkheden op radio en televisie kan het Amber Alert worden verzonden via computer, telefonie (sms) en andere multimedia toepassingen (al dan niet in openbare ruimten).
Een Amber Alert kan snel uitgaan en moet worden gezien als een instrument bij het verlenen van hulp aan een kind, c.q. ouders die dat behoeven. Als in een vermissingszaak waarin een Amber Alert is uitgegaan ook een opsporingsonderzoek is gestart, kan het als gevolg van de geboden spoed voorkomen dat het Amber Alert uitgaat voordat het Openbaar Ministerie hiervan in kennis wordt gesteld. Dat laat onverlet dat het OM in het kader van dat opsporingsonderzoek ook opsporingsberichtgeving kan inzetten.
7.1 Twee niveaus van besluitvorming over publicatie en verwijdering
| Er zijn twee niveaus waarop besloten wordt over de publicatie en verwijdering van opsporingsberichten: landelijk en regionaal. Hiervoor gelden verschillende procedures. Wanneer twijfel bestaat over inzet, aard of effect van de opsporingsberichtgeving moet gekozen worden voor het landelijke niveau. |
7.1.1 Landelijk niveau
Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving:
- die als doel heeft landelijk aandacht voor het bericht te krijgen,
- in landelijk gevoelige zaken en/of
- in zaken waarin de identiteit van verdachte personen wordt prijsgegeven
wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt.
Voor publicatie van landelijke opsporingsberichtgeving is een advies vereist van de voorzitter of plv. voorzitter van het L.O.O.
Experimenten op het gebied van opsporingsberichtgeving moeten
worden gemeld aan het L.O.O, in de regel door middel van een plan
van aanpak dat in nauw overleg met en met instemming van het OM
is opgesteld.
Hierin dient enerzijds aandacht te worden besteed aan de
consequenties van de wijze waarop contact met de burger wordt
gelegd (afstemming met slachtoffers of nabestaanden en andere
betrokkenen, terugkoppelen van informatie, voortgangsberichten,
enzovoort) en anderzijds aan waarborgen die in het kader van een
zorgvuldige en rechtmatige inzet noodzakelijk zijn
(toetsingsmoment, klachtprocedure,
verwijderingsmogelijkheden).
Medewerkers van het KLPD (onder wie politieproducers) adviseren de korpsen bij de inzet en uitvoering van landelijke opsporingsberichtgeving en bieden ondersteuning. Namens de voorzitter van het L.O.O. toetsen en bewaken zij de inhoud tijdens (live)uitzendingen, publicaties en andere uitingen.
Hun taak bestaat uit het voeren van vooroverleg met de opsporingsinstantie over de wijze waarop een zaak in de media wordt gebracht en zij bewaken daarbij de belangen van de opsporing. Zij begeleiden ook de totstandkoming van de productie tot en met de uitzending/publicatie.
7.1.1.1 Procedure landelijke en internationale opsporingsberichtgeving
Wordt naast lokale en/of regionale aandacht voor het opsporingsbericht landelijke of internationale aandacht voor de berichtgeving beoogd, dan is de organisatie van de publicatie van het bericht de verantwoordelijkheid van het L.O.O. In dergelijke gevallen moet de zaak via het KLPD gemeld worden aan het L.O.O.
Het KLPD maakt de selectie van opsporingsonderzoeken waarin landelijke opsporingsberichten worden uitgestuurd. Het Hoofd opsporingsberichtgeving van het KLPD adviseert in een vroeg stadium de voorzitter van het L.O.O. over de inzet van de opsporingsberichtgeving.
7.1.1.2 Procedure gevoelige zaken en prijsgeven identiteit
Voorgenomen opsporingsberichtgeving in gevoelige zaken worden enerzijds via het KLPD en anderzijds door of namens de hoofdofficier van justitie ter advisering gemeld aan (de voorzitter van) het L.O.O. Gevoelige zaken zijn onder meer zaken waarvan te verwachten is dat zij landelijke (media-)aandacht zullen krijgen (naast de enkele uitzending van het voorgenomen opsporingsbericht) en opsporingsberichten waarin de identiteit van verdachten of gezochte personen wordt prijsgegeven
De voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van het L.O.O. legt deze zaken, waar nodig, ter toestemming voor aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal en geeft daarbij een advies.
7.1.1.3 Procedure melding ontwikkelingen, experimenten en projecten met landelijke uitstraling
De voorzitter van het R.O.O. en de politieproducer van het regiokorps informeren respectievelijk de voorzitter van het L.O.O. en het hoofd opsporingsberichtgeving van het KLPD over regionale ontwikkelingen, experimenten en projecten met landelijke uitstraling.
7.1.2 Regionaal niveau
Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving
- die als doel heeft beperkt, namelijk lokaal of regionaal,
aandacht voor het bericht te krijgen
wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.). Voor regionale opsporingsberichtgeving is toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie.
Er is niet altijd te voorkomen dat regionale berichtgeving ook buiten de regio kan worden bekeken, zodat het feitelijk bereik groter is dan het beoogde bereik. Met dit ongewenste bereik moet in de wijze waarop het bericht verspreid wordt rekening worden gehouden.
7.1.2.1 Procedure regionale opsporingsberichten
Een politieproducer maakt, onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het R.O.O., de selectie van opsporingsonderzoeken waarin opsporingsberichten worden uitgestuurd. Deze politieproducer adviseert de voorzitter van het R.O.O. en de proceseigenaar Opsporing van het regiokorps over de inzet van de opsporingsberichtgeving.
Bij gevoelige zaken geldt de procedure voor landelijke opsporingsberichtgeving (zie 7.1.1.2.)
7.2 Beleidsvorming, landelijk en regionaal
Opsporingsberichtgeving wordt als opsporingsmiddel sterk beïnvloed door technologische ontwikkeling en ontwikkelingen bij de media. Goede afwegingen rond privacy en veiligheid veronderstellen duidelijk beleid. Zowel landelijk als regionaal vindt er daarom gestructureerd overleg plaats tussen OM en Politie over het gebruik van opsporingsberichtgeving.
7.2.1. Het Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving
Op landelijk niveau voeren OM en Politie in het L.O.O. onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het College van procureurs-generaal gestructureerd overleg over:
Het L.O.O. stelt kaders vast waarbinnen regionale en lokale opsporingsberichtgeving moet plaatsvinden.
Dit Landelijk Overleg Opsporingsberichtgeving wordt voorgezeten door een hoofdofficier van justitie of hoofdadvocaat-generaal die is aangewezen door het College van procureurs-generaal. Als plaatsvervangend voorzitter wordt een ervaren officier van justitie of advocaat-generaal aangewezen. De politie wordt in dit overleg vertegenwoordigd door het KLPD en een aantal politieproducers van regiokorpsen. Een recherche- en een communicatie-expert nemen deel als agendalid.
7.2.2 Het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving
Op regionaal niveau (één of meerdere politieregio's) voeren OM en Politie in het R.O.O. onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier(en) van justitie gestructureerd overleg over:
Dit regionaal overleg opsporingsberichtgeving wordt voorgezeten door een officier van justitie die daartoe is aangewezen door de hoofdofficier(en). De persofficier (media) neemt deel aan het overleg. De voorzitter van het R.O.O. betrekt de recherche officier(en) bij de ontwikkeling en de inzet van opsporingsberichtgeving. Het politiekorps is in het overleg vertegenwoordigd door een politieproducer.
Interregionale samenwerking behoort tot de mogelijkheden.
7.3 Het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O)
Op initiatief van het L.O.O. wordt meerdere keren per jaar een landelijk overleg georganiseerd met vertegenwoordigers van de regiokorpsen die betrokken en/of verantwoordelijk zijn voor opsporingsberichtgeving, het Landelijk Platform Opsporingsberichtgeving (L.P.O.). In dit overleg komen actualiteit, ontwikkelingen en beleid aan de orde. Het L.O.O. organiseert dit overleg en voert de agenda. De leden van dit landelijk overleg nemen op verzoek deel aan werkgroepen om nieuw beleid te ontwikkelen. Beleidsbepaling en besluitvorming in concrete zaken vindt plaats via het L.O.O. en het R.O.O.
8.1 Afspraken
Opsporingsberichtgeving kan alleen worden
uitgezonden/gepubliceerd als er een overeenkomst (expliciete
afspraken) is gesloten tussen de mediapartner en de Staat der
Nederlanden. Dit geldt ook bij incidentele samenwerking.
Het opsporingsbericht / het programma moet duidelijk herkenbaar
zijn als een uiting door of namens het Openbaar Ministerie en de
Politie.
8.2 Verantwoordelijkheid
Bij het maken van opsporingsberichten en opsporingsprogramma's behoudt iedere partij haar eigen verantwoordelijkheid. De mediapartners hebben de ervaring en expertise op het gebied van het maken van aansprekende berichtgeving. Zij moeten daarin de nodige ruimte krijgen. Het OM blijft echter altijd verantwoordelijk voor de inhoud. De politieproducers zien er namens het OM op toe dat de inhoud van het bericht voldoet aan de eisen die deze aanwijzing daaraan stelt. Het OM en/of de politieproducer namens het OM kunnen de mediapartner dan ook instructies geven met betrekking tot de inhoud van het bericht.
8.3 Kosten
De kosten van de productie en uitzending of verspreiding van het opsporingsbericht zijn voor rekening van de mediapartner. Hiervan uitgezonderd zijn kosten die Politie en OM maken in het kader van de samenwerking, zoals inzet van personeel, materieel en vertalingen.
8.4 beeld- en geluidmateriaal
Het beeld- en geluidsmateriaal waarover de mediapartner voor het opsporingsbericht de beschikking krijgt, mag uitsluitend voor dat bericht worden gebruikt. Deze beperking wordt in de overeenkomst opgenomen. Door de mogelijkheden van de huidige techniek komt het in de praktijk voor dat deze beelden worden overgenomen en uitgezonden of gepubliceerd door derden, vooral in geruchtmakende zaken. Het OM kan niet voorkomen dat bedoelde beelden verder verspreid worden. De officier van justitie moet dit meewegen bij de beslissing om beeld- of geluidsmateriaal te gebruiken bij opsporingsberichtgeving.
8.5 Geheimhoudingsverklaring
De mediapartner of diens gemandateerde die gedurende het productieproces van het opsporingsbericht meer informatie krijgt of zou kunnen krijgen uit het onderzoek dan daadwerkelijk in het bericht wordt opgenomen, dient zich te allen tijde te verplichten tot geheimhouding.
8.6 Afzien van samenwerking
Het OM gaat geen samenwerking aan als enig zwaarwegend belang dwingt om daarvan af te zien. Hierbij gaat het om belangen in het kader van de opsporing en vervolging, veiligheid, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en ordeverstoringen.
9.1 Beloningen uitgeloofd door Justitie / Openbaar Ministerie
Als Justitie of het OM in een opsporingsonderzoek een beloning
uitlooft op grond van de Regeling Bijzondere Opsporingsgelden
[2] moet er ook een
opsporingsbericht worden uitgezonden. Zie hierover genoemde
regeling.
9.2 Beloningen uitgeloofd door derden
In de praktijk komt het ook voor dat een derde (particulier of private rechtspersonen.) in een opsporingsonderzoek een beloning uitlooft. In geval van opsporingsberichtgeving kan deze beloning worden genoemd.
Steeds vaker zijn strafbare feiten vastgelegd op beeld- en geluidsdragers. Veel opnamen zijn geschikt om te worden ingezet voor opsporingsberichtgeving, op voorwaarde dat daarbij voldaan wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Zie hierover ook § 4.4.
Bij het opvragen van beeld- en geluidsdragers voor opsporingsberichtgeving moet het OM houden met eventuele toepasselijkheid van de artikelen 126 nd Sv e.v., of - indien met toepassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens niet kan worden volstaan - bijvoorbeeld artikel 96a Sv.
Zie hierover verder het Handboek voor de Opsporingspraktijk, deel I, paragraaf 2.12.
Deze aanwijzing is geldig vanaf het moment van inwerkingtreding.
Bijlage 1 Aanmelden zaak voor landelijke Opsporingsberichtgeving
Een opsporingsinstantie wil opsporingsberichtgeving in een zaak:
Aanmelden voor regionale Opsporingsberichtgeving
Lijst dringend gezochte personen
- Het KLPD of de regiopolitie voegt de betreffende persoon toe aan de lijst;
Landelijke urgente opsporingsberichtgeving (het politiebericht)
Regionale urgente opsporingsberichtgeving (het politiebericht)
Een Politiebericht kan ook gelijktijdig in regionale en landelijke media worden uitgezonden/gepubliceerd.
[1] NSIS = Nationaal Schengen
Informatiesysteem; O.A.T. staat voor opsporen, aanhouden,
terugbrengen.
[2] Stcrt. 2006, 39.