26 augustus 2004 - Openbaar Ministerie
Artsenorganisatie KNMG heeft in een brandbrief aan
staatssecretaris Ross (Volksgezondheid) aangedrongen op
duidelijke regels voor de levensbeëindiging van pasgeboren baby's
met een zware handicap. In Nederland komt dit tussen de twintig
en honderd keer per jaar voor, maar elke vorm van externe
controle ontbreekt. De KNMG wil een toetsingscommissie.
De huidige regelgeving dateert uit 1994 en is ,,eenzijdig
juridisch gericht'', stelt de KNMG. In 1997 beloofde toenmalig
D66-minister Borst van Volksgezondheid al zo'n commissie en ook
CDA-staatssecretaris Ross heeft de Tweede Kamer beloftes in die
richting gedaan. De artsenorganisatie, waarbij ongeveer 32.500
artsen zijn aangesloten, wil dat daar eindelijk werk van wordt
gemaakt.
Volgens de KNMG wordt levensbeëindiging ,,zonder verzoek'',
hoewel dat tientallen keren voorkomt, ,,niet of nauwelijks''
gemeld. De praktijk is ,,onzichtbaar'' en daardoor ,,moeilijk
controleerbaar''. De organisatie vindt dat ronduit ongewenst. Het
,,zeer lage aantal'' meldingen zou direct verband houden met het
ontbreken van een adequate toetsingsprocedure.
Artsen hebben sinds het begin van de jaren negentig gewerkt aan
normen en zorgvuldigheidseisen op dit punt. Maar bij gebrek aan
een procedure ontstaat het risico dat deze normen, mede door
onbekendheid ermee, niet of onvoldoende worden toegepast,
schrijft de KNMG. Een toetsingscommissie met niet alleen juristen
maar ook artsen biedt mogelijk uitkomst. (ANP)