Aanwijzing opsporing en vervolging inzake kindermishandeling (2010A024)

Kruimelpad

Inhoud pagina: Aanwijzing opsporing en vervolging inzake kindermishandeling (2010A024)

Categorie
  • Nieuw: Trefwoord
Rechtskarakter

aanwijzing i.d.z.v. artikel 130, lid 4 Wet RO

Afzender
College van procureurs-generaal
Adressaat
Hoofden van de parketten
Registratienummer
2010A024
Datum vaststelling
11 oktober 2010
Datum inwerkingtreding
1 november 2010
Publicatie in Staatscourant
2010, nr. 16597
Vervallen
Aanwijzing opsporing en vervolging inzake kindermishandeling (vervallen) (2009A013)
Relevante beleidsregels
Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2010A026)
Aanwijzing huiselijk geweld en eergerelateerd geweld (2010A010)
Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (2010A018)
Aanwijzing slachtofferzorg (2010A029)
Wetsbepalingen

Zie Bijlage I

Jurisprudentie
-
Bijlagen
3

SAMENVATTING

De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake kindermishandeling geeft instructies voor de opsporing en vervolging van kindermishandeling, vrouwelijke genitale verminking daaronder begrepen. De instructies hebben betrekking op de gedragslijn in gevallen waarin kinderen zijn of worden mishandeld, verwaarloosd of geconfronteerd met geweld tegen henzelf en/of anderen in hun omgeving.

De aanwijzing begint met een definitie van kindermishandeling. De omschrijving is daarbij zeer ruim genomen.
Onder de definitie van kindermishandeling vallen niet alleen vormen van fysiek geweld tegen kinderen, maar ook overige vormen van actief of passief geweld zoals verwaarlozing.

Kindermishandeling heeft raakvlakken met onder meer huiselijk geweld en seksueel geweld met of tegen kinderen. Ook cultureel gerelateerde vormen van kindermishandeling, zoals genitale verminking, vallen onder het bereik van de aanwijzing. Daarom verwijst deze aanwijzing naar de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik en de Aanwijzing huiselijk geweld, of zijn delen uit deze aanwijzingen aangehaald. Ook wordt verwezen naar de Aanwijzing slachtofferzorg en de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten .

Ook komen in deze aanwijzing aan de orde de verschillende ketenpartners die een taak hebben in de bestrijding van kindermishandeling en de invoering van een verplichte meldcode [1] voor instanties die te maken hebben met kindermishandeling.
Ten slotte introduceert de aanwijzing een registratieplicht voor politie en OM waardoor inzicht wordt verkregen in de ernst, aard en omvang van kindermishandeling.

ACHTERGROND

Inleiding

Een veilig thuis is de basis voor een gezonde ontwikkeling van kinderen tot zelfstandige volwassenen.

Het grondrecht op bescherming tegen aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit geldt voor een ieder, dus ook voor kinderen. In dit grondrecht ligt het recht van kinderen besloten om te worden beschermd tegen mishandeling en verwaarlozing. Dit grondrecht is vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).Ook in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247 BW) is sinds 2007 een verbod op geweld in de opvoeding opgenomen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dit verbod beoogt een bijdrage te leveren aan de preventie van kindermishandeling.

Tot nu toe was er geen specifieke aanwijzing voor de opsporing en vervolging van gevallen van kindermishandeling voor handen. Geconstateerde gevallen worden afgedaan op grond van de artikelen 300-304 Wetboek van Strafrecht of de artikelen 242-249 Wetboek van Strafrecht en een aantal overige artikelen. Een overzicht daarvan is opgenomen in Bijlage I.

Ook vindt geen aparte registratie van kindermishandeling en aan kindermishandeling gerelateerde delicten plaats. Hierdoor ontbreekt het inzicht in aantallen en ernst van het aantal gevallen van kindermishandeling.

Met deze aanwijzing is voorzien in een eenduidig kader waarbinnen alle betrokken instanties op uniforme wijze kunnen optreden in de strijd tegen kindermishandeling. Daarnaast is het zaak ook een duidelijk kader te scheppen voor aan kindermishandeling gerelateerde onderwerpen, zoals bijvoorbeeld vrouwelijke genitale verminking.

Definities

Kindermishandeling is elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor (ernstige) schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.

Het gaat hierbij om de volgende vormen:

  • seksuele mishandeling;
  • fysieke mishandeling;
  • emotionele/psychische mishandeling en/of bedreiging met mishandeling;
  • fysieke verwaarlozing /benadeling van de gezondheid;
  • emotionele/psychische verwaarlozing;

Bijlage 1 geeft een overzicht van toepasbare strafbepalingen.

Wanneer sprake is van kinderen die getuige zijn (geweest) van partnergeweld, is de Aanwijzing huiselijk geweld van toepassing. Kinderen die getuige zijn van geweld tussen / tegen ouder(s) / verzorger(s), dan wel familiair geweld, worden behandeld als waren zij slachtoffer.

Kindermishandeling is een vorm van huiselijk geweld, als het in de huiselijke of relationele kring plaatsvindt. Anders dan bij huiselijk geweld hoeft er bij kindermishandeling geen sprake te zijn van een stelselmatig karakter. Er is al sprake van kindermishandeling als de gebeurtenis eenmalig is. Bij verwaarlozing is in vele gevallen echter wel sprake van een stelselmatig karakter.

Instanties en werkproces

Bij de aanpak van kindermishandeling zijn vele partijen betrokken. Naast de justitiële ketenpartners zijn er actoren die opereren op het gebied van zorg- en hulpverlening, evenals partners binnen de medische dan wel psycho-sociale sector.

De meest relevante actoren op het gebied van kindermishandeling zijn:

(de lijst is niet limitatief en niet uitputtend)

Politie en Justitie

  • Politie
  • Openbaar Ministerie
  • Reclassering
  • Raad voor de Kinderbescherming
  • Nederlands Forensisch Instituut
  • Forensische Polikliniek Kindermishandeling

Zorg en hulpverlening

  • Bureau Jeugdzorg / Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
  • Advies- en Steunpunten Huiselijk Geweld
  • GGD/GGZ
  • MEE-organisaties [2]

Medische sector

  • Ziekenhuizen (Spoedeisende hulp)
  • Huisartsen
  • Fysiotherapeuten
  • Verloskundigen
  • Tandheelkundigen
  • Consultatiebureaus
  • Kraamzorg

Psycho - sociale sector

  • Jeugdinstellingen
  • Scholen
  • Kinderdagverblijven
  • Peuterspeelzalen

Gevallen van kindermishandeling kunnen aan het licht komen door meldingen door partijen uit de zorg en hulpverlening, de medische en psycho-sociale sector, politie, alsook door burgers. In veel gevallen zal een melding (uiteindelijk) terecht komen bij een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.

Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en Raad voor de Kinderbescherming

Het AMK is de officiële instantie waar gevallen van kindermishandeling of vermoedens van kindermishandeling gemeld kunnen worden. Het AMK vindt zijn wettelijke basis in de Wet op de Jeugdzorg. In deze wet is hiervoor een meldrecht opgenomen (artikel 53 lid 3 Wet op de Jeugdzorg). Dit betekent dat de professional wettelijk het recht heeft een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin.

Het AMK kan over de situatie advies geven of, in geval van een melding, een onderzoek starten. De AMK’s kunnen, indien nodig, doorverwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming.

Het AMK, als onderdeel van Bureau Jeugdzorg, of de Raad voor de Kinderbescherming zal naast het bevorderen van hulpverlening, aangifte doen bij de politie als zij constateren dat sprake is van kindermishandeling. Zij maken daarbij gebruik van interne aangifterichtlijnen.

Het AMK neemt daartoe contact op met de contactfunctionaris van de politie voor overleg en afstemming inzake kindermishandeling. De contactfunctionaris van de politie neemt contact op met het Openbaar Ministerie waarna de officier van justitie beslist na overleg met de politie of een opsporingsonderzoek wordt ingesteld. De opsporingsactiviteiten worden afgestemd met de activiteiten van betrokken (andere) instanties en professionals.

Meldcode

Om meer gevallen van kindermishandeling (waaronder VGV) gemeld te krijgen en kindermishandeling effectief te kunnen bestrijden heeft het kabinet in september 2008 besloten om een verplichte meldcode te introduceren. Het bij of krachtens de wet verplicht stellen van een meldcode heeft een duidelijke meerwaarde voor de professional: het schept duidelijkheid voor de professional, zodat hij/zij een handelingsrepertoire kan opbouwen en hanteren om adequaat te kunnen handelen bij vermoedens van geweld. De verplichting geldt voor zowel instellingen als voor zelfstandigen. Voor de uitwerking hiervan wordt gekeken naar de verantwoordelijkheid van de instelling en van individuele professionals. Hierbij wordt rekening gehouden met de verschillen in de diverse genoemde sectoren.

Registratie

Het feit dat er op dit moment geen specifieke registratie van kindermishandeling plaatsvindt bij politie en OM, is een gemis. Het als zodanig registreren en ‘oormerken’ van kindermishandelingzaken is van belang voor het in voorkomende gevallen kunnen aantonen van de stelselmatigheid van het geweld. Ook dient het oormerken voor het verwijzen naar het van toepassing zijn van een overeengekomen aanpak kindermishandelingzaken.

Ten slotte is het van belang om op de korte en lange termijn inzicht te verkrijgen in de omvang van de aantallen zaken kindermishandeling en deze aantallen op de middellange termijn te kunnen monitoren.

De politie zorgt voor een eenduidige registratie van kindermishandelingzaken, en levert deze zaken/processen-verbaal geoormerkt, bijvoorbeeld voorzien van een herkenbaar stempel, aan bij het OM. Het OM registreert de zaken als kindermishandelingzaken in de automatiseringssystemen onder de nieuw aangemaakt maatschappelijke kwalificatie voor kindermishandeling.

Wanneer het OM in een kindermishandelingzaak een reclasseringsrapport aanvraagt, oormerkt het de aanvraag. Met het oormerken van huiselijk- geweldzaken wordt tevens gezorgd dat deze zaken ook voor de ressortparketten herkenbaar zijn. Het OM registreert ook in tweede aanleg dat het om een kindermishandelingzaak gaat.

Kwetsbare positie minderjarige slachtoffers

Bij kindermishandelingzaken zijn er altijd minderjarige slachtoffers. Gezien de kwetsbare positie van minderjarigen dienen politie en OM bij de opsporing en vervolging van deze zaken rekening te houden met de volgende verschillen ten opzichte van meerderjarige slachtoffers:

  • de verschillen in juridische uitgangssituatie (de positie bij het doen van aangifte versus aangifte doen namens het minderjarige slachtoffer); de minderjarige is bij het doen van aangifte afhankelijk van de degene, die met/namens hem of haar aangifte doet: de meerderjarige / de wettelijk vertegenwoordiger of een vertrouwenspersoon en de minderjarige kan minder goed de juridische en sociale gevolgen overzien van het doen van aangifte; politie en OM dienen daar rekening mee te houden;
  • de dubbele afhankelijkheidsrelatie van minderjarigen (wettelijk en sociaal) tegenover de vaak enkelvoudige afhankelijkheidsrelatie van meerderjarige slachtoffers (alleen sociaal); zie ook wat hierna (p. 5) wordt opgemerkt over het verhoor van het minderjarige slachtoffer (het verschoningsrecht).
  • de diagnostische (on)mogelijkheden bij medisch onderzoek naar letsel: het signaleren en herkennen van kindermishandeling is niet altijd eenvoudig. Daarom is het belangrijk goed onderzoek te doen en waar nodig de medische deskundigheid van een forensisch arts in te schakelen. [3]

PRE-OPSPORING

Een vermoeden van kindermishandeling kan naast ontdekking of betrapping op heterdaad op twee manieren bij de politie bekend worden, te weten door middel van een melding (telefonisch, anoniem e.d.) of door middel van een aangifte.

Een melding of aangifte van kindermishandeling kan de start vormen van een opsporingsonderzoek, mits de melding of de aangifte daartoe, gelet op de aard en inhoud daarvan, aanknopingspunten bevat. In de melding of aangifte als dader aangewezen personen kunnen echter pas formeel als verdachte worden aangemerkt als uit feiten en omstandigheden het vermoeden blijkt dat dezen zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten. In sommige (acute) gevallen zal de politie direct ter plaatse gaan. Elke melding van kindermishandeling die binnen komt bij de politie wordt vastgelegd en relevante informatie wordt geregistreerd in het systeem van de politie. Daarnaast wordt een melding aan het Bureau Jeugdzorg gedaan. De politie meldt de zaak aan het AMK voor verder onderzoek rondom het kind en de gezinssituatie.

Als de politie naar aanleiding van een (telefonische) melding ter plaatse gaat, moet met een aantal zaken rekening worden gehouden. In acute gevallen moeten er stappen worden ondernomen in het kader van de opvang en hulpverlening en mogelijk het veiligstellen van de plaats delict en sporen. In een later stadium moeten er stappen worden genomen in de aanloop naar de aangifte, de bewijsvergaring en het horen van het / de slachtoffer(s).

Opvang / hulpverlening

In eerste instantie is het van belang om ervoor te zorgen dat de verblijfplaats van het kind veilig is.

Als beide ouders aangehouden worden, neemt de politie, alvorens over te gaan tot aanhouding, contact op met Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming over de opvang van de kinderen. In ernstige gevallen van mishandeling met zichtbaar letsel en structureel geweld zal per direct professionele hulpverlening worden aangevraagd voor het / de kind (eren). Wanneer dat nodig is, kan medische hulp (arts/ambulance) worden aangevraagd.

Bij dreigend gevaar voor herhaling is het van belang om Bureau Jeugdzorg in te schakelen, dat kan beoordelen of bij de Raad voor de Kinderbescherming een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) moet worden bevorderd. Voor directe hulpverlening kan het crisisinterventieteam van Bureau Jeugdzorg worden benaderd.

Het opnemen van de aangifte

Bij (een vermoeden van) een geval van kindermishandeling is het uitgangspunt dat de politie een aangifte opneemt. De politie zal dan ook zo veel mogelijk bevorderen dat aangifte wordt gedaan.
In voorkomende gevallen kan de politie, als er voldoende ernstige feiten en omstandigheden bekend zijn, ook ambtshalve een zaak starten.

Wie kan aangifte doen van kindermishandeling?

Bij (een vermoeden van) kindermishandeling geldt als uitgangspunt dat de politie een verklaring opneemt van een (of meer) getuige(n). Behalve een ouder/voogd kunnen dit ook vertrouwenspersonen (leerkrachten, hulpverleners) zijn die aangifte doen.

In sommige gevallen van kindermishandeling kan er sprake van zijn dat beide ouders/verzorgers als verdachte worden aangemerkt. Wellicht doen ouder(s)/verzorger(s) aangifte tegen elkaar. Vooruitlopend op de aangifte moet de politie met een aantal zaken rekening houden. Zie daarvoor de checklist in bijlage 2.

OPSPORING

OPSPORING [4]

In deze aanwijzing wordt de opsporing onderscheiden in:

A. acute situaties die onverwijld optreden noodzakelijk maken (zoals heterdaad situaties) en
B. buiten heterdaad situaties waarbij organisaties en/of derden melding dan wel aangifte doen of de politie ambtshalve een proces verbaal opmaakt.

Opsporing bij heterdaadsituatie

De opsporing concentreert zich rond een vijftal acties, te weten

1. de aanhouding
2. zorg voor de veiligheid van het / de slachtoffer(s)
3. het veiligstellen van plaats delict en sporen en in een later stadium
4. bewijsvergaring en
5. het horen van het / de slachtoffer(s).

Aanhouding

In geval van ontdekking op heterdaad, houdt de politie de verdachte aan en stelt zij hem, als daartoe aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, in verzekering.

Zorg voorde veiligheid van het /de slachtoffer(s)

Hier wordt verwezen naar het onderdeel Opvang / hulpverlening onder ‘Pre-opsporing’.

Veiligstellen van ‘plaats delict’ en sporen

De politie merkt (de omgeving van) het huis aan als ‘plaats delict’ (art. 124 Sv) en relateert de aangetroffen feitelijke situatie in een proces-verbaal. De situatie zoals deze ter plaatse wordt aangetroffen wordt bij voorkeur vastgelegd op fotomateriaal.
Ook moeten de aard en omvang van het (lichamelijk) letsel worden vastgelegd op fotomateriaal. Een forensisch (kinder)arts kan worden ingeschakeld om het/de slachtoffer(s) (ter plaatse) te onderzoeken en later een letselbeschrijving of medische verklaring op te stellen.

Bewijsvergaring

In een later stadium wordt het bewijs dat verkregen is op de ‘plaats delict’ aangevuld met overig bewijsmateriaal. Het kan daarbij gaan om technisch bewijsmateriaal,zoals het opvragen van foto’s uit het ziekenhuis, het opvragen van een medische verklaring en een beoordeling van het fotomateriaal door een kinderradioloog. Daarnaast bevordert de politie dat aangifte wordt gedaan. Ook moet de politie tactisch bewijsmateriaal verkrijgen in de vorm van getuigenverklaringen, het horen van verdachten en het horen van een ieder die bewijs kan aanleveren. (bijvoorbeeld familie,buren, scholen, consultatiebureau).

Verhoor van het slachtoffer

Het minderjarige slachtoffer dient conform de Aanwijzing Auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten in een studio te worden gehoord. Als de ouder (s) of verzorger (s) geen toestemming geven, moet via de Raad van de Kinderbescherming een (voorlopige) ondertoezichtstelling (VOTS) worden aangevraagd, zodat de gezinsvoogd via de kinderrechter vervangende toestemming kan vragen.

Het is wenselijk dat de verhorend politieambtenaar het minderjarig slachtoffer erop wijst dat zijn getuigenis tegenover de politie plaatsvindt op basis van vrijwilligheid. Een kind kan immers later eventueel in psychische nood komen te verkeren als het belastend over zijn ouder(s) heeft verklaard. Dit speelt met name in zaken waarin er nog een basis is voor herstel van de ontstane situatie. Een gedragsdeskundige zou hierover kunnen adviseren en de politie zou over dit advies in overleg moeten treden met de officier van justitie.

Opsporing buiten heterdaad

Als geen sprake is van een heterdaadsituatie, wordt de verdachte zo spoedig mogelijk met een bevel van de officier van justitie aangehouden. Als voor het strafbare feit echter geen voorlopige hechtenis is toelaten, wordt de verdachte ontboden op het politiebureau.

De politie neemt contact op met de weekpiketdienst van het Openbaar Ministerie om een eventuele aanhouding te bespreken. Van belang hierbij is dat van te voren een inschatting wordt gemaakt of aanhouding van de verdachte, evenals het horen van verdachte op het moment van contact met de weekpiketdienst tactisch gezien verstandig is. Aanbevolen wordt eerst zo veel mogelijk bewijs ‘om de verdachte heen’ te verzamelen, alvorens de verdachte met de feiten te confronteren.

Zowel bij aanhouding buiten heterdaad als bij een heterdaad situatie geldt dat de politie samen met de netwerkpartners zorg draagt voor de veiligheid van de overige gezinsleden en hulp of opvang voor het / de achtergebleven kind(eren) / slachtoffer(s).

VERVOLGING

Als voldoende bewijs voorhanden is, geldt als uitgangspunt dat de verdachte wordt vervolgd. Bij wijze van uitzondering wordt uitsluitend onder voorwaarden geseponeerd.

De mogelijkheid van een voorwaardelijk beleidssepot bestaat in zaken van relatief geringe ernst, waarbij op grond van het adviesrapport van de reclassering de bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd van toezicht door de reclassering en in het kader van dit toezicht deelname aan een vorm van daderhulpverlening (zie het Overzicht bijzondere voorwaarden). Een voorwaardelijk beleidssepot met bijzondere voorwaarde verdient dan de voorkeur. In beginsel wordt de sepotcode ‘gewijzigde omstandigheden’ toegepast.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat steeds een juiste inschatting moet worden gemaakt van de ernst van het feit, geplaatst in de context waarin het feit wordt gepleegd, voordat tot vervolging wordt besloten.

Voorlichtingsrapport reclassering

De reclassering stelt op aanvraag van het OM in beginsel een voorlichtingsrapport op in het kader van de afhandeling van de strafzaak. Daarin wordt op basis van een diagnose een inschatting gemaakt van het recidiverisico, de mogelijkheden voor daderhulpverlening en de noodzaak van bijzondere voorwaarden. Standaard wordt in elk voorlichtingsrapport opgenomen wat de stand van zaken van de behandeling tot nog toe is. Op basis van de diagnose wordt een gericht strafadvies afgegeven, waarbij wordt ingegaan op de mogelijk te stellen bijzondere voorwaarden. De officier van justitie of de advocaat-generaal ziet erop toe dat ter zitting een actuele rapportage overgelegd kan worden. In hoger beroep en/of na langdurige aanhouding van de zaak kan door voorgenoemde personen of door cliënt/verdachte een aanvullende rapportage worden aangevraagd.

NIFP-rapportage /BOOG

De zaak dient door de behandelend parketsecretaris of officier van justitie (via het systeem BOOG, wat staat voor beslissingsondersteuning onderzoek geestvermogens) gescreend te worden op de noodzaak voor het aanvragen van psychiatrisch of psychologisch onderzoek (NIPF-rapportage) van de verdachte(n).

Voorlopige hechtenis

De politie meldt de inverzekeringstelling onmiddellijk bij de reclassering. Deze zal ingeschakeld worden in een zo vroeg mogelijk stadium om bij een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis met voorwaarden, daderhulpverlening op te kunnen starten.
Tevens is het van belang om in ernstige gevallen, in het geval van schorsing van de voorlopige hechtenis, als voorwaarde te vorderen dat de verdachte niet in het gezin terug komt, tijdelijk elders moet verblijven en uitsluitend in aanwezigheid van de andere ouder of iemand van Jeugdzorg het kind mag zien.

Huisverbod

De Wet tijdelijk huisverbod voorziet in een maatregel van een huisverbod aan een persoon, van wie de dreiging van huiselijk geweld (waaronder ook kindermishandeling) uitgaat. Dit is een bevoegdheid van de burgemeester die deze bevoegdheid in veel gevallen zal hebben gemandateerd aan een hulpofficier van justitie. Een huisverbod houdt in dat deze persoon voor een periode van in beginsel tien dagen de woning niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met personen met wie hij een huishouden deelt, zoals zijn echtgeno(o)t(e), partner of kinderen. Ook bij het opleggen van een huisverbod moet uiteraard zorgvuldig worden afgewogen op welke wijze het belang van het kind het beste wordt gediend en op welke wijze de veiligheid van het kind het beste wordt gewaarborgd. In situaties waarin het opleggen van een huisverbod aan de orde is, is er geen tijd om uitgebreid overleg te voeren met het Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming. De burgemeester of, namens hem, de hulpofficier van justitie, zal zelfstandig besluiten tot het opleggen van een huisverbod op basis van de informatie die hij ontvangt. Wel stelt hij het AMK hiervan op de hoogte.

Het overtreden van het huisverbod is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Wet tijdelijk Huisverbod en is een misdrijf dat wordt bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vierde categorie. Het overtreden van het huisverbod is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten..

Een huisverbod kan in beginsel niet worden opgelegd als de kinderen of het kind alleen in de woning achterblijven. Als dit het geval zou zijn, zou gelijktijdig in het gezag moeten worden voorzien. Dit ligt niet voor de hand, mede omdat de maatregel een beperkte duur heeft. In een dergelijke situatie is een Kinderbeschermingsmaatregel eerder aangewezen.

Voor verdere uitleg over het huisverbod en de uitgangspunten bij een samenloop van het huisverbod met een strafrechtelijk traject wordt verwezen naar de Aanwijzing huiselijk geweld.

Verjaring

Voor kindermishandeling, zijnde geen seksuele kindermishandeling, geldt de normale verjaringstermijn die geldt voor de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht die worden toegepast op kindermishandeling (onder verwijzing naar bijlage 1).

Strafverzwarende omstandigheden

Per 1 juli 2009 is het gewijzigde artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2009, 45). Artikel 304 gaf alleen de mogelijkheid een strafverzwaring te eisen / op te leggen bij een eigen kind. Gezien de huidige samenlevingsvormen, was een verbreding van dit wetsartikel gewenst. In artikel 304 lid 1 is ‘zijn levensgezel of zijn kind’ vervangen door: ‘zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’. Deze uitbreiding sluit aan bij de maatschappelijke ontwikkelingen en onderstreept dat mishandeling van een kind in huiselijk verband extra strafwaardig is, ook wanneer de schuldige niet in een familierechtelijke betrekking tot het kind staat.

VROUWELIJKE GENITALE VERMINKING

Vrouwelijke genitale verminking (VGV), ook wel vrouwen- of meisjesbesnijdenis genoemd, is een aparte vorm van kindermishandeling, waarvoor specifiek aandacht gevraagd moet worden. Daarom besteedt deze aanwijzing ook aandacht aan deze vorm van kindermishandeling. De laatste jaren is de discussie over dit onderwerp flink aangewakkerd en is het besef ontstaan dat het noodzakelijk is dergelijke verminkingen, die zowel op vroege als latere leeftijd een ernstige inbreuk maken op het functioneren van het kind, een halt toe te roepen.

Het Openbaar Ministerie heeft met dergelijke zaken geen ervaring opgebouwd in het verleden.

Het Openbaar Ministerie is van mening dat de inspanningen bij de aanpak van meisjesbesnijdenis vooral gericht moeten zijn op het voorkomen van meisjesbesnijdenis en dat dit het beste kan gebeuren door voorlichting en deskundigheidsbevordering te intensiveren.

Meisjesbesnijdenis wordt echter beschouwd als een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van zeer kwetsbare personen. Als zich zo’n geval heeft voorgedaan, zal (zullen) de dader(s) mede uit oogpunt van generale preventie zo mogelijk ook strafrechtelijk moeten worden vervolgd.

Het bewijs zal echter moeilijk te leveren zijn, omdat in veel gevallen het feit in het buitenland gepleegd is. Daarnaast kunnen ouders zich in sommige gevallen beroepen op het feit dat de besnijdenis gepleegd is zonder hun toestemming en buiten hun invloedssfeer (bijvoorbeeld door familie) en zal de mogelijkheid tot het instellen van een strafvervolging daarop stranden (zaak zal dan in de regel niet aan de rechter worden voorgelegd) Weliswaar is nader onderzoek in den vreemde niet uitgesloten, maar daarvan zal in het algemeen worden afgezien.

Een vermoeden van (aanstaande / geplande) VGV dient derhalve serieus te worden onderzocht. De opsporing dient de aanwijzingen in deze Aanwijzing met betrekking tot de preopsporing en de opsporing te volgen.

Bij een vermoeden van een geplande VGV, dienen mogelijkheden van tijdelijke ondertoezichtstelling (OTS) te worden overwogen, om ouders onder druk te zetten de reis af te zeggen of ‘vrijwillige’ controle voorafgaand en na afloop van de reis af te dwingen.

Met betrekking tot de vervolging zijn de artikelen 5 en 5a Sr van belang, waarin de rechtsmacht terzake van meisjesbesnijdenis gepleegd in het buitenland door Nederlanders, dan wel in Nederland woonachtige vreemdelingen, is geregeld.

In het aangepaste lid 3 van artikel 71 Sr (inwerkingtreding per 1 juli 2009, Stb. 2009, 245) is bepaald dat de verjaringstermijn voor VGV-zaken pas begint te lopen op de dag dat het slachtoffer achttien jaar is geworden, zoals ook reeds eerder voor slachtoffers van zedenmisdrijven was bepaald. Hiermee is tegemoet gekomen aan het feit dat ook voor VGV vaak pas op latere leeftijd aangifte wordt gedaan; door deze bepaling wordt nu ook de verjaringstermijn voor VGV-delicten gestuit.

In deze Aanwijzing wordt steeds gesproken over VGV. De Aanwijzing sluit echter niet uit dat in voorkomende gevallen waarin er sprake is van ernstige genitale verminking bij jongens, die zowel op vroege als latere leeftijd een ernstige inbreuk maakt op het functioneren van het betreffende kind, er conform de aanwijzingen voor de opsporing en vervolging van kindermishandeling dient te worden gehandeld. Dit zal van geval tot geval beoordeeld dienen te worden.

SANCTIES OP MAAT

Maatwerk in het opleggen van sancties is in kindermishandelingszaken van groot belang. In daarvoor geëigende gevallen ligt naast strafoplegging een behandeling en dus oplegging van bijzondere voorwaarden voor de hand. . Als er, ondanks alles, toch nog een basis is voor herstel van de (familiaire) verhoudingen, zou dat moeten worden gestimuleerd door voorwaardelijke straffen te vorderen met bijzonder voorwaarden (zie bijlage 3).

EXECUTIE

Toezicht door reclassering

Als bij een uitspraak een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden is opgelegd, oefent de reclassering toezicht uit op de naleving daarvan. Daarnaast kan de reclassering aanwijzingen geven ten behoeve van het gedrag die de re-integratie en de beperking van de recidive ten goede komen. Bij overtreding van de voorwaarden en/of na afloop van de gestelde termijn van toezicht, rapporteert de reclassering schriftelijk aan het OM.

Reactie op niet-naleving bijzondere voorwaarde(n)

Als blijkt dat de verdachte niet heeft voldaan aan de bijzondere voorwaarde(n), wordt de zaak alsnog vervolgd (bij voorwaardelijk sepot) of wordt tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Executie-indicator

De executie-indicator moet in gevallen van kindermishandeling juist gehanteerd / geplaatst worden in het belang van de bescherming van minderjarige kinderen en hun ouder(s) / voogd(en) tegen onverwachte terugkeer (in het gezin) van de verdachte.

INFORMATIEVERSTREKKING

Het slachtoffer wordt conform de Aanwijzing Slachtofferzorg op de hoogte gesteld van het verloop van de procedure.
Slachtofferzorg door politie en Openbaar Ministerie komt in wezen hierop neer dat deze instanties bij hun werkzaamheden in een (straf)zaak altijd de belangen van het slachtoffer van een strafbaar feit meewegen voor zover dit redelijk is. De politie en het Openbaar Ministerie moeten ook het slachtoffer op de hoogte houden van de voortgang van de zaak.

Bij kindermishandeling gaat het om minderjarige slachtoffers. De informatieverstrekking zal dan rechtstreeks aan of via de ouder(s) van het minderjarige kind plaatsvinden. Een probleem doet zich voor als die ouder tevens verdachte is. Wellicht woont het minderjarige slachtoffer op het adres van de verdachte en/of de partner van de verdachte. De informatieverstrekking in het kader van de slachtofferzorg vindt dan steeds plaats aan het adres van de verdachte en/of zijn partner.
Datzelfde probleem speelt bij slachtoffergesprekken. Het lijkt niet wenselijk de ouder van het minderjarige kind uit te nodigen, als deze ook als verdachte wordt aangemerkt.
In die gevallen verdient het de voorkeur de gezinsvoogd uit te nodigen voor een slachtoffergesprek, als deze is aangesteld.

OVERGANGSRECHT

De in deze aanwijzing vervatte beleidsregels hebben onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.


Bijlage 1 Overzicht toepasbare strafbepalingen bij kindermishandeling

Dit overzicht is niet limitatief.

Delicten uit het Wetboek van Strafrecht waarbij voorlopige hechtenis mogelijk is:

art. 300: ingeval van recidive: mishandeling (inclusief verzwarende omstandigheden ex art. 304)

art. 300 lid 2: mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

art. 300 lid 4: benadeling van de gezondheid

art. 302 (jo 45): (poging tot) zware mishandeling

art. 303: zware mishandeling met voorbedachten rade

art. 304: betrekking hebbend op art. 300 t/m 303 indien begaan tegen vader, moeder, echtgeno(o)t(e), levensgezel of kind, ambtenaar of door toediening van voor de gezondheid schadelijke stoffen

art 307 dood door schuld

art 308 zware mishandeling door schuld

art. 242 (jo 45): (poging tot) verkrachting

art. 243: gemeenschap met een bewusteloze of onmachtige

art. 244: seksueel binnendringen van iemand beneden twaalf jaar

art. 245: Seksueel binnendringen bij iemand beneden zestien jaar

art. 246: feitelijke aanranding der eerbaarheid

art. 247: Ontucht met kind

art. 249: Ontucht met misbruik van gezag /vertrouwen

art. 257: iemand tot wiens onderhoud verdachte verplicht is in hulpeloze toestand brengen of laten, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

art. 282: wederrechtelijke vrijheidsberoving, al dan niet zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend

art. 285: bedreiging

art. 285b: belaging (klachtdelict)

art 287: moord

art 289: doodslag

Delicten uit het Wetboek van Strafrecht waarbij geen voorlopige hechtenis mogelijk is:

art. 255: iemand tot wiens onderhoud verdachte is verplicht in hulpeloze toestand brengen of laten

art. 284: dwang.

Bijlage 2 Checklist vooronderzoek met betrekking tot de aangifte

  • wat is er aan feiten rondom het kind
  • wie gaat er aangifte doen?
  • wanneer wordt er aangifte gedaan?
  • waar wordt er aangifte gedaan?
  • zijn alle getuigen gehoord?
  • wie zijn getuigen?
  • is er al overleg geweest met het Openbaar Ministerie voor strafvervolging?
  • welke hulpverlening is er al dan niet bij betrokken?
  • wie heeft de voogdij over het kind?
  • wie heeft het gezag over het kind?
  • is er een VOTS dan wel OTS?
  • zijn ouders (s) verzorger(s) bekend bij politie?
  • hebben ouder(s) verzorger(s) antecedenten?
  • is er sprake van alcohol en/of druggebruik bij ouder(s)verzorger(s)?
  • is er sprake van financiële problematiek?
  • hebben ouder(s) verzorger(s) bezwaar tegen opvragen van medische gegevens van het kind?

Bijlage 3 Overzicht bijzondere voorwaarden

Herstellende voorwaarden

1

Vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade

 

Verplichting om de schade die de veroordeelde door zijn delict heeft aangericht te vergoeden.

2

Herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade.

 

Verplichting om de onrechtmatige toestand die een veroordeelde door zijn delict heeft veroorzaakt weer terug te brengen in de staat voorafgaand aan het strafbare feit

3

Storting van een geldbedrag in bepaalde fondsen die zich ten doel stellen belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen

 

Verplichting om een ‘vergoeding’ te betalen in die gevallen dat slachtoffers, bijvoorbeeld van zedenmisdrijven, geen behoefte hebben aan schadevergoeding.

 

Gedragsbeïnvloedende voorwaarden

4

Contactverbod

 

Het verbod om contact te (laten) leggen met bepaalde personen of instellingen.

5

Locatieverbod

 

Het tijdelijke verbod om zich, op bepaalde tijden, op één of meer locaties of gebieden te bevinden.

6

Locatiegebod

 

Het tijdelijke gebod om zich, op bepaalde tijden, op één of meerdere locaties te bevinden.

7

Drugs- en alcoholverbod

 

Het verbod om drugs of alcohol te gebruiken.

8

Meldingsgebod

 

Het gebod om zich op bepaalde tijden of gedurende bepaalde perioden te melden bij een persoon of instelling.

9

Gedragsinterventies

 

Inzet van gedragsinterventies die de dynamische risicofactoren van de veroordeelde aanpakken.

Op zorg gerichte voorwaarden

10

Behandeling in een inrichting

 

De verplichting om zich voor een bepaalde stoornis te laten behandelen in een inrichting.

11

Ambulante behandeling

 

De verplichting om zich voor een bepaalde stoornis ambulant te laten behandelen.

12

Opname in een (24-uurs)voorziening (bijvoorbeeld een Exodushuis)

 

De verplichting om te verblijven in een (24-uurs)voorziening.

Overige

13

Andere voorwaarden het gedrag van de veroordeelde betreffende

 

De verplichting om zich aan de aanwijzingen van de begeleidende instelling te houden; alleen op te leggen als in het bepaalde geval de andere bijzondere voorwaarden niet afdoende zijn.

14

Storting van een waarborgsom

 

De verplichting een bedrag te storten om naleving van een andere voorwaarde te verzekeren.

 


[1] Dit volgt uit de Wet Meldcode Huiselijk Geweld, die 1 januari 2011 inwerking treedt.
[2] MEE-organisaties = vereniging voor ondersteuning bij leven met een beperking; zie www.meenederland.nl.
[3] Zie ook de Wet deskundige in strafzaken.
[4]In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik staan in het onderdeel Vervolging uitgebreide voorschriften. Indien van toepassing, moeten deze voorschriften ook gevolgd worden in kindermishandelingzaken.
[5] NIFP staat voor Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie.

Naar boven

Zoeken