Op 1 januari 2000 telde Nederland bijna 5 miljoen mensen
jonger dan 25 jaar. Zij vormen samen 30 procent van de bevolking
van Nederland. Met de jongeren gaat het in het algemeen goed. Van
de jeugd tot 25 jaar is het aandeel allochtonen ongeveer 20
procent. In de grote steden is dat zelfs meer dan 40 procent. De
eerste verantwoordelijkheid voor een gezonde en goede
ontwikkeling van kinderen ligt bij de ouders. Dreigt het mis te
lopen, dan zijn er echter vele andere personen en instanties die
een rol kunnen spelen in de opvoeding en in de ondersteuning van
zowel de jongere als de rest
van het gezin.
Het actieprogramma Jeugd Terecht is erop gericht om problemen van
jongeren en ouders in een zo vroeg mogelijk stadium te signaleren
en te beoordelen. Uitval (bijvoorbeeld: spijbelen) en ontsporing
(het plegen van strafbare feiten) moeten zo snel mogelijk worden
aangepakt. Het liefst natuurlijk nog voordat de jongere in
aanraking komt met de politie
en het Openbaar Ministerie.
Als er hulp nodig is, dan moet die snel en gericht worden
geleverd. Die extra zorg kan bestaan uit verwijzing of
overplaatsing naar een schooltype waar de jongere beter op zijn
plaats is, waardoor het spijbelen ophoudt. Het kan ook zijn dat
er hulp moet komen bij het zoeken naar een baan of het
inschakelen van een gezinscoach of andere hulp.
Het kabinet heeft gekozen voor een aanpak waarbij alle
hulpverleningsinstanties en de politie, het Openbaar Ministerie,
de rechters, de bureaus Jeugdzorg en Halt en de Raad voor de
Kinderbescherming nauw samenwerken. Dat samenwerken
gebeurt nu nog niet genoeg. Er zijn teveel jongeren die er
doorheen glippen.
Het Openbaar Ministerie speelt daarin een belangrijke rol.
Eigenlijk komt het OM pas om de hoek als een jongere een
strafbaar feit heeft gepleegd. Een officier van justitie moet dan
bepalen wat er met de jongere gebeurt. Het is voor de toekomst
van een jongere echter belangrijk dat hij of zij geen strafbare
feiten pleeg en geen strafblad krijgt. Daarom moeten zij, als het
fout dreigt te gaan, worden gecorrigeerd.
En gaat het toch fout, dan moet de reactie snel en doeltreffend
zijn. Bij jongeren die voor het eerst in de fout gaan (dat worden
first-offenders genoemd) moet gekeken worden waarom dat is
gebeurd. Er kan in het gezin meer aan de hand zijn. Bij jongeren
die al iets vaker in aanraking zijn gekomen met politie en OM
moet gekeken worden hoe ze op het rechte pad te helpen zijn. Via
een opleiding, een baan of wat dan ook. Alle betrokkenen gaan dan
bij elkaar zitten (dan wordt casusoverleg genoemd) om te
bespreken wat er moet gebeuren om te zorgen dat de jongeren zijn
'criminele carrière' niet voortzet.
De zogenaamde veelplegers en harde-kernjongeren vragen een
strengere aanpak. Zij moeten de consequenties voelen en van
straat worden gehaald. Als de rechter ze celstraf oplegt, dan
moet er echter veel aandacht zijn voor heropvoeding en
resocialisatie.
De boodschap is dus: bij elke jongere die 'in beeld' komt moet
een aparte aanpak worden bedacht.
Wie werken er samen in Jeugd Terecht?
Het programma Jeugd Terecht is een samenwerkingsverband van de
provincies, de gemeenten,d e politie, het Bureau jeugdzorg, Halt,
het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming, de
zittende magistratuur, Justitiële Jeugdinrichtingen en de
ministeries van VWS, BZK, OC&W en SZW.
Jeugd Terecht is een onderdeel van het kabinetsbrede programma
'Naar een veiliger samenleving'.
Vragen over Jeugd Terecht kunnen worden gesteld via
jeugdterecht@minjus.nl