Zodra de uitspraken in de ontnemingszaak èn in de strafzaak onherroepelijk zijn (zgn. dubbele onherroepelijkheid), d.w.z. er geen rechtsmiddelen zoals hoger beroep of cassatie meer kunnen worden ingesteld, wordt de ontnemingsuitspraak ter verdere afhandeling aan het CJIB overgedragen. Indien er conservatoir beslag is gelegd, wordt de veroordeelde door het CJIB verzocht een betalingsaanbod te accepteren teneinde verdere uitwinning van het conservatoire beslag te voorkomen. Ook kan met de veroordeelde een betalingsregeling worden getroffen. Als de veroordeelde dit aanbod niet accepteert, wordt het conservatoir beslag omgezet in executoriaal beslag en door de gerechtsdeurwaarder te gelde gemaakt. Vervolgens kan met of zonder dwangbevel verhaal worden genomen op bezittingen en vorderingen van de veroordeelde. Bij gebreke van voldoende verhaalsmogelijkheden kan het CJIB ondersteuning vragen van de vermogenstraceerders van het BOOM, die vervolgens trachten vermogensbestanddelen in binnen- en buitenland op te sporen waarop vervolgens door de gerechtsdeurwaarder (binnenland) executoriaal beslag gelegd kan worden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat de veroordeelde vermoedelijk wel over vermogen beschikt, maar het, om wat voor reden dan ook, niet mogelijk is hier beslag op te leggen, dan kan de OvJ bij de rechter lijfsdwang vorderen. De lijfsdwang is bedoeld als drukmiddel voor de veroordeelde om alsnog tot betaling over te gaan. De OvJ kan de lijfsdwang meerdere malen vorderen, in die zin dat de totale duur van de lijfsdwang maximaal drie jaar bedraagt.
Tijdens de executiefase kan de rechter zowel op verzoek van de veroordeelde als op verzoek van het Openbaar Ministerie of een benadeelde derde, de opgelegde ontnemingsmaatregel verminderen of kwijtschelden. Daarnaast kan de veroordeelde altijd een gratieverzoek indienen.
Indien de veroordeelde na bovengenoemde dubbele onherroepelijkheid (straf- en ontnemingsuitspraak) komt te overlijden, blijft de opgelegde betalingsverplichting bestaan en kan worden verhaald op de nalatenschap van de overledene.
Het tijdsverloop van de gehele ontnemingscyclus, vanaf het begin van de opsporing van het strafbare feit tot en met de executie van de ontnemingsmaatregel, kan variëren van ongeveer een tot vijftien jaar of zelfs in bijzondere omstandigheden nog wel langer.