Het opsporen en vervolgen van oorlogsmisdadigers is niet alleen een belang van Nederland afzonderlijk, het is het belang van de hele internationale rechtsgemeenschap. De oprichting van de tribunalen voor (voormalig) Joegoslavië (ICTY) en voor Rwanda (ICTR) en van het Internationaal Strafhof (ICC) zijn een uiting van een breder internationaal gesteund streven om internationale misdrijven op te sporen en te berechten.
De eerste verantwoordelijkheid voor de opsporing en vervolging ligt bij de afzonderlijke staten. Pas als het land waarin de feiten zijn gepleegd (of andere staten die rechtsmacht hebben over de gepleegde feiten), niet in staat of bereid zijn om zelf de daders op te sporen en te vervolgen, dan is een zaak ontvankelijk voor het ICC.
Sinds de Wet Internationale Misdrijven (WIM) is ingevoerd op 1 oktober 2003 heeft Nederland universele rechtsmacht over genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. De maximumstraf is levenslang of dertig jaar. De misdrijven waar het team zich tot op heden op richt vallen vanwege het moment van plegen (vóór 1 oktober 2003) vaak niet onder de WIM. Voor deze misdrijven geldt nog de oude wetgeving, dat wil zeggen de WOS, het UW folteringverdrag en het UW Genocideverdrag.
Het opsporen en vervolgen van oorlogsmisdrijven is vaak ingewikkeld, mede omdat misdrijven op vreemd grondgebied hebben plaatsgevonden. Wreedheden zijn meestal niet openlijk gedocumenteerd en het bewijs is grotendeels afhankelijk van getuigenverklaringen. Die getuigen moeten gevonden worden en ook weer bereid zijn om verklaringen af te leggen. Ook moeten de omstandigheden in het land dusdanig zijn dat mensen zonder (angst voor) intimidaties en represailles hun verhaal kunnen vertellen.