Veelplegers en de 'badkuipcurve'

Kruimelpad

Inhoud pagina: Veelplegers en de 'badkuipcurve'

De komende, blijvende en gaande verdachte
Door C. Wiebrens en A. Slotboom
In feite is 'de' badkuipcurve een optelsom van de drie bovenbeschreven stukken: een sterk dalend gedeelte (zie de blauwe lijn in figuur 1) dat de inloopperiode beschrijft, een stuk dat vlak verloopt (de roze lijn) en de uitval-kans tijdens het 'normale leven' weergeeft, en aan het einde een weer oplopend gedeelte van de slijtageperiode (de gele lijn). Bij elkaar opgeteld levert dat een typerende badkuipcurve (turquoise).


Goed Beschouwd 2003 - badkuipcurve1

Dit is geen theoretisch verhaal. Onze analyse van uitvalkansen leverde steeds curves op die de gedaante hebben van figuur 2.

Goed Beschouwd 2003 - badkuipcurve2

In deze paragraaf kijken wij naar de groep verdachten die voor het eerst in één van de jaren 1996, 1997 of 1998 met de politie in aanraking is gekomen. Deze groep heeft dus tenminste drie jaar (1999, 2000 en 2001) de kans gehad om al dan niet te recidiveren. Het betreft 309.754 personen, ruim 100.000 per jaar dus. De totale groep bestaat voor 80,8% uit mannen; 5,2% was ten tijde van het eerste delict 14 jaar of jonger, 10,9% was 15 tot 17 jaar en de rest, 83,9%, pleegde zijn eerste delict op volwassen leeftijd.


Mannen en vrouwen kennen verschillende uitvalkansen; bij mannen bedraagt die kans 76%, voor vrouwen is die gunstiger, namelijk 85%. Anders gezegd: een op de vier mannen pleegt na hun eerste arrestatie nog meer delicten en wordt daarvoor aangehouden, tegen slechts een op de zeven vrouwen. Dat gegeven is uiteraard niets nieuws, bekend is alom dat Het Kwaad op mannen een grotere aantrekkingskracht uitoefent dan op vrouwen.
De uitvalkansen van de verschillende leeftijdsgroepen binnen de groep nieuwkomers in '96-'98, verschillen aan-merkelijk. Voor volwassenen zijn zij het meest gunstig, bijna 82% van de volwassenen houdt op met criminele activiteiten na een eerste antecedent. Minder gunstig is de uitvalkans voor de groep 15 t/m17-jarigen, die be-draagt 58%. Ronduit ongunstig zijn de uitvalkansen van de jongste groep verdachten, de twaalf tot veertienjari-gen. Eén op de twee stopt met het plegen van misdrijven na het eerste antecedent, één op de twee gaat echter door. Daarbij zij opgemerkt dat eventuele eerdere politiecontacten van de jongeren die buitenjustitieel zijn afge-daan met bijvoorbeeld een HALT-afdoening, hier buiten beschouwing zijn gelaten.


Goed Beschouwd 2003 - badkuipcurve3

Hierboven zagen wij, dat ruim 77% van degenen die in '96-'98 voor het eerst met de politie in aanraking kwamen, na één antecedent niet meer terugkomt. Dat betekent dat zo'n 20 à 25% van de groep nieuwkomers - dit betreft 70.000 personen - na het eerste antecedent doorgaat, zij plegen een tweede, een derde en eventueel vol-gend delict. We zouden hen kunnen betitelen als doorstromers. Deze doorstromers vormen een risicogroep, die mogelijk aan het begin staat van een criminele loopbaan. Daarbij zij aangetekend dat de 'loopbaan' voor deze groep, in de ons ter beschikking staande gegevens, maximaal 6 jaar kan duren - zij zijn immers op zijn vroegst op 1 januari 1996 voor het eerst in HKS geregistreerd, en hun laatste antecedent kan niet later dan op 31-12-2001 geregistreerd zijn.








Goed Beschouwd 2003 - grafiek4

In figuur 3 was te zien, dat de uitvalkansen na zo'n 80 antecedenten gaan oplopen. Een dergelijke curve is representatief voor de grootstedelijke regio's. In andere regio's ligt het omslagpunt wat lager, meestal tussen de 50 en 60 antecedenten. Dit verschil wijst waarschijnlijk op een anderssoortige --- meer delicten plegende-verdachtenpopulatie in de grote steden, en/of op een ander opsporingsbeleid waarbij de bekende stelselmatige dader eerder of sneller opgepakt wordt. Voor het beschrijven van de burnout groep zijn in de vier grote steden (de politieregio's Amsterdam-Amstelland, Rotterdam-Rijnmond, Utrecht en Haaglanden) alle verdachten genomen die 80 of meer antecedenten op hun naam hebben en die de laatste drie jaar niet meer geregistreerd zijn; in alle overige politieregio's is de grens gelegd bij 50 antecedenten of meer.De groep uitgeblusten is klein.Ter illustratie: wij beschikken over de gegevens van 86.327 verschillende verdachten in de politieregio Rotterdam-Rijnmond; volgens de hierboven gegeven omschrijving zijn er in die politieregio niet meer dan 65 personen die opgehouden lijken met hun langdurende criminele carrière. In het totale bestand van de 25 politieregio's betreft het ruim 1.000 personen. Gemiddeld begingen zij hun eerste delict op een leeftijd van 16 à 17 jaar (dit varieert van 14,1 in Noord-Holland Noord tot 18,7 in Gooi en Vechtstreek). Het laatste delict pleegden zij rond hun 39e. De gemiddelde carrièreduur is 22 jaar met daarin gemiddeld 81 arrestaties (één persoon, in Utrecht, heeft het tot 327 arrestaties geschopt) en 121 gepleegde - althans, geregistreerde - feiten. Zij zijn overwegend Nederlander en drugsverslaafd. Het beeld doemt op van Koos Koets (zie Noten 21) die het na een jachtig crimineel drugsbestaan rustiger aan gaat doen. Successen in de strafrechtelijke opvang verslaafden (SOV) zouden weleens precies bij deze groep kunnen liggen.
In de grootstedelijke politieregio's gaan de uitvalkansen na 80 antecedenten oplopen (de burnout groep), in andere politieregio's ligt het omslagpunt wat lager. Er zijn ook verschillen aan de linkerzijde van de badkuipcurve. De uitvalkansen na het eerste antecedent variëren in de 25 politieregio's van 72,7% tot 81,2%. Gunstige, dat wil zeggen hoge, uitvalkansen zijn aan te treffen in de politieregio's Gooi- en Vechtstreek, Zaanstreek Waterland, Kennemerland en Zeeland; relatief lage - dus ongunstiger - eerste uitvalkansen zien wij in Flevoland en Rotterdam Rijnmond.
Kosten-effectiviteit
Het kosten-effectiviteit perspectief dwingt tot het zoeken van een antwoord op de vraag wanneer en bij welke verdachten gerichte inzet leidt tot een zo groot mogelijk rendement in termen van het voorkomen van méér antecedenten. Dit betekent dat verschillende inschattingen moeten worden gemaakt:
De inzet moet zich vooral richten op díe personen die een hoog risico vormen, nog niet tot volledige 'criminele ontplooiing' zijn gekomen en waar interventies nog een redelijke kans van slagen hebben. De interventie dient plaats te vinden voordat het 'point of no return' (in termen van de badkuipcurve: de bodem van het bad) is bereikt. Uit de voorgaande analyses blijkt dat dat punt niet voor iedereen gelijk is. Afhankelijk van de groep verdachten kan (kosten-effectieve) interventie gewenst zijn na het tweede misdrijf of misschien wel na het vijfde. Ook is het denkbaar dat een nadrukkelijke interventie geëigend is in de periode, die aan het eerste misdrijf voorafgaat.
Hoe?

Beginnende (jonge) criminelen worden nu vaak nog langere tijd met coulance bejegend. Veelal gaat het niet om zware delicten, men is nog niet vaak met de politie in aanraking gekomen. Er lijkt dan nog weinig reden om met stevige maatregelen in te grijpen. Maar dat zal niet zelden toch moeten.

Soms staan nog niet 'alle seinen op rood' en is het wenselijk een stevig signaal af te geven zonder dat er additionele kostbare investeringen nodig zijn. Zo zou in voorkomende gevallen kunnen worden volstaan met het creëren van een forse dreiging (nog niet een forse straf) bestaande uit een flinke voorwaardelijke straf of maatregel. Het aanmerkelijk verhogen van de voorwaardelijke straffen kan leiden tot positieve beïnvloeding van de uitvalkansen van vooral beginnende criminelen. Wil zo'n prikkel om af te zien van een volgend vergrijp effect sorteren, dan zal de voorwaardelijke straf in tegenstelling tot de huidige situatie een veelvoud moeten zijn van de opgelegde straf, en - zeer belangrijk - bij een volgend delict ook onmiddellijk ten uitvoer gelegd moeten worden.
Als echter alle seinen op rood staan (evident aanwezige motieven voor het plegen van delicten, een omgeving die daar geen rem op zet), is een verdere criminele carrière zeer aannemelijk. Volgens recente onderzoeken blijkt de groep waar de jongere deel van uitmaakt (en met de leden waarvan hij criminele activiteiten pleegt) bepalend te zijn voor het gedrag van de jongere (zie Noten 30). Interventies (als leerstraffen) waarbij het contact met de groep in stand blijft of slechts voor korte tijd wordt onderbroken, zijn daardoor niet erg kansvol; mogelijke effecten worden tenietgedaan door de zuigkracht en dominantie van de groep. De gebruikelijke aanpak, waarbij (een reeks) kleine feiten worden gevolgd door (een reeks) betrekkelijk lichte sancties als HALT e.d. sorteert weinig effect. De groepscultuur is dwingend, bindt de individuele leden aan de groep en neutraliseert invloeden van buitenaf. Bij vooral jeugdige allochtonen verdachten blijken interventies waarbij het contact met de groep in stand blijft, weinig effectief. Dan moet bezien worden of een op gedragsverandering gerichte ingreep mogelijk is (zie Noten 31), waarbij het ook functioneel kan zijn de banden met de criminaliteitsbevorderende omgeving door te snijden. Dat kan worden gerealiseerd door plaatsing in internaten of, zoals de Amsterdamse commissaris Riessen aangaf, opvoedingsscholen (zie Noten 32). Naast (forse) reductie van overlast en criminaliteit - wij spreken hier over jeugdige draaideurcriminelen - biedt langdurige separatie van de groep ook meer de mogelijkheid van gedragsbeïnvloeding van buitenaf: hulpverleners krijgen meer de kans en gelegenheid een stabiele relatie met betrokkenen op te bouwen. Zij kunnen niet meer worden geneutraliseerd door de groep.

Noten

Samenvatting

Verreweg de meeste mensen die door de politie worden gearresteerd omdat ze een misdrijf begaan, komen nooit of vrijwel nooit meer terug. Aan deze groep hoeft geen speciale aandacht te worden gegeven: ze hebben een tik op de vingers gekregen en meer is ook niet nodig.

Een kleiner deel dreigt een lange criminele loopbaan te ontwikkelen. De kans dat dit gebeurt, ligt niet voor iedereen even hoog - de grootste risico's blijken te liggen bij personen die zeer jong met de politie in aanraking komen, en bij allochtonen. Juist bij degenen bij wie een doorzetten van de criminaliteit dreigt, is extra aandacht geboden. Soms zal het voldoende zijn om een stevig signaal af te geven, soms zal nadrukkelijk investering nodig zijn om de invloed van de criminele motieven en de criminele omgeving tegen te gaan.

Een groep van een aantal duizend personen heeft een langdurige criminele loopbaan; deze kan makkelijk vele jaren doorgaan waarin zeer veel misdrijven worden gepleegd. Deze groep lijkt niet zeer vatbaar voor ingrepen; bij gebrek aan succes van eerdere maatregelen zal hier een sober beleid geïndiceerd zijn, gericht op beveiliging door insluiting. Als dat vooral betrekking heeft op jonge, mannelijke allochtonen, kan dat een negatieve maatschappelijke uitstraling hebben.

Uiteindelijk resteert een groep van zo'n duizend personen die na een langdurige carrière rond hun 40e levensjaar begint op te houden met criminaliteit. Het lijkt er op dat momenteel veel energie (SOV) wordt gestoken in deze groep, terwijl een geringere inzet ook effectief zou kunnen zijn.

1. De badkuipcurve

In de demografie wordt de verdeling van sterftekansen voor leeftijdsgroepen beschreven aan de hand van de badkuipcurve. Vlak na de geboorte en in de eerste levensjaren is de kans op overlijden relatief groot (de zogenaamde perinatale sterfte), daarna worden de sterftekansen geringer en vertonen zij een vrij vlak verloop tot aan het veertigste levensjaar. Daarna gaat het lichaam in toenemende mate allerlei mankementen vertonen en neemt de sterftekans toe (zie Noten 1). Weergave van de relatie tussen sterftekans en leeftijd in een grafiek levert een wat langgerekte U-vormige kromme, de badkuipcurve.

Ook het falen of kapot gaan van producten (wasmachines, gloeilampen) in de loop van de tijd, volgt zo'n bad-kuipcurve. De procentuele uitval per tijdseenheid zal variëren naargelang de leeftijd van het product. De bad-kuipcurve kan daarom worden opgedeeld in drie stukken:


  • de inloopperiode: de kinderziektes van het product (en het productieproces) zorgen voor een hoge procentuele uitval aan het begin van de levensduur;

  • het normale leven: falen is te wijten aan toevallige omstandigheden, bijvoorbeeld veroorzaakt door overbelasting of verkeerd gebruik;

  • de slijtage periode: het aantal apparaten dat kapot gaat of er helemaal mee ophoudt neemt na een zekere tijd drastisch toe.(zie Noten 2)

In figuur 1 is op de horizontale as het tijdsverloop uitgezet. Dat kan de levensduur van een apparaat in weken of maanden zijn of het aantal branduren van gloeilampen; het kan ook de duur van een criminele carrière zijn. In dit verhaal wordt de badkuipcurve gebruikt om de uitvalkansen van (groepen van) door de politie van een misdrijf verdachte personen in beeld te brengen. Op de horizontale as zetten wij daarbij de duur van de criminele loopbaan uit, gemeten in termen van het aantal arrestaties (zie Noten 3). Onder uitvalkans wordt dan verstaan de kans om niet te recidiveren. De achterliggende, onder meer door de literatuur (zie Noten 4) ingegeven, gedachte is dat er ook hier drie verschillende stadia te onderscheiden zijn.

Het eerste gedeelte wordt gekenmerkt door snel dalende uitvalkansen: er zijn veel personen die éénmaal vanwege een misdrijf met de politie in aanraking komen, maar daarna niet meer; het delict was een vergissing of 'uitglijder'. De uitvalkans is hoog. Een deel van de groep zal zich na het eerste delict tot enkele misdrijven beperken en dan de criminele loopbaan in een relatief vroegtijdig stadium afbreken, wellicht omdat zij zich realiseren dat een crimineel bestaan toch niets voor hen is. Het percentage uitval zal echter snel dalen naarmate de criminele carrière langer duurt.

Sommigen zullen langer doorgaan zodat zij op een gegeven moment tot de 'vaste klanten' van de politie gerekend kunnen worden. Zij hebben een echte criminele loopbaan waarin zij meerdere malen met de politie in aanraking komen. De kans dat men ophoudt, wordt bepaald door toevallige omstandigheden die weinig te maken hebben met de duur van de carrière: men krijgt verkering, gaat dood, breekt een been, raakt bekeerd en betert zijn leven, of wat dan ook. Dergelijke toevalligheden kunnen iedereen treffen met een evengrote kans. Dat is het vlakke gedeelte van de curve, met tamelijk constante uitvalpercentages.

Maar ook de 'vaste klanten' houden op enigerlei moment op met het plegen van delicten. Leeftijd, het fysiek niet (meer) kunnen volhouden van een hectisch crimineel bestaan, de keus voor een gewoon burgermansbestaan (zie Noten 5) of andere omstandigheden kunnen factoren zijn, die tot het beëindigen van een criminele loopbaan doen besluiten. In de Engelstalige literatuur spreekt men van 'burnout'; uitgeblust lijkt een aardige Nederlandse term. Hoewel burnout op ieder moment in een criminele loopbaan kan optreden, zal de kans daarop gestaag toenemen naarmate de carrière vordert: dat is het stijgende gedeelte aan de rechterkant van de badkuipcurve.

Kennis van de uitvalkansen is vanuit beleidsmatig oogpunt om een aantal redenen relevant. Allereerst is het beleid ten aanzien van de groep personen die met politie en justitie in aanraking zijn geweest, erop gericht dat die personen niet meer of in ieder geval minder met politie en justitie in aanraking komen. Anders gezegd, het beleid is gericht op recidivereductie, ofwel op het vergroten van de uitvalkansen. Daartoe staan een aantal inter-venties (zoals HALT-, taak- en leerstraffen), maatregelen en programma's in de sfeer van resocialisatie, (her)opvoeding en reclassering ter beschikking. Voor de toepassing van die interventies, maatregelen en pro-gramma's hanteert het beleid aannames. Die aannames hebben vooral betrekking op het moment waarop die interventies en maatregelen moeten plaatsvinden en met welke intensiteit dat moet gebeuren. Treden wij op het juiste moment op en met voldoende gewicht? Aan de hand van uitvalkansen kan iets worden gezegd over de effectiviteit van die interventies en programma's en de validiteit van de aannames, die eraan ten grondslag liggen.

Daarnaast is de becijfering van uitvalkansen nuttig omdat het zicht kan geven op risicogroepen, dat wil zeggen op groepen van verdachten waarvan de uitvalkansen geringer zijn dan die van andere groepen verdachten. Dergelijke groepen nopen tot een andere, meer gerichte aanpak.

2. Gegevens, beperkingen van de gegevens en veronderstellingen

Voorwaarde voor het berekenen van uitvalkansen is dat gegevens over een langere periode voorhanden zijn. De gegevens omtrent verdachten uit de Herkenningsdienstsystemen (HKS) van de 25 regiokorpsen voldoen aan die voorwaarde. Sinds een aantal jaren worden ten behoeve van de landelijke criminaliteitskaart door de dienst Nationale Rechercheinformatie (dNRI) de HKS-gegevens van de 25 regiokorpsen verzameld zodat landelijke en regionale overzichten kunnen worden gemaakt. De door ons gebruikte HKS-gegevens bestrijken de periode 1996-2001. Dat tijdvak is voldoende om iets te zeggen over de uitvalkansen van groepen verdachten. De HKS-bestanden bevatten naast gegevens over de aantallen antecedenten per jaar sinds 1980, ook gegevens als geslacht, leeftijd (zie Noten 7), nationaliteit, etniciteit van de verdachten, type gepleegde delicten en loopbaanduur (zie Noten 8). Met die gegevens wordt het ook mogelijk een 'profiel' van de verdachten in risicogroepen te geven.

Voor het berekenen en analyseren van de uitvalkansen nemen wij aan dat een persoon die na één of meer antecedenten niet weer wordt geregistreerd, is gestopt met zijn of haar criminele activiteiten. Dat kan verschillende oorzaken hebben: men is ècht gestopt met het plegen van delicten, na het (eerste) politiecontact is men slimmer geworden en laat zich niet meer pakken, of men is in de gevangenis terecht gekomen waardoor men geen delicten meer kán plegen. Een eventuele gevangenisstraf wordt niet vermeld in de HKS-systemen van de politie. Wij hebben daarom geen zicht op de mate waarin uitvalkansen worden beïnvloed door het zogenaamde insluitingseffect (zie Noten 9). Waarschijnlijk is echter, dat dit effect vooral zal spelen bij de zeer zware criminaliteit. Die blijft daarmee in de gegevens gedeeltelijk buiten beeld.

De gebruikte gegevens kennen nog enkele beperkingen. Voor landelijke analyses wordt bij de dNRI een zogenaamd 'metabestand' aangemaakt dat is gecorrigeerd voor dubbeltellingen: verdachten die in twee of meer regionale HKS-registraties voorkomen (omdat zij eens door de politie van twee of meer politieregio's zijn opgepakt), zijn aan één politieregio toegewezen (zie Noten 10). Bij de analyses in dit stuk is gebruik gemaakt van HKS-gegevens van de 25 afzonderlijke regiokorpsen. Het nadeel daarvan is dat landelijke uitkomsten vanwege de mogelijke dubbeltellingen (zie Noten 11) met meer verstand en voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, het voordeel is dat het beeld van de afzonderlijke politieregio's wat scherper is.

Voor een analyse als deze, waarbij verdachten over een periode van zes jaar worden gevolgd, is het van belang dat de HKS-registraties zo volledig mogelijk zijn. Een onvolledige registratie kan onder meer betekenen dat de uitvalkansen worden overschat (zie Noten 12) of dat het aantal nieuwkomers wordt onderschat (zie Noten 13). Wij hebben helaas moeten concluderen dat in een paar politieregio's er gedurende één of meer jaren sprake was van onderregistratie. Ook zijn wij in alle 25 bestanden - in sommige wat meer dan andere - merkwaardigheden tegengekomen, zoals verdachten waarvan het eerste proces-verbaal op een tijdstip ver voor hun geboortedatum stond geregistreerd. Waar mogelijk zijn dergelijke gevallen 'gerepareerd' of uit de analyse weggelaten. (zie Noten 14)

3. Uitglijders, uitstappers en doorzetters

In het HKS wordt ook een etnische code genoteerd, gebaseerd op geboorteland plus nationaliteitscode. In onze analyses hebben wij een onderscheid gemaakt naar Nederlanders (67,8%), allochtonen (13,1%) en overigen (19,2%). De groep Nederlanders spreekt voor zich; tot de groep allochtonen rekenen wij Antillianen, Marokkanen, Surinamers en Turken. Dus de 'klassieke' doelgroep van het minderhedenbeleid. De groep overigen heeft een gemêleerde samenstelling, zij omvat in het buitenland wonende verdachten, in Nederland wonende buitenlanders als Duitsers, Engelsen en Amerikanen en personen uit vooral Oost-Europa en Afrika, die met de in de jaren negentig in gang gezette migratiegolf hier hun woon- en verblijfplaats hebben gevonden (zoals Joegoslaven, Russen, Nigerianen en Ethiopiërs).
In de periode tot en met 2001 bouwden de 309.754 personen samen 457.354 antecedenten op (gemiddeld 1,5 antecedent per persoon) en pleegden zij in totaal 679.104 feiten (gemiddeld 2,2 per persoon). Het merendeel hiervan bestaat uit vermogensdelicten (41%), gevolgd door openbare orde en vernieling (16%), geweldsdelicten (15%), dronken rijden (12,5%), overige verkeersmisdrijven (5%) en opiumwetdelicten (3,5%).

In deze veelheid aan gegevens is gezocht naar maximaal onderscheidende kenmerken: zijn er groepen verdachten aan te wijzen waarbij de uitvalkansen sterk verschillen, of anders gezegd: waarvan de badkuipcurves een ander verloop hebben.

Uitglijders: degenen die slechts één antecedent hebben

Voor ruim 77% (240.000 personen) van de beschouwde groep verdachten betekent het eerste antecedent tevens het laatste; zij werden tot en met 2001 niet nog eens geregistreerd. Doorgaans zal dat zijn omdat men geen de-licten meer pleegt; het delict was een eenmalige vergissing, een "uitglijder" als het ware.
De uitvalkans van 77% na het eerste antecedent geldt niet voor iedereen. Vrouwen die een verkeersmisdrijf ple-gen zien we zelden terug - zij hebben een uitvalkans van bijna 90% - , evenals plegers van sexuele delicten (zie Noten 15). De uitvalkansen van een aantal groepen staan vermeld in tabel 1.

Tabel 1: uitvalkansen na het eerste antecedent
mannen75,6%
vrouwen84,8%

12 t/m 14 - jarigen49,7%
15 t/m 17 - jarigen57,7%
volwassenen81,6%

Nederlanders78,6%
allochtonen68,0%
overigen79,3%

Totaal77,4%


De tabel geeft ook aan dat de uitvalkansen van Nederlanders en de groep 'overigen' nauwelijks van elkaar verschillen, zij bedragen bijna 80%. De uitvalkans na het eerste delict ligt voor allochtonen lager, namelijk op 68%.

Badkuipcurves voor de oudste en jongste groep, staan afgebeeld in figuur 3(zie Noten 16).

De rode blokjes in de grafiek geven de uitvalkansen weer van personen die op een leeftijd van achttien jaar of ouder voor het eerst met de politie in aanraking kwamen. Te zien is, dat de uitvalkansen in het begin relatief hoog zijn. Bij de volwassenen komt zo'n zeventig procent van de personen na de eerste arrestatie niet terug: een uitvalkans van 70%. Na twee en drie antecedenten liggen de uitvalkansen op iets meer dan veertig resp. dertig procent. Duidelijk is te zien dat de badkuipcurve voor degenen die op 14-jarige leeftijd of jonger voor het eerst met de politie in aanraking kwamen (de blauwe driehoekjes) een wat andere vorm heeft. Voor jeugdigen zijn de uitvalkansen na één, twee of drie antecedenten aanmerkelijk lager dan die van volwassenen. Anders gezegd, de kans dat jeugdigen (na een eerste politiecontact) recidiveren is aanmerkelijk hoger dan voor volwassenen. Ook treedt de burnout (het rechter deel van de curve) wat later op dan bij de volwassen begonnen verdachten.

Voor een aantal politieregio's (zie Noten 17) is nader geanalyseerd of en in hoeverre het type eerste delict bepalend was voor de uitvalkansen. Uit die analyses bleek dat dat nauwelijks het geval was. Het maakt voor de algemene uitvalkansen weinig uit of het eerste delict waarvoor een verdachte wordt aangehouden, een gewelds- of een vermogens-delict was. Wel kwam naar voren dat bij personen die voor de eerste maal vanwege een verkeersdelict zijn aangehouden, de kans op herhaling relatief klein was. Ook de uitvalkansen van personen die vanwege een zedendelict zijn aangehouden, bleken relatief hoog te zijn (zie Noten 19).

Uitstappers en doorzetters

Ook bij de 70.000 doorstromers zijn de uitvalkansen na twee of drie antecedenten hoog: vrij veel mensen stappen uit de criminaliteit voordat er sprake is van een echte criminele loopbaan. Nog geen 10% van deze groep bouwt in de beschouwde periode zes of meer antecedenten op (met een maximum van 84 geregistreerde antecedenten - dat komt in zes jaar neer op gemiddeld meer dan één arrestatie per maand). In tabel 2 wordt een aantal kenmerken van de onderscheiden groepen gegeven.

Tabel 2a: uitglijders, uitstappers en doorzetters naar leeftijd eerste delict ...
aantal antecedententotale groep<= 1415 - 17>= 18
1 (uitglijders)239.658*77,4%8.06449,7%19.46057,7%212.13481,6%
2 t/m 5 (uitstappers)63.94520,6%6.46739,9%12.30536,5%45.17317,4%
6 of meer (doorzetters)6.1402,0%1.69310,4%1.9355,7%2.5121,0%
Totaal309.743100%16.224100%33.70099,9%259.819100%
* van 11 personen in deze groep was de leeftijd bij het eerste delict niet bekend
Tabel 2b: ... en etniciteit
aantal antecedententotale groepNederlandersallochtonenoverigen
1 (uitglijders)239.66977,4%165.10678,6%27.51868,0%47.04579,3%
2 t/m 5 (uitstappers)63.94520,6%41.72619,9%11.07127,4%11.14818,8%
6 of meer (doorzetters)6.1402,0%3.1331,5%1.8614,6%1.1461,9%
Totaal309.754100%209.965100%40.450100%59.3396100%

We zien dat van de totale groep ruim 77% slechts één antecedent heeft (de eerder beschreven uitglijders); een kleine 20 % heeft 2 tot 5 antecedenten (de uitstappers) en slechts 2% heeft 6 antecedenten of meer opgebouwd in de beschouwde periode van 6 jaar; wij noemen hen de doorzetters. Dit beeld is - zie tabel 2a - echter geheel anders voor degenen die op zeer jonge leeftijd beginnen met het plegen van delicten: relatief weinigen stoppen na één antecedent, het aandeel personen met 2-5 antecedenten is met 39,9% bijna 2 keer zo groot als in de totale groep (20,6%), en ruim 10% van deze jongste groep groeit uit tot een doorzetter. Dit tegenover slechts 1% van degenen die op volwassen leeftijd hun eerste delict pleegden. De groep 15 - 17-jarigen valt hier precies tussen in. De leeftijd waarop het eerste delict gepleegd wordt, blijkt daarmee een ernstige risicofactor te zijn voor een beginnende criminele loopbaan.

Voor etniciteit (tabel 2b) geldt iets vergelijkbaars, zij het minder sterk dan voor de leeftijd ten tijde van het eerste delict: de allochtonen zijn ondervertegenwoordigd in de groep uitglijders en oververtegenwoordigd in de groep doorzetters.

Jong begonnen verdachten dreigen niet alleen dóór te gaan, maar zij bouwen ook sneller dan anderen een (groot) aantal antecedenten op. In figuur 4 is voor twee leeftijdsgroepen, het aantal antecedenten afgezet tegen de carrièreduur. Naarmate een criminele loopbaan langer duurt, wordt het aantal antecedenten voor beide groepen groter. Dat is logisch: men heeft immers langer de kans om gearresteerd te worden. Het aantal antecedenten van de jongste leeftijdsgroep ligt echter over de hele linie boven dat van de volwassenen. Volwassenen die zes jaar doorgaan bouwen in die tijd gemiddeld zo'n 5 antecedenten op; bij de jongste leeftijdsgroep ligt dat (de trendlijn volgend) op 8 antecedenten. Dat niet alleen; waar het aantal antecedenten bij de volwassenen gestaag toeneemt met de duur van de carrière (voor de liefhebbers: de trend is een rechte lijn), stijgt het aantal antecedenten voor de jong-begonnenen exponentieel. Zij zijn, kortom, de veelplegers van morgen.

Na het voorgaande hoeft het niet te verbazen dat een extra risico gelegen is bij de jong begonnen mannelijke allochtonen (zie Noten 20). Deze groep is niet groot - het betreft een aanwas van zo'n 900 man per jaar - maar de uitvalkansen na het eerste antecedent liggen op slechts 30%. Wanneer het eerst-gepleegde delict bovendien een geweldsdelict is, daalt het uitvalpercentage naar circa 15%. Anders gezegd: van deze groep weten we bijna zeker, dat we ze terug zullen zien. Dat met name jeugdige allochtonen een sterk verhoogd risico op herhaling kennen is overigens geen nieuw feit; in eerdere studies is daar reeds op gewezen (zie Noten 20).

4. Burnout

Hoe ziet de groep verdachten er uit die na een (langdurige) criminele loopbaan stoppen met het plegen van de-licten? In deze paragraaf wordt het fenomeen 'burnout' nader behandeld: de rechterkant van de badkuipcurve, waar de kansen op uitval weer toenemen. Wij veronderstellen daarbij dat verdachten zijn gestopt met hun criminele activiteiten wanneer zij in de periode 1996 -1998 (en daarvóór) nog wel, maar daarna niet meer met een antecedent in de HKS-registraties voorkomen. Zij zijn dus tenminste drie jaar lang niet meer gearresteerd.

5. Verschillen tussen politieregio's


Er is dus niet één voor alle politieregio's geldend model badkuipcurve. Zij verschilt in meer of mindere mate van regio tot regio. Daarvoor zijn twee mogelijke verklaringen. Ten eerste kunnen verschillen in gerichtheid van de opsporing leiden tot verschillen in uitvalkansen tussen politieregio's, en daarmee tot verschillen in de vorm van de badkuipcurve. Bij korpsen die zich relatief meer richten op de zogenaamde haaldelicten (met name verkeersdelicten), zou men dan relatief hoge uitvalkansen kunnen verwachten. De kans is immers niet zo groot dat men voor een tweede keer voor dronken rijden gepakt wordt. Deze veronderstelling is niet uitvoerig getoetst, er zijn wel aanwijzingen dat zij tot op zekere hoogte stand kan houden. In regiokorpsen waar sprake is van relatief hoge uitvalkansen, is veelal ook sprake van oververtegenwoordiging van verdachten van verkeersmisdrijven. En omgekeerd: waar de uitvalkansen relatief laag zijn, zijn er weinig verdachten van verkeersmisdrijven.

Verschillen in samenstelling van de bevolking bieden een tweede mogelijke verklaring voor de verschillen in uitvalkansen tussen de 25 politieregio's. Jeugdige first offenders hebben lagere, minder gunstige, uitvalkansen dan volwassen nieuwkomers. De veronderstelling dat het relatieve aandeel van 12 tot 18 jarigen in de bevolking effect heeft op de vorm van de badkuipcurve is dan voor de hand liggend. Een goede illustratie daarvan vormt Flevoland, de politieregio met procentueel de meeste jongeren in de bevolking. Landelijk maken jeugdigen 16% van de nieuwkomers uit, in Flevoland bedraagt dat percentage 26. De vorm van de badkuipcurve daar wordt beïnvloed door de samenstelling van de populatie (zie Noten 22). Eenzelfde effect, maar dan in mindere mate is te zien bij de regio's IJsselland en Twente.

Naast leeftijd was ook etniciteit een relevant gegeven voor de hoogte van de uitvalkansen; deze liggen voor allochtonen lager dan die voor de groep Nederlanders en overigen. Dat speelt vooral in de in het westen van het land gelegen politieregio's en dan met name in de politieregio's waar de vier grote steden liggen (zie Noten 23).

Politieregio's verschillen dus naar relatieve omvang van de hier geïdentificeerde risicogroepen. Demografische prognoses geven aan dat die verschillen in de nabije toekomst niet zullen verminderen.

6. Beleidsmatige implicaties

Uitvalkansen zijn ongelijk verdeeld, een groot deel van de nieuwkomers stopt na een eerste antecedent, anderen gaan voor kortere of langere tijd door. Ook zijn er verdachten die na een aanmerkelijke criminele carrière om allerlei redenen stoppen met het plegen van misdrijven. De badkuipcurve brengt dat mooi in beeld. Maar dat niet alleen. De badkuipcurve stelt ons mede in staat interventies vanuit een kosten-effectiviteits perspectief te benaderen. Op basis van de badkuipcurve kunnen we een inschatting maken of de kosten van een interventie opwegen tegen het (verwachte) rendement, te weten het aantal niet gepleegde misdrijven vanwege die interventie.


  1. Wat is het aantal misdrijven dat (verdachte) personen in de toekomst mogelijk kunnen plegen (hebben wij te maken met een potentiële veelpleger of met iemand die binnen afzienbare tijd stopt?). Dit noopt tot een kri-tisch bezien van bestaande beelden van daders (veelplegers, first offenders), én men moet zich een voorstel-ling maken van toekomstige criminele activiteiten van daders.

  2. Wat is het meest geëigende moment van interventie?

  3. Wat is de kans dat een op gedragsverandering gerichte interventie succes heeft (is de persoon vatbaar voor invloeden van buitenaf of niet; is de persoon 'institution wise' en maakt hij gebruik van het aanbod van di-verse instellingen naarmate het hem uitkomt?)

Wanneer licht?

Een eerste bevinding op grond van de voorgaande analyses en vanuit het kosten-effectiviteitsperspectief, is dan dat men bij nieuwkomers - het begin van de badkuipcurve - niet te snel en niet hard behoeft in te grijpen. Een forse inzet op de groep first offenders als totaal lijkt niet wenselijk. Voor een groot deel van die groep zijn de uitvalkansen hoog (77%), zij recidiveert niet. Op het vergroten van uitvalkansen gerichte maatregelen (bijvoorbeeld in de vorm van programma's) zijn gezien de omvang van die groep betrekkelijk ongericht en naar verhouding kostbaar, het effect daarvan zou in hoge mate diffuus zijn. Inzet moet gericht zijn op risicogroepen, waarover later meer.

De inzet van veel mensen en middelen heeft weinig kans van slagen bij díe verdachten, die het 'point of no return' voorbij zijn; waar de criminele loopbaan al een dusdanige vorm heeft aangenomen dat van ontvankelijkheid voor invloeden van buitenaf (bijvoorbeeld van hulpverleners) geen sprake meer is. Kennelijk is de criminaliteit een vast onderdeel geworden van de levensstijl van die personen, die ook qua gezondheid nog kunnen doorgaan. Men, d.w.z. de instanties, kan er niets meer mee. De bodem van de badkuipcurve is bereikt. Die situatie doet zich na 15 à 20 antecedenten voor, na dat punt kan men op het voorkomen van herhaling gerichte interventies als vrijwel kansloos beschouwen. Verdachten zijn dan 'onverbeterlijk'. Deze groep 'onverbeterlijke' verdachten leidt een actief crimineel bestaan, gepaard gaand met veel overlast en veel schade. Zij duiken onder allerlei benamingen op in de onderzoeksrapporten, de media en beleidsstukken: veelplegers, meerplegers, draai-deurcriminelen, stelselmatige daders, etc. Uiteraard is het zo dat steeds een klein percentage (rond de 5%) 'onverbeterlijken' stopt met criminele activiteiten. Dat dat gebeurt kan echter eerder worden gezien als toeval of het gevolg van mogelijk veranderde persoonlijke omstandigheden (zie Noten 24) dan als het effect van interventies. De maatschappij is het meest gebaat bij 'onschadelijkmaking' van deze groep door (langdurige) opsluiting in een sober regiem. Uitgebreide en intensieve op reïntegratie gerichte programma's en maatregelen voor die groep hebben weinig kans van slagen en zijn daarmee weinig kosten-effectief (zie Noten 25).

Vanuit dat kosten-effectiviteit perspectief blijkt ook dat een hoge inzet van mensen en middelen op de zogenaamde burnout groep en de groep die zich net in de fase daarvoor bevindt, relatief ineffectief is. Uit de hier gepresenteerde analyse blijkt dat veel leden van deze groep, die zich kenmerkt door een relatief hoge leeftijd, een lang durende criminele carrière en drugsverslaving (zie paragraaf 4) sowieso binnen afzienbare tijd stoppen met hun criminele activiteiten. Op het terugdringen van recidive en op gedragsverandering gerichte intensieve maatregelen en programma's voor deze groep lijken niet kosten-effectief. Een voorbeeld hiervan is de Maatregel strafrechtelijke opvang verslaafden (SOV), die een gedragsverandering beoogt bij hardnekkig (criminele) verslaafden. De kenmerken van deze doelgroep, zo blijkt uit een evaluatie van de SOV-maatregel in Rotterdam (zie Noten 26), komen vrijwel geheel overeen met de kenmerken van de in paragraaf 4 geschetste groep uitgeblusten: een gemiddelde leeftijd van 38 jaar, een langdurige loopbaan met veel antecedenten en (uiteraard) drugsverslaafd. Natuurlijk blijft overeind dat deze groep verantwoordelijk is voor aanmerkelijke overlast en meerdere misdrijven en dat vermindering van die overlast en voorkoming van die misdrijven is geboden. Dat zou wellicht echter ook, omdat de leden van die groep al op weg zijn naar het einde van hun loopbaan, kunnen worden gerealiseerd door het beschikbaar stellen van een redelijk sobere voorziening met lichte begeleiding. Met een dergelijke voorziening, laten wij het een bed, bad en brood voorziening noemen, wordt waarschijnlijk tegen minder kosten hetzelfde effect bereikt.

Wanneer stevig?

De inzet van justitie moet zich vooral richten op díe personen die een hoog risico vormen, nog niet tot volledige 'criminele ontplooiing' zijn gekomen en waar interventies nog een redelijke kans van slagen hebben. In de analyses lijkt voor verdachten in zijn algemeenheid na circa zes antecedenten een kritische grens bereikt: het overgrote deel van de verdachten is dan al uitgevallen, maar deze groep dreigt door te gaan. Zij staan aan het begin van een criminele loopbaan maar zijn mogelijk nog te beïnvloeden.

Zeer jeugdige verdachten vormen een zeer duidelijke risicogroep; de uitvalkansen na het eerste antecedent liggen aanmerkelijk lager dan bij volwassenen. Uit figuur 4 bleek bovendien dat de snelheid waarmee jeugdigen doorgroeien tot volwaardige criminelen veel hoger is dan die van volwassenen. Veel jeugdige criminelen zijn al na zeer korte tijd voorbij het 'point of no return'. Hier is het dus zaak, eerder dan bij andere verdachten stevig in te grijpen; niet na zo'n zes antecedenten, maar al bij de tweede of derde arrestatie. In het bijzonder voor deze groep is het zelfs de vraag of door politie, OM, Jeugdreclassering, Kinderbescherming en anderen ondernomen acties vanwege één of enkele vergrijpen niet al te laat komen; of meer nadrukkelijke actie in aan justitiële interventie voorliggende trajecten als STOP, HALT of (civiele) jeugdzorg niet eerder geboden is.

Het is - zeker bij jeugdigen - noodzakelijk snél in te grijpen in een zich anders verder ontwikkelende criminele loopbaan. Dat veronderstelt een gerichte informatievoorziening en -uitwisseling gekoppeld aan een tijdige besluitvorming. Het voorziene casusoverleg (zie Noten 27) tussen OM, politie en Kinderbescherming is hiervoor gedacht. Met deze voorziening moet het mogelijk worden de informatie snel op tafel te krijgen op grond waarvan duidelijk is óf er daadwerkelijk actie is geboden en welke vorm deze moet aannemen. Signalen van de politie zijn daarbij zeer belangrijk. De politie is de instantie die de buurt kent, weet wat er voorvalt. Wijkteams en gebiedsgebonden functionarissen kennen hun klanten bij naam en toenaam, houden de informatie daarover bij en zijn als professionals in staat aan te geven wanneer en bij wie tot handelen moet worden overgegaan. Minder ambtelijk, zij zijn in staat aan te geven wanneer het tijd is dat 'iemand van de straat wordt gehaald (zie Noten 28)'. Als dat signaal er is, dan zal er ook zo snel mogelijk gehoor aan moeten worden gegeven (zie Noten 29). Het spreekt voor zich dat - gezien de wenselijkheid van een snelle reactie - als de beslissing tot interventie eenmaal genomen is, de uitvoering daarvan gelijk ter hand genomen moet worden.


  1. Sterftekansen en daarmee de vorm van de curve worden uiteraard ook bepaald door het welvaartsniveau en/of de gezondheidszorg in een land. In derde wereldlanden heeft zij een ander verloop dan in West-Europese.

  2. WTCM (Jan Kempenaers).

  3. In politie-termen en in het HKS spreekt men van "antecedenten". Bij één antecedent, kan iemand meerdere delicten (feiten) bekennen. Het aantal gepleegde delicten is dan ook meestal groter dan het aantal antecedenten

  4. William Spelman: Criminal incapacitation. Plenum Press, New York, 1994.

  5. Ook wel genoemd de www-factor: werk, wijf en woning.

  6. Voor de liefhebbers: de hier gegeven curve is een combinatie van drie Weibull functies die beschreven kan worden met behulp van de formule p = .05 + .07X*-1.013 + .0000003X*2.819. Hierin is p de uitvalkans en X het aantal antecedenten. Het is hierbij goed, te bedenken dat de groep verdachten - zeker in het begin - in rap tempo kleiner wordt. Als we met 1.000 verdachten beginnen en de uitvalkansen na 1, 2 en 3 antecedenten zijn respectievelijk 70, 40 en 30 procent, dan zijn er daarna nog slechts 126 verdachten over (na één antecedent 300; na twee 180, na drie 126) die doorgaan met het plegen van delicten.

  7. Omdat in Nederland de ondergrens voor strafrechtelijke vervolging op 12 jaar is gesteld, kunnen personen die jonger zijn dan 12 jaar, in het HKS niet als verdachte geregistreerd worden.

  8. De HALT-afdoeningen worden in aparte bestanden geregistreerd. Deze zijn in onze analyses buiten beschouwing gelaten.

  9. Voor dergelijke uitspraken is een koppeling van allerlei justitiële en politiële gegevensbestanden noodzakelijk.

  10. Meestal de politieregio van hun woonplaats.

  11. Volgens de dNRI betreft dit een kleine 8 % van de verdachtenpopulatie.

  12. Stel dat een verdachte in 1996 als nieuwkomer wordt aangemerkt en dat deze persoon in 1999 weer vanwege een misdrijf door de politie wordt opgepakt maar dat dit niet in HKS wordt geregistreerd. In dat geval wordt de persoon als 'uitvaller' gerekend (volgens de registratie heeft hij immers geen delicten meer gepleegd) terwijl wij in feite met een recidivist te maken hebben.

  13. Een persoon krijgt voor de eerste maal een proces verbaal, dat echter niet in HKS wordt geregistreerd.

  14. Het gaat hier om één promille van alle verdachten.

  15. Dit omvat een scala aan delicten, van "potloodventen" tot verkrachting. Voor een deel van deze groep verdachten zal het insluitingseffect een rol spelen.

  16. Gebaseerd op de gegevens van politieregio Noord- en Oost Gelderland; een vergelijkbaar patroon wordt overal aangetroffen.

  17. Vanwege de bewerkelijkheid van die analyses is dit - omdat het beeld consistent bleek - niet voor alle politieregio's gedaan.

  18. Zie voetnoot 15

  19. Ter herinnering: gedefinieerd als Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers.

  20. Voor een overzicht, zie: Bureau Driessen. Zeg me wie je vrienden zijn. Allochtone jongeren en criminaliteit. Politie en Wetenschap, Apeldoorn, 2002.

  21. Van Kooten en De Bie, jaar

  22. Het is uiteraard ook mogelijk dat een hoog percentage jeugdige verdachten het gevolg is van een op jeugdigen gericht opsporingsbeleid. De eerste verklaring speelt dan een rol. Wij hebben echter geen analyses uitgevoerd waarbij tegelijkertijd werd gekeken naar én het mogelijke effect van een gericht opsporingsbeleid én van de samenstelling van de populatie.

  23. Drie op de tien inwoners van de vier grote steden is allochtoon, in de overige steden van 100.000 inwoners of meer is dat één op de tien, elders is de ratio lager. Zie CBS. Allochtonen in Nederland 2002. Voorburg/Heerlen, 2002.

  24. De www-factor: werk, wijf en woning.

  25. Zie ook W.M. Kleiman en G.J. Terlouw: Kiezen voor een kans. WODC, Den Haag, 1997

  26. B.Bieleman, S.Biesma, M.Jetzes, A de Jong en V. de Valk. Opgevangen onder drang. Evaluatie SOV-drang in Rotterdam. Intraval, Gro-ningen, 2002.

  27. Actieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003-2006. Ministerie van Justitie, 2003.

  28. Dat hoeft overigens niet altijd via een strafrechtelijke interventie te zijn; soms kan ook een civielrechtelijk ingrijpen wenselijk zijn.

  29. Dit kan ten koste gaan van de ambitie maatwerk te willen leveren: het delict maar ook de voorgeschiedenis, achterliggende (gezins)problematiek, het sociale milieu, de onderwijssituatie, de woonsituatie, de pedagogische vooruitzichten etc dienen mee te wegen bij de beoordeling van de jeugdige en de vormgeving van de uiteindelijke interventie. De eisen van snelheid en maatwerk staan op gespannen voet met elkaar. Voor deze groep is snelheid van handelen echter te prefereren; een "quick scan" zal dan moeten volstaan.

  30. Van Gemert en Fleisher. In de greep van de groep: een onderzoek naar een Marokkaanse problematische jeugdgroep. Amsterdam, Regio-plan, 2002.

  31. Effectief optreden tegen criminaliteit - een praktische strategie. Goed Beschoud, Openbaar Ministerie, Den Haag, 2002

  32. Hardleers joch komt met alles weg. Het Parool, 26-02-2003.
Even geduld aub.
Naar boven
Verklaar Jargon
Jargon Verklaard
Geen vakjargon termen gevonden

Zoeken