Antwoorden van de Minister van Justitie, mede namens de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de
vragen van het lid Vos (Groen Links) over het mogelijk publiceren
van gegevens van veelplegers op internet (Ingezonden 8 januari
2004, 2030405680).
Vraag 1.
Kent u berichten dat de korpschef van de politie Utrecht heeft
voorgesteld om persoonsgegevens en beeltenissen van veelplegers
op internet te zetten?
Antwoord 1.
Ja
Vraag 2.
Bent u het met de Utrechtse korpschef eens dat veelplegers uit
de anonimiteit gehaald dienen te worden? Welke vormen van
openbaarheid over de identiteit en herkenbaarheid van veelplegers
acht u toelaatbaar?
Antwoord 2.
Onder omstandigheden dienen er mogelijkheden te zijn de
identiteit van veelplegers bekend te maken. Het verstrekken van
dergelijke gegevens vanuit de overheid kan ertoe bijdragen dat
(private) partijen in de samenleving hun verantwoordelijkheid
kunnen nemen bij de aanpak van de veiligheidsproblematiek. De
regels omtrent de verwerking van persoonsgegevens bepalen onder
welke omstandigheden verstrekking van gegevens toelaatbaar
is.
Op dit moment zijn er, op basis van de huidige Wet
politieregisters, beperkte mogelijkheden om veelplegers uit de
anonimiteit te halen.
Op dit moment is de gegevensverstrekking door de politie
geregeld in de wet Politieregisters. Persoonsgegevens mogen in
beginsel slechts worden verstrekt aan in deze wet en het Besluit
Politieregisters genoemde instanties. Op basis van artikel 18 lid
5 van de wet kan de minister van Justitie of de minister van BZK
in bijzondere gevallen toestemming verlenen om gegevens te
verstrekken. Hierbuiten is de politie tot geheimhouding
verplicht, tenzij het verstrekken van persoonsgegevens
noodzakelijk en proportioneel is voor de uitvoering van de
politietaak (Artikel 30 Wet politieregisters). Op grond van dit
artikel is het mogelijk dat, indien noodzakelijk voor de
politietaak, gegevens van veelplegers aan derden worden
verstrekt. Verstrekking van identificerende gegevens (waaronder
foto's) van veelplegers aan winkeliers achten wij in dit kader in
beginsel toelaatbaar. Dit geschiedt met een duidelijk en legitiem
doel: doordat winkeliers over deze gegevens beschikken kunnen ze
veelplegers weren of controleren. Daarmee draagt de winkelier bij
aan een gezamenlijk belang van politie en de winkelbranche,
namelijk het voorkomen van criminaliteit. Niettemin zijn
winkeliers in beginsel ook gehouden aan de verplichting tot
geheimhouding van de gegevens, al kan doorgifte aan andere
winkeliers wel toelaatbaar zijn. Ook dan moet zijn voldaan aan
vereisten van noodzaak en proportionaliteit. Niet alle vormen van
het publiceren van gegevens zijn toelaatbaar. Thans wordt gewerkt
aan de nieuwe Wet politiegegevens, die de huidige Wet
politieregisters moet gaan vervangen. De reden hiervoor is onder
meer dat het huidige regime van de Wet politieregisters
regelmatig door betrokken partijen, waaronder de politie, als te
beperkend wordt ervaren. Het wetsvoorstel zal onder andere aan de
Raad voor Hoofdcommissarissen en het Korpsbeheerdersberaad worden
voorgelegd, waarbij expliciet aandacht zal worden gevraagd voor
de knelpunten die in de praktijk worden ervaren bij de aanpak van
veelplegers. De Raad van Hoofdcommissarissen zal in dat licht ook
worden gevraagd zich uit te spreken over de vraag in hoeverre
publicatie als hier bedoeld een concreet doel kan dienen en kan
bijdragen aan het veiligheidsgevoel en de effectiviteit van het
politiewerk. Ook voor de brancheorganisaties is, via het
Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, voldoende
gelegenheid hun opvattingen naar voren te brengen.
Vraag 3.
Klopt het, dat het Openbaar Ministerie er niets voor voelt om
ongericht gegevens van veelplegers via internet of in wijk- en
buurtkrantjes te publiceren? Deelt u de mening van het Openbaar
Ministerie, dat uiterste zorgvuldigheid is geboden bij het
openbaar maken van gegevens van veelplegers?
Antwoord 3.
Het Openbaar Ministerie is inderdaad van mening dat het
publiceren van foto's van veelplegers het risico van vergissingen
en eigenrichting in de hand werkt. Bovendien wijst het Openbaar
Ministerie erop dat de privacywetgeving het ongericht vrijgeven
van dit soort gegevens niet toestaat. Begrijpelijk vindt het
Openbaar Ministerie dat winkeliers, ter preventie van
diefstallen, elkaar waarschuwen voor veelplegers en daartoe
foto's uitwisselen die ter waarschuwing aan personeelsleden
worden getoond. Het tonen van foto's van veelplegers aan een veel
breder publiek dient naar het oordeel van het Openbaar Ministerie
echter geen ander doel dan "naming and shaming", hetgeen het
Openbaar Ministerie geen legitiem doel acht.
Wij delen de opvatting van het OM dat uiterste zorgvuldigheid is
geboden bij het openbaar maken van gegevens van veelplegers.
Zoals echter ook uit het antwoord op vraag 2 blijkt, zijn wij
voornemens om op korte termijn in het kader van het wetsvoorstel
voor de Wet politiegegevens dit punt expliciet aan de orde te
stellen, met name vanuit de invalshoek van ervaren knelpunten in
de opsporing van veelplegers.
Vraag 4.
Op welke wijze brengen politie en Openbaar Ministerie op dit
moment gegevens van veelplegers ter kennis aan derden? Gebeurt
dit altijd op basis van de Circulaire Opsporingsberichtgeving via
de publieke media? Bestaat er anderszins een bevoegdheid om
gegevens van verdachten en veroordeelden publiekelijk bekend te
maken?
Antwoord 4.
De aanwijzing Opsporingsberichtgeving geeft de kaders aan
waarbinnen het Openbaar Ministerie kan overgaan tot het tonen van
foto's van verdachten of het vrijgeven van persoonsgegevens aan
een breed publiek. Dit is dan in het kader van zaken waarbij de
identiteit van de verdachte onbekend is en waarbij de hulp van
het publiek wordt ingeroepen om ernstige strafbare feiten op te
lossen. In zijn algemeenheid komen zaken waarin het gaat om
veelvuldig plegen van winkeldiefstal echter niet in aanmerking
voor opsporingsberichtgeving. Dit middel wordt gereserveerd voor
ernstiger delicten.
Buiten het geval dat in het kader van de opsporingsberichtgeving
gegevens van verdachten bekend worden gemaakt aan een breed
publiek, wordt in overeenstemming met de Wet bescherming
persoonsgegevens en art. 51d van het Wetboek van Strafvordering,
in individuele strafzaken informatie over verdachten verstrekt
aan de benadeelde partij ten behoeve van een voeging van een
civielrechtelijke vordering in de strafrechtelijke procedure dan
wel aan anderen die hierom verzoeken en op basis van de
Aanwijzing Wet bescherming persoonsgegevens gerechtigd zijn van
deze informatie kennis te nemen.
Ook wordt, onder voorwaarden, door het OM informatie over
personen vrijgegeven aan bepaalde, in de Aanwijzing Wbp
limitatief opgesomde instanties die hiermee gerichter hun taak
kunnen uitoefenen, zoals bijvoorbeeld de KNVB die informatie
krijgt over voetbalvandalen.
Vraag 5.
Vindt er tussen het Openbaar Ministerie en de leiding van
politiekorpsen afstemming plaats over de aard en inhoud van
publieke optredens zoals nieuwjaarstoespraken van de
politiekorpschefs? Zo neen, acht u dit wenselijk?
Antwoord 5.
Over de nieuwjaarstoespraak van de korpschef van Utrecht heeft
voorafgaand geen afstemming plaatsgevonden met het Openbaar
Ministerie. Dit is ook niet gebruikelijk en niet gewenst. Het is
niet de taak van het Openbaar Ministerie om, anders dan in
individuele opsporingsonderzoeken of strafzaken, uitlatingen van
politiechefs vooraf te beoordelen.