11 augustus 2004 - Openbaar Ministerie
De rechtbank Utrecht heeft vandaag de huisarts vrijgesproken die
werd vervolgd in verband met het overlijden in maart 2002 van een
twee weken oud meisje. De huisarts constateerde in de nacht van 6
op 7 maart 2002 dat het meisje, dat door haar ouders gebracht
was, ernstig ziek was en zo snel mogelijk door een kinderarts
moest worden onderzocht. Zij kon daarvoor terecht bij het UMC. De
huisarts veronderstelde dat de ouders binnen 15 minuten bij het
UMC konden zijn en wees hen de weg daar naar toe. De ouders
verdwaalden echter op het Universiteitsterrein en toen zij om
3.10 uur bij het UMC kwamen, bleek het kind te zijn
overleden.
Primair werd ten laste gelegd het als behandelend arts
opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten van het kind,
terwijl dit de dood ten gevolge heeft gehad. Volgens de rechtbank
is er echter geen sprake van geweest dat de arts iets anders op
het oog had dan de behandeling en het herstel van het kind en er
was op geen enkele manier sprake van opzet om het kind in een
hulpeloze situatie te brengen of te laten.
Subsidiair werd dood door schuld ten laste gelegd.
De rechtbank komt tot het oordeel dat niet is gebleken dat de
verdachte anders gehandeld heeft dan van huisartsen in een
dergelijke situatie kan worden verwacht en dat onvoldoende
gebleken is dat verdachte tot een andere inschatting had moeten
komen dan de inschatting dat er geen sprake was van een direct
levensbedreigende situatie. Dat betekent dat haar van die
inschatting, die naar later is gebleken niet juist was, geen
strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat ook de
consequenties daarbvan voor wat betreft het vervoer van het kind
en de overdracht aan het UMC niet leiden tot de conclusie dat de
dood van het meisje, aan haar schuld te wijten is.
Bron: rechtspraak.nl