Zodra de ontnemings-OvJ meent over voldoende bewijs te beschikken om de zaak bij de rechter aanhangig te maken, wordt de ontnemingsvordering, met daarin de oproep om ter terechtzitting te verschijnen, aan de veroordeelde (in de strafzaak) betekend. Dit is ook mogelijk als de verdachte nog niet in de strafzaak is veroordeeld. Deze betekening dient wel binnen twee jaar na de dag van de uitspraak (in de strafzaak) in eerste aanleg, aanhangig te worden gemaakt. Een eventueel lopend SFO dient dan te worden gesloten.
In principe vindt de behandeling van de ontnemingszaak op de terechtzitting plaats. Echter de behandeling ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een of meer schriftelijke ronden. Dit betekent dat de standpunten van de OvJ en de verdachte, dan wel zijn raadsman, schriftelijk worden uitgewisseld. Op deze manier kan de rechter beter zicht krijgen op de geschilpunten tussen partijen en weet waarop het onderzoek ter terechtzitting moet worden gericht. Nadat de OvJ zijn voordracht heeft gehouden kunnen eventuele door de OvJ of door verdachte voorgedragen getuigen/deskundigen worden gehoord. Indien de rechtbank een (nader) SFO nodig acht, kan zij gelasten dat de OvJ dit onderzoek verricht. Ook kan de rechtbank de RC belasten met het nader onderzoek. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting (van de ontnemingszaak) is het niet de bedoeling dat de strafzaak nog eens wordt overgedaan.
Tot aan het moment dat de rechter een uitspraak heeft gedaan,, kunnen de OvJ en de verdachte een schikking treffen. De verdachte kan hiermee een rechterlijke behandeling van de ontnemingsvordering voorkomen. De incasso van het schikkingsbedrag vindt plaats door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Het treffen van een schikking in hoger beroep is wettelijk niet mogelijk. Een schikkingsovereenkomst kan de betaling van een geldbedrag en/of de overdracht van goederen inhouden. Dit hoeven niet uitsluitend in beslag genomen goederen te zijn. Mocht er in de strafzaak geen veroordeling volgen, dan wordt het schikkingsbedrag weer aan de verdachte terug betaald. Maar als de verdachte niet aan de schikkingsvoorwaarden voldoet, kan de OvJ zijn vervolgingsrecht hervatten. met andere woorden dan start hij alsnog een ontnemingsprocedure op.
Bij het onderzoek ter terechtzitting, beslist de rechtbank naar aanleiding van de vordering van de OvJ en niet, zoals bij strafzaken, op basis van de telastelegging. De rechter is dus niet strikt gebonden aan de inhoud van de vordering van OvJ. In het vonnis stelt de rechtbank het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat waarbij rekening wordt gehouden met aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen zoals bijvoorbeeld een vonnis waarbij de verdachte veroordeeld is om aan het slachtoffer van een oplichting een schadevergoeding te betalen.
Nadat het onderzoek ter terechtzitting is afgerond, zal de rechtbank na beraadslaging tot een uitspraak komen waarbij de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (ontnemingsmaatregel) kan worden opgelegd. Voor de uitspraak is de rechtbank niet, zoals bij strafzaken, gebonden aan een termijn van veertien dagen.
Zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde kunnen van dit (ontnemings)vonnis in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. Het gerechtshof zal de ontnemingszaak dan in zijn geheel opnieuw behandelen. Dit hoger beroep staat geheel los van de behandelde strafzaak. Tegen de uitspraak van het gerechtshof kan eventueel cassatie bij de Hoge Raad worden ingesteld. De Hoge Raad kijkt dan in principe alleen of de wet juist is toegepast en treedt niet in de beoordeling van de feiten zelf.