De collegevergadering is meestal gewijd aan tamelijk abstracte
onderwerpen, zoals richtlijnen, financiële kwesties en
sturingsmodellen. Ons werk wordt echter buitengewoon concreet
wanneer wij moeten beslissen over de vervolging van medici die
onzorgvuldig hebben gehandeld bij een levensbeëindiging op
verzoek. In die dossiers draait het om pijn, menselijk lijden,
ontluistering en de zonder uitzondering moeilijke beslissingen
waar artsen voor gesteld worden. Een belangrijk element van de
huidige euthanasiewetgeving is dat het levensbeëindigend handelen
van artsen transparant en dus toetsbaar wordt gemaakt Gelet op
die behoefte aan toetsing, wil ik twee kanttekeningen plaatsen
bij de wijze waarop de regeling op het moment functioneert.
De wet biedt een toetsingskader voor het levensbeëindigend
handelen van artsen. De regionale toetsingscommissies beoordelen
aan de hand van dat kader of sprake is geweest van zorgvuldig
handelen door de arts. Daarbij staat voorop dat de patiënt een
vrijwillig en weloverwogen verzoek moet hebben gedaan en dat
sprake moet zijn geweest van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.
Wanneer de commissie van oordeel is dat de arts niet zorgvuldig
heeft gehandeld, wordt de zaak bij het OM aangemeld. Het College
moet dan beslissen of een vervolging geïndiceerd is. Bij die
beoordeling doet zich een probleem voor. Als er vervolgd wordt,
dan kan dat voor moord of euthanasie (art. 293 Sr.). De Wet
toetsing levensbeëindiging op verzoek bevat echter ook een aantal
meer formele eisen aan het handelen van de arts. Zo moet deze een
andere arts hebben geconsulteerd en de levensbeëindiging moet
'medisch zorgvuldig' zijn uitgevoerd'. Wat nu als de arts zich
niet aan één van deze eisen heeft gehouden, maar wel aan alle
andere? Hij heeft bijvoorbeeld iemand geconsulteerd die
psycholoog is, maar geen arts of hij heeft een arts uit zijn
eigen maatschap geconsulteerd, waarbij het de vraag is of zo
iemand wel 'onafhankelijk arts' is zoals de wet voorschrijft. Ook
kan het zijn dat de arts verder aan alle eisen voldaan heeft,
maar niet bij de patiënt is gebleven nadat hij het euthanaticum
had toegediend. Formeel is in dergelijke situaties niet
zorgvuldig gehandeld, maar de gemaakte fout is niet van dien aard
dat het OM zou kunnen vervolgen. Dit is geen moord. Ook al is dan
niet lege artis gehandeld, er heeft zich wel een noodtoestand
voorgedaan.
Dat betekent dat het OM een instrument ontbeert om adequaat op
dergelijke niet-majeure schendingen van de zorgvuldigheidseisen
te reageren. Dat gemis zou op te vangen zijn via het spoor van de
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het lijkt er echter op dat
daar de capaciteit ontbreekt om steeds te reageren wanneer de
onzorgvuldigheid van de arts niet raakte aan de kern van de
gemaakte afweging. Als we willen dat ook in die gevallen de
zorgvuldigheidsnorm wordt gehandhaafd - en de wettelijke
formulering van de toetsingscriteria wijst in die richting - zal
voor deze lacune een oplossing gevonden moeten worden.
Een tweede lacune betreft de terminale sedatie. Het kan vanuit
medisch oogpunt verantwoord te zijn om iemand die ondraaglijke
pijn lijdt zo te verdoven dat hij of zij in coma raakt. Evenzeer
kan het onder omstandigheden te billijken zijn dat de toediening
van voedsel en vocht aan iemand die in coma ligt wordt gestaakt.
Voor artsen betreft het hier twee verschillende afwegingen.
Juridisch ligt dat anders. De arts die iemand in coma bracht en
vervolgens de toediening van voedsel en vocht afbrak, had
misschien niet de intentie dat die persoon uiteindelijk zou
overlijden, maar strafrechtelijk is hier wel degelijk een
relevante samenhang. Als de dood van de patiënt een zeer
waarschijnlijk gevolg van de door de arts gepleegde handelingen
is, kan daarmee het opzet bewezen worden. Niet is vereist dat de
arts de dood ook gewild heeft.
Het ongerijmde nu is dat de arts die terminaal verdooft, met de
daarbij behorende gevolgen, buiten de euthanasietoetsing valt.
Dergelijke gevallen worden niet gemeld en er vindt dus ook geen
toetsing plaats. Hoogstens staat de directe route naar het OM
open, maar die wordt bijna nooit bewandeld. Er is dus een
probleem. Welke oplossing er nu uit de bus moet komen, de
strafrechtelijke weg of die van de toetsingscommissie, is niet zo
belangrijk. Waar het mij om gaat, is dat terminale sedatie in
haar effect gelijk kan zijn aan euthanasie. Dan behoort in een
externe controle op de zorgvuldigheid van het handelen te zijn
voorzien.