29 oktober 2007 - Openbaar Ministerie
Het onderzoek van de Commissie evaluatie
afgesloten strafzaken (CEAS) naar de strafzaak tegen mevrouw
Lucia de B. is afgerond. De onderzoekscommissie heeft het
eindrapport eind vorige week aangeboden aan het College van
procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie. Het College
is van mening dat de commissie gedegen onderzoek heeft
verricht. Het College heeft het rapport afgelopen vrijdag
aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad overhandigd. Het
College heeft hem daarbij verzocht het rapport te beoordelen
en in de volle breedte te bezien of hij daarin aanleiding
ziet een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge
Raad.
De belangrijkste conclusie van de onderzoekscommissie is dat de zaak zich op één onderdeel leent om te worden voorgelegd aan de Hoge Raad via een zogenaamd herzieningsverzoek. Daarnaast geeft de commissie in overweging alsnog op een bepaald punt nader onderzoek te doen en dit eventueel bij het herzieningsverzoek te betrekken. Het rapport bevat geen oordeel of mevrouw De B. destijds terecht is veroordeeld. De rol van de rechter is immers om staatsrechtelijke redenen door de CEAS niet in haar onderzoek betrokken.
Opdracht onderzoekscommissie
De onderzoekscommissie onderzocht uitsluitend het handelen van de
politie en het Openbaar Ministerie tijdens het strafrechtelijke
onderzoek naar mevrouw de B. De commissie heeft haar onderzoek
gedaan aan de hand van zes vragen die zijn geformuleerd op basis
van het advies van de Toegangscommissie (TC) van de CEAS onder
voorzitterschap van prof. mr. Y. Buruma. Deze vragen zijn ook
voorgelegd aan mr. S. Franken, de advocaat van mevrouw De B. en
prof. dr. A.A. Derksen. Laatstgenoemde heeft het voorstel
ingediend voor het verrichten van onderzoek in de zaak tegen
mevrouw De B. bij de CEAS. De onderzoeksvragen staan vermeld in
het onderzoeksrapport.
Conclusies
De onderzoekscommissie adviseert het College een
herzieningsaanvraag bij de Hoge Raad te entameren. De commissie
is tot dit advies gekomen, nadat werd geconstateerd dat er tussen
tenminste twee deskundigen verschil van mening is ontstaan over
de vraag of - wetenschappelijk gezien - kan worden vastgesteld
dat een patiëntje aan een digoxinevergiftiging is overleden. De
relevante verschillen van wetenschappelijk inzicht over de
digoxinetests zijn volgens het onderzoekscommissie onvoldoende
betrokken bij het strafrechtelijke onderzoek tegen de verdachte.
De commissie spreekt geen oordeel uit over de vraag wat in
wetenschappelijk opzicht nu het juiste standpunt is. Tevens stelt
de commissie vast dat de politie en het OM niet kan worden
verweten dat zij op dit punt geen nader onderzoek hebben gedaan
naar mogelijk afwijkende standpunten binnen de wereld van de
toxicologen. De conclusie dat er sprake was van een
digoxinevergiftiging, was namelijk afkomstig van een deskundige
die benoemd is op voordracht van de verdediging. Ter zitting
heeft óók de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er
sprake was van een digoxinevergiftiging.
De onderzoekscommissie stelt voorts dat in
de eerste fase van het onderzoek de focus te snel was
gericht op de verdachte. In de tweede fase - na de aangifte
door het kinderziekenhuis - was de verdenking en de focus
van het opsporingsonderzoek op de afdeling waar mevrouw De
B. werkte, wél terecht. Toen dit onderzoek echter geen
direct bewijs (geen verklaringen van getuigen die haar
levensbedreigende handelingen hadden zien verrichten) tegen
mevrouw De B. opleverde, hebben politie en OM onvoldoende
oog gehad voor alternatieve scenario's. De commissie
adviseert het College daarom te bezien of alsnog nader
onderzoek kan worden verricht naar de sterfgevallen en
reanimaties op de betreffende afdeling van het
kinderziekenhuis in de periode vóórdat mevrouw De B. daar
werkte.
Het kan zijn dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad het noodzakelijk vindt eerst vervolgonderzoek door het OM te laten verrichten, voordat hij al dan niet beslist een herzieningsverzoek in te dienen. Het OM zal in dat geval uiteraard positief reageren op zo'n verzoek.
Voor alle zes de vragen en de volledige beantwoording daarvan, verwijzen wij verder naar onze website www.om.nl waar het rapport van de onderzoekscommissie integraal is opgenomen.
Voorgeschiedenis
Mevrouw Lucia de B.
werd op 13 juli 2006 door het Gerechtshof te Amsterdam
veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor (onder meer)
zeven moorden en drie pogingen tot moord op patiënten in Haagse
ziekenhuizen, waar zij toen werkzaam was. Naar aanleiding van het
strafproces tegen mevrouw De B. heeft prof. dr. A.A. Derksen,
zich tot de TC gewend met een verzoek om nader onderzoek in de
zaak tegen mevrouw De B. Vervolgens heeft de TC in oktober 2006
het College van procureurs-generaal geadviseerd dit verzoek te
honoreren. Het College heeft naar aanleiding van het advies van
de TC een onderzoekscommissie geformeerd die in januari 2007 met
haar werkzaamheden is gestart.
Deze onderzoekscommissie bestond uit mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal bij het ressortsparket in Arnhem (voorzitter), prof. mr. dr. M.S. Groenhuijsen, hoogleraar straf- en strafprocesrecht en victimologie aan de Universiteit van Tilburg en mr. P. Vogelzang, voormalig korpschef van de regiopolitie Utrecht.
Uit respect voor de nabestaanden dringen wij erop aan de initialen van de betrokken personen uit het onderzoek niet in uw publicaties op te nemen.