Toespraak Harm Brouwer MediaDebat

Kruimelpad

Inhoud pagina: Toespraak Harm Brouwer MediaDebat

23 april 2008

Toespraak Harm Brouwer tijdens een bijeenkomst over justitie en journalistiek georganiseerd door MediaDebat in De Balie Amsterdam:

Dames en heren,

Ik beperk mij tot het toelichten van twee punten, die wat mij betreft straks in discussie aan de orde zouden kunnen komen. Dat zijn achtereenvolgens het bevorderen van normen bij de zogenaamde misdaadjournalistiek en de noodzaak voor het OM de openheid in strafzaken te bevorderen.

Allereerst die normering bij journalistieke opsporing.

In februari sprak ik daarover, als onderdeel van een lezing over burgeropsporing in het algemeen. Ik zei toen onder meer:

"Waar de burgeropsporing ook ongewenste effecten kan hebben, is dat in de relatie tussen burgers en de media. Het strafrecht is in sneltreinvaart gemedialiseerd. En dat komt echt niet door die ene uitzending van Peter de Vries. Het gaat om een veel bredere ontwikkeling, die al heel lang aan de gang is. Strafrecht is emotie, is entertainment geworden.

Alle media zijn buitengewoon actief op het terrein van het strafrecht en de strafrechtsdeskundigen zijn buitengewoon actief in de media.

Bij die medialisering hoort ook, dat journalisten zich erop toeleggen strafbare feiten op te helderen. Daarbij maakt men gebruik van alle mogelijkheden die een journalist ten dienste staan – en dat zijn er in sommige gevallen meer dan waar de politie en het OM over kunnen beschikken. Wij mogen bijvoorbeeld niet zomaar iemand stelselmatig observeren. Een journalist kan dat wel, mits hij voldoende zitvlees en koffie tot zijn beschikking heeft.

Bij deze journalistieke variant op de burgeropsporing is al snel sprake van een conflict tussen twee fundamentele mensenrechten. Aan de ene kant de vrijheid van meningsuiting, met, zoals allerwegen erkend wordt, als logisch complement, de journalistieke vrijheid van nieuwsgaring. Aan de andere kant staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de door de journalist onderzochte personen. Dat kan een harde botsing opleveren, waarbij het gevaar reëel is dat de privacy de zwakkere partij is.

Journalisten mogen verder gaan dan 'gewone' burgers. Zij mogen zelfs van het Europees Hof van de Rechten voor de Mens in bijzondere gevallen de strafwet overtreden ten behoeve van de nieuwsgaring. Maar dan geldt wel de voorwaarde, dat het algemeen belang, dat met de berichtgeving gediend is, ver uitstijgt boven de ernst van het mogelijk door de journalist gepleegde strafbare feit en dat indien mogelijk hoor en wederhoor is toegepast.

Bij het bepalen van de grenzen van de misdaadjournalistiek hanteert de rechtspraak mede de normen en codes uit de journalistiek zelf. Inderdaad is dit dus geen gebied waar het vooral aan de overheid is om de spelregels te bepalen. Primair dient de journalistiek zélf in te vullen wat fatsoenlijke journalistiek is.

Maar, dat veronderstelt wel, dat de beroepsgroep daar op gezette tijden eens een stevig debat over voert, zeker nu het duidelijk is, dat het zowel journalistiek als commercieel interessant kan zijn om de grenzen van de rechtmatigheid op te zoeken. Belangrijke vragen voor dat debat zouden bijvoorbeeld kunnen zijn:
Geldt ook voor de door een journalist geschapen beeldvorming het beginsel, dat iedereen voor onschuldig wordt gehouden totdat een rechter de schuld heeft vastgesteld? De zgn. onschuldpresumptie.

Of: mag men verder gaan in het schenden van de privacy van een burger, naarmate het feit, dat deze persoon verweten wordt ernstiger is, of zou juist de omgekeerde norm moeten gelden: hoe groter het verwijt, des te meer reden voor behoedzaamheid?

Jammer genoeg, merk ik nog weinig van een dergelijk debat binnen de journalistiek. Men doet volop mee met de medialisering van het strafrecht, en maakt hoogstens af en toe pas op de plaats door in een hoofdartikel of opiniestuk vast te stellen, dat het allemaal wel erg ver kan gaan.

Zo kan de rare situatie ontstaan, dat door de schroom van de beroepsgroep om voor zichzelf normen te stellen, die normen toch weer ingevuld moeten worden door de overheid, te weten door de burgerlijk rechter of de strafrechter, wanneer een journalist in een concreet geval over de schreef lijkt te zijn gegaan."

Naar aanleiding van mijn opmerkingen in deze Gonsalves-lezing werd mij in een interview met het blad 'De Journalist' voor de voeten geworpen, dat er wel degelijk richtlijnen voor journalisten zijn en dat discussie dus niet nodig was!

Dat van die richtlijnen klopt. Dat discussie niet nodig is klopt niet. Ik leef  namelijk bepaald niet met het idee, dat die richtlijnen en codes veel impact hebben op de dagelijkse journalistiek. Neem de code, van het NGH.

Daarmee bedoel ik het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, niet de Amerikaanse hypnotiseursbond, de National Guild of Hypnotists. Die laatsten hebben ook een gedragscode. Hypnotiseurs moeten zich aan de wet en aan interne regelgeving houden bij het hypnotiseren. Als ze dat niet doen, kunnen ze uit de hypnotiseursbond worden gegooid. Zo dwingend is de Code van dat andere NGH, de hoofdredacteurenclub dus, bepaald niet.

Op de website 'Geen Commentaar' schrijft journaliste Annoesjka over de NGH-code: "Laten we wel zijn, deze code is gewoon weer een stapeltje regeltjes, waaraan het Genootschap van Hoofdredacteuren hoopt dat journalisten zich [er] aan houden. Dat is natuurlijk onzin: een echte journalist laat zich helemaal niet in regels vangen. Journalisten zijn daar te eigenwijs voor."

En dan is de Code van de NGH nog abstract geformuleerd. Neem regel 16: "Bij het verzamelen, selecteren en bewerken van nieuws gaat de journalist fair te werk." Het is, lijkt mij, vlees noch vis.

Gedetailleerder is de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek. Daarin staat bijvoorbeeld in artikel 2.4.5: "De journalist voorkomt dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd."

Die regel speelde een rol bij de beoordeling door de Raad van een klacht tegen website Geen Stijl, die een filmpje van een fatale steekpartij op het internet had geplaatst. De klager zou al te herkenbaar in beeld zijn gekomen. Bovendien werd hij in de berichtgeving op de site en de reacties daarop als dader aangemerkt. De Raad voor de Journalistiek vond het plaatsen van het filmpje door de beugel kunnen, maar had moeite met het feit, dat op de site de naam van de verdachte werd genoemd en dat een link was opgenomen naar een site waar een foto van hem te zien was.

Daar was de redactie van Geen Stijl niet van onder de indruk. Over de uitspraak van de Raad plaatste Geen Stijl een artikel met de kop 'Papieren Teigetje spreekt!'
De Raad wordt in het artikel omschreven als 'een clubje vingerplanten' en 'een neprechtbank, die helemaal niks over ons te vertellen heeft'.

In de praktijk zien we zeer uiteenlopende manieren om met de standpunten van de Raad om te gaan. Een enkele keer geeft een medium, op een prominente plaats in krant of uitzending ruiterlijk toe, dat men fout is geweest. Vaker wordt het oordeel van de Raad weggemoffeld, zodat alleen de zeer alerte lezer, kijker of luisteraar er van op de hoogte raakt.

Regelmatig ook schenkt men aandacht aan de beslissing en legt nog eens uit, waarom de Raad het niet begrepen heeft. En steeds vaker wordt het standpunt doodgezwegen of, zoals bij "Geen Stijl", belachelijk gemaakt.

Kortom, hoe verstandig de in de journalistieke richtlijnen en codes omschreven normen ook zijn, van een overtuigende zelfreflectie, laat staan van een effectieve zelfreiniging lijkt geen sprake. Dat geldt des te meer nu een steeds groter deel van de nieuwsgaring zich buiten de traditionele journalistiek om, afspeelt. 

Ik blijf daarom nog steeds bij mijn oproep van februari jl.: Voer een stevig debat met elkaar over de grenzen bij de misdaadjournalistiek en over de consequenties, die dat moet hebben voor de beroepsuitoefening. Gegeven de rol van een vrije pers in een democratische samenleving, zou dat binnen de beroepsgroep moeten gelden als een zelf opgelegde verplichting. Doet u dat niet, dan gaat de overheid de normen stellen en ik voorspel het u, dan gaat u vast zich onbegrepen voelen.

Dat is mijn eerste inleidende opmerking. De tweede heeft betrekking op de noodzaak voor het Openbaar Ministerie openheid aan de dag te leggen.

Voor ons gelden de gewone eisen van transparantie als voor ieder ander overheidsorgaan in een democratische staat. De volksvertegenwoordiging moet zicht hebben op het gebruik, dat de organisatie maakt van haar wettelijke bevoegdheden.

De noodzaak van het OM open te zijn, reikt echter verder. Wij handelen veel strafzaken af, zo’n kleine 1 miljoen zaken per jaar, grote en kleine zaken. Een belangrijk deel van de zin van het straffen, zit hem in het afschrikken van potentiële wetsovertreders en in het geruststellen van rechtschapen burgers, dat misdadigers hun trekken thuis krijgen. Het strafrechtssysteem zou danig aan effectiviteit inboeten, wanneer onbekend blijft dat er gestraft wordt. Daarvoor hebben wij de media nodig!

Een andere reden is, dat het OM betrokken is bij rechtspleging. Bij de toepassing van recht gaat het niet alleen om de uiteindelijke beslissing, maar ook moeten de regels op weg daar naar toe, keurig zijn toegepast. Onderdeel van een rechtsstaat is, dat gecontroleerd kan worden of de met rechtshandhaving belaste organen zelf het recht in acht hebben genomen. Wie, zoals het OM, anderen voor hun gedragingen ter verantwoording roept, moet zelf onberispelijk zijn. Dat kan niet zonder openheid. Openheid is dus geen keuze van het OM, maar een bestaansvoorwaarde.

Toch heeft het lang geduurd, voordat het tot het OM doorgedrongen is, dat openheid meer omvat dan de openbaarheid van de zitting.

Burgers - en voor hen ook de media – hebben het recht om ook op andere momenten dan, wanneer een zaak op de zitting wordt behandeld, geïnformeerd te worden en dat die informatie liefst ook op een toegankelijke, voor de media bruikbare wijze verstrekt dient te worden. (Dat is in veel gevallen heel goed mogelijk zonder dat je je aan 'trial by media' bezondigt.)

Ik breng dit punt van de noodzaak tot openheid hier in, omdat ik de stellige indruk heb, dat in juridische kringen, in de rechtspraak, in de advocatuur en in delen van de wetenschap argwanend wordt gekeken naar ontwikkelingen binnen het OM de informatieverstrekking aan de media en het publiek te verruimen. Aan de ene kant krijgen wij het verwijt te willen scoren, dat we ons willen profileren over de ruggen van verdachten. Aan de andere kant is er juist het verwijt, ook wel intern, dat we te ver doorslaan. "Schieten wij ons (of jullie jezelf) niet steeds in de voet door elke keer weer mogelijke justitiële dwalingen in de openbaarheid te brengen, zoals onlangs weer bij 'Ina Post'? Een zaak, notabene, van 22 jaar oud!"

Ik begrijp deze kanttekeningen en vragen eerlijk gezegd niet. Misschien ben ik daar te naïef voor! Die openheid, waarvan ik overigens niet de indruk heb, dat we er al zijn - en die zijn beperkingen kent in de aard van de informatie en de wijze waarop die gebracht wordt -, is geen doel op zichzelf, maar is in de kern verantwoording afleggen en daarmee inhoud geven aan de legitimiteit van het optreden van het OM. Dat maakt je kwetsbaar, zeker, dat geldt voor slecht nieuwsbrengers in het algemeen en is inherent aan onze taakstelling, de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Het is echter niet anders! We gaan er dus mee door, omdat het moet. Die openheid is voor ons immers geen keuze, maar een bestaansvoorwaarde.

Dit is mijn betoog!

Even geduld aub.
Naar boven
Verklaar Jargon
Jargon Verklaard
Geen vakjargon termen gevonden

Zoeken