Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO
artikelen 553 en 570 Sv
Artikel 553 Sv bepaalt dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie (OM) dan wel op voordracht van het OM door de minister van Justitie. Artikel 570, eerste lid, aanhef en onder e, Sv, schrijft voor dat de invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de inrichting [1], zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting heeft verstrekt. Deze wettelijke regeling inclusief de administratieve afwikkeling en het daarmee gepaard gaande tijdsverloop is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europese Hof te Straatsburg (onder andere de uitspraak van het EHRM van 1 juli 1997 (Manzoni tegen Italië, nr. 70/1996/689/881).
De aanleiding voor de wijziging van deze aanwijzing is de aanpassing van het model bevel onmiddellijke invrijheidstelling en voorts de wens om de bijlagen 1, 3A en 3B niet langer onderdeel te laten uitmaken van de aanwijzing.
Voortaan wordt alleen nog gebruik gemaakt van het aangepaste model bevel onmiddellijke invrijheidstelling. Het model bevel zal worden opgenomen in de bedrijfsprocessensystemen. Tot die tijd is het model bevel te vinden in JKS > Kennisdomeinen > Executie/afdoening > Documenten.
De lijsten met de adres- en contactgegevens van de penitentiaire inrichtingen respectievelijk de justitiële jeugdinrichtingen (de voormalige bijlagen 3A en 3B) zijn geschrapt. Actuele adres- en contactgegevens van de inrichtingen zijn te vinden op: http://www.dji.nl/Organisatie/Locaties/Penitentiaire-inrichtingen/ en http://www.dji.nl/Organisatie/Locaties/Justitiele-jeugdinrichtingen/.
De voormalige bijlagen 2Aen 2B (werkinstructies onmiddellijke invrijheidstelling buiten kantoortijden voor meerderjarigen respectievelijk jeugdigen [2]) zijn samengevoegd , waarbij afwijkende regelingen voor meerderjarigen/jeugdigen uitdrukkelijk zijn benoemd, en vernummerd als bijlage 1. De werkinstructies zijn inhoudelijk en processueel niet gewijzigd.
Deze aanwijzing bevat gedragsregels voor het OM in geval de zittingsrechter (inclusief de raadkamer) de opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis heeft bevolen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte heeft gelast.
1. Artikelen 553 en 570 Sv: beleidsruimte voor het
OM
Op basis van de artikelen 553 en 570 Sv wordt het bevel
onmiddellijke invrijheidstelling/schorsing van de voorlopige
hechtenis niet in de zittingszaal geëxecuteerd, maar in de
inrichting.
Met de tenuitvoerlegging van dit bevel is vanwege de administratieve afhandeling enige tijd gemoeid. In het kader van deze administratieve afwikkeling wordt verdachte eerst teruggebracht naar de inrichting. Het is vervolgens de directeur van de inrichting die op basis van het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling de verdachte daadwerkelijk in vrijheid stelt. Wanneer op dat moment blijkt dat er een aansluitende titel voor vrijheidsbeneming is, wordt verdachte niet in vrijheid gesteld.
Titels voor voortdurende vrijheidsbeneming kunnen bestaan in:
Aangezien de aansluitende executie van de vervolgstraf van
rechtswege plaatsvindt, hoeft verdachte niet opnieuw te worden
aangehouden. Wanneer de voorlopige hechtenis op last van de
zittingsrechter is geschorst (bijvoorbeeld in verband met
persoonlijke omstandigheden of in het kader van de executie van
een bijzondere voorwaarde) en er blijken vervolgstraffen te zijn,
overlegt de advocaat-generaal/officier van justitie met de
executie-advocaat-generaal/executie-officier van justitie van het
executerende (ressorts)parket over de vraag of de executie van de
vervolgstraffen eveneens kan worden geschorst/opgeschort. De
uitkomst van dit overleg wordt zo spoedig mogelijk door
advocaat-generaal/officier van justitie van het executerend
parket aan de inrichting meegedeeld.
2. Procedure bij een behandeling van de zaak door de
zittingsrechter
Wanneer de zittingsrechter heeft bepaald dat de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang wordt opgeheven, maakt de advocaat-generaal/de officier van justitie ter plekke een bevel onmiddellijke invrijheidstelling op en ondertekent dit. In alle zaken die zijn verwerkt in de bedrijfsprocessensystemen maakt de advocaat-generaal/de officier van justitie gebruik van het model bevel onmiddellijke invrijheidstelling [3].
Het ondertekende bevel wordt onverwijld gefaxt naar het bureau bevolkingsadministratie van de betreffende inrichting. Om te voorkomen dat de fax buiten kantooruren op een onbemande fax / afdeling terechtkomt, wordt ook telefonisch doorgegeven dat er een bevel onmiddellijke invrijheidstelling gefaxt wordt en afgesproken naar welk nummer de fax gezonden dient te worden. Tevens wordt een kopie van het bevel meegegeven aan de vervoersdienst. De vervoersdienst geeft deze kopie af aan het dienstdoend personeel van de inrichting. Het originele bevel wordt in het (digitale) strafdossier gevoegd.
In geval van schorsing van de voorlopige hechtenis wordt het rechterlijk schorsingsbevel bij voorkeur gelijktijdig met het bevel invrijheidstelling vrijgegeven voor executie en aan de inrichting gefaxt, met het verzoek dit bevel aan de verdachte uit te reiken/te betekenen. Zo wordt voorkomen dat verdachte in vrijheid wordt gesteld voordat de schorsingsvoorwaarden in persoon betekend zijn.
3. Procedure bij een behandeling van de zaak in raadkamer
Wanneer de raadkamer een vordering gevangenhouding of een vordering verlenging van de gevangenhouding heeft afgewezen, betekent dit niet dat verdachte onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. Het lopende bevel bewaring of gevangenhouding is immers nog van kracht, tenzij de rechter in de beschikking heeft bepaald dat de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang wordt opgeheven. Wanneer de rechter de voorlopige hechtenis schorst, gaat de schorsing in de regel in op de dag na de raadkamerbehandeling. Meestal geeft de rechter in de beschikking aan op welk moment de schorsing ingaat.
De onder 2 beschreven procedure wordt uitsluitend in die zaken gevolgd waarin:
a. de raadkamer onmiddellijk en in aanwezigheid van de verdachte uitspraak doet en de voorlopige
hechtenis met onmiddellijke ingang opheft, én;
In alle andere gevallen wordt de beschikking diezelfde dag door de administratie van de afdeling preventieven van het betreffende parket dan wel door de raadkameradministratie naar de inrichting gefaxt.
4. Procedure invrijheidstelling
De verdachte wordt zo spoedig mogelijk na het uitspreken van de opheffing / schorsing van de voorlopige hechtenis naar de inrichting vervoerd.
Wanneer er geen vervolgstraffen zijn en betrokkene Nederlander is dan wel een verblijfsstatus in Nederland heeft, wordt hij na aankomst in de inrichting dezelfde dag nog in vrijheid gesteld, na de gebruikelijke uitschrijvingsprocedure. De inrichting voorziet in dat geval betrokkene zo nodig van financiële middelen om met het openbaar vervoer zijn huis/verblijfadres te bereiken.
5. Verdachte is tevens vreemdeling
Indien de verdachte tevens vreemdeling is, en er te zijnen aanzien geen voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen of arresten zijn die vrijheidsbeneming impliceren, dient de inrichting betrokkene onverwijld aan de vreemdelingendienst van de woon-/verblijfplaats (indien niet bekend: de vreemdelingendienst van de gemeente waar de vreemdeling verblijft) over te dragen, ten einde een onderzoek naar de verblijfsstatus mogelijk te maken of (indien dit onderzoek reeds heeft plaatsgevonden), in vreemdelingenbewaring te stellen op grond van art. 59 vreemdelingenwet 2000.
Aanleiding
De toenmalige minister van Justitie heeft in 2006, in reactie op Kamervragen, de Tweede Kamer laten weten dat voor vrijheidsbeneming ná de dag waarop het bevel invrijheidstelling is gegeven, geen grondslag bestaat:
"Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat van de verdachte in het algemeen kan worden gevergd dat hij mee teruggaat naar de inrichting voor de afwikkeling van het bevel. Ik stel voorop dat regel is dat het bevel in ieder geval dezelfde dag ten uitvoer wordt gelegd. Voor vrijheidsbeneming na ommekomst van de dag waarop de invrijheidstelling is bevolen is geen grondslag aanwezig.
In het algemeen geldt dus niet dat aan een bevel tot opheffing of schorsing van voorlopige hechtenis à la minute dient te worden voldaan en dat het voortduren van vrijheidsbeneming meteen daarop onrechtmatig wordt. (Vgl. ook de uitspraak van het EHRM van 1 juli 1997 (Manzoni tegen Italië, nr. 70/1996/689/881), waarin een oponthoud van 3,5 uur voor daadwerkelijke invrijheidstelling geen schending van artikel 5 EVRM werd geoordeeld.) De mogelijkheid bestaat dat de rechter in het concrete geval weliswaar heeft beslist dat er geen titel meer aanwezig is voor het voortduren van de voorlopige hechtenis, maar dat vrijheidsbeneming op een andere titel moet worden ten uitvoer gelegd. [...]
Ik meen dat geen aanvullende wettelijke regeling nodig en wenselijk is voor het kort ophouden van een verdachte voor het vervoer naar de inrichting, met dien verstande dat dit vervoer zo spoedig mogelijk plaatsvindt en de penitentiaire inrichting de benodigde procedures kan afhandelen. De invrijheidstelling kan dan zo spoedig mogelijk plaats vinden." [4]
De minister heeft de hoofddirecteur DJI gevraagd om in overleg met het College van procureurs-generaal maatregelen te nemen die ertoe leiden dat de invrijheidstelling zo spoedig mogelijk kan plaatsvinden en de penitentiaire inrichtingen de benodigde procedures kunnen afhandelen. Naar aanleiding hiervan zijn werkinstructies opgesteld voor de onmiddellijke invrijheidstelling buiten kantoortijden van meerderjarigen uit penitentiaire inrichtingen respectievelijk jeugdigen uit justitiële jeugdinrichtingen. Deze zijn nu samengevoegd in onderstaande werkinstructie, waarbij afwijkende regelingen voor meerderjarigen/jeugdigen uitdrukkelijk zijn benoemd.
Werkinstructie onmiddellijke invrijheidstelling buiten kantoortijden
Ook staat op het bevel een telefoonnummer waarop het Openbaar Ministerie na kantoortijden bereikbaar is voor eventueel overleg. Desgewenst vermeldt het Openbaar Ministerie op het bevel of er sprake is van bijzonderheden, zoals begeleid vervoer (bijvoorbeeld bij opname in een kliniek).
4. De in de penitentiaire inrichting/de justitiële
jeugdinrichting aanwezige leidinggevende (afdelingshoofd of
wachtcommandant/andere hiertoe gemachtigde) die het bevel tot
onmiddellijke invrijheidstelling per fax ontvangt,
controleert het faxnummer waarvan het bevel afkomstig is. Ook
controleert hij of de transportmedewerker een kopie van het
bevel heeft.
Na deze controle waarschuwt de leidinggevende de
geconsigneerde directeur.
5. Bij onmiddellijke invrijheidstelling van een
meerderjarige gedetineerde komt de geconsigneerde directeur
komt naar de penitentiaire inrichting. Bij onmiddellijke
invrijheidstelling van een jeugdige is er telefonisch overleg
met de geconsigneerde directeur. Indien de situatie hierom
vraagt kan de geconsigneerde directeur naar de justitiële
jeugdinrichting komen.
De directeur controleert aan de hand van het BVA-dossier/het
dossier van de Jongerenadministratie en de uitdraai van de
registratiekaart of er vervolgvonnissen of andere
insluitingstitels (bijvoorbeeld preventieve hechtenis)
aanwezig zijn.
Indien er vervolgvonnissen zijn en de voorlopige hechtenis is
opgeheven, dan wordt de gedetineerde/de
jeugdige ingesloten op grond van de nieuwe titel. Hiervoor is
geen nieuwe opdracht van het Openbaar Ministerie vereist. Het
schriftelijke bevel invrijheidstelling wordt nu niet ten
uitvoer gebracht en wordt alleen gebruikt ter beëindiging van
de vrijheidsbeneming in de zaak waarin uitspraak is
gedaan.
Indien er vervolgvonnissen zijn en de voorlopige hechtenis is
geschorst, bijvoorbeeld ten behoeve van
opname in een kliniek, dan neemt de geconsigneerde directeur
onmiddellijk telefonisch contact op met het Openbaar
Ministerie voor nader overleg. Het Openbaar Ministerie
beslist dan of de gedetineerde/de jeugdige in vrijheid wordt
gesteld of wordt ingesloten op grond van een
vervolgvonnis.
6. Indien er geen vervolgvonnissen zijn, dan controleert de
geconsigneerde directeur op de registratiekaart of de
gedetineerde/de jeugdige de Nederlandse nationaliteit bezit.
Is dat niet het geval, dan handelt de directeur
overeenkomstig het VRIS-protocol: de directeur neemt contact
op met de Vreemdelingendienst.
7. Indien op grond van voorgaande stappen geen bezwaar is gebleken, dan wordt de gedetineerde/de jeugdige nog dezelfde dag in vrijheid gesteld. De geconsigneerde directeur tekent hiertoe het bevel onmiddellijke invrijheidstelling.
Bij het in vrijheid stellen van een jeugdige gedurende de avonduren moet naar het tijdstip gehandeld worden: als de jeugdige zelf geen bezwaar heeft om nog een nacht in de inrichting door te brengen en/of indien er geen (openbaar) vervoer meer beschikbaar is, wordt de invrijheidstelling tot de volgende ochtend uitgesteld. Dit in overleg met de jeugdige en de afspraken worden vastgelegd en ondertekend door de jeugdige. Weigert de jeugdige akkoord te gaan met de extra nacht in de inrichting dan beslist de geconsigneerde directeur hierover.
8. De gedetineerde/de jeugdige kan in beginsel op eigen
gelegenheid de penitentiaire inrichting/justitiële
jeugdinrichting verlaten (ook bij invrijheidstelling ten
behoeve van een verblijf in een kliniek), tenzij door het
Openbaar Ministerie anders is aangegeven op het bevel. De
gedetineerde/de jeugdige wordt voorzien van middelen
(treinkaartje of geld), zodat hij in ieder geval zijn
verblijfsadres in Nederland kan bereiken.
9. Indien nodig, verricht de administratiemedewerker de
eerstvolgende werkdag de administratieve afhandeling van de
invrijheidstelling, bij voorkeur vóór 09.00 uur in verband
met het capaciteitsbeheer. De administratiemedewerker legt
daarbij alle verrichte handelingen schriftelijk vast in het
BVA-dossier/het dossier van de Jongerenadministratie.
10. Bij onmiddellijke invrijheidstelling van een jeugdige informeert de administratiemedewerker zo spoedig mogelijk maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag de gemeente waar de justitiële jeugdinrichting gevestigd is, dat de jeugdige in vrijheid is gesteld. De medewerker informeert eveneens zo spoedig mogelijk maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag (de casusregisseur van) de Raad voor de Kinderbescherming van de Raadslocatie gelegen in de regio van de justitiële jeugdinrichting, dat de jeugdige in vrijheid is gesteld.
[1] Onder inrichting wordt verstaan een
penitentiaire inrichting of een justitiële
jeugdinrichting.
[2] De term jeugdige(n) wordt hier gehanteerd
omdat uitsluitend gedoeld wordt op minderjarigen van 12 jaar
en ouder.
[3] Totdat het model bevel onmiddellijke
invrijheidstelling is ingebracht in de
bedrijfsprocessensystemen is het model bevel toegankelijk via
JKS > Kennisdomeinen > Executie/afdoening >
Documenten.
[4] TK 2005-2006, aanhangsel 1783, nr. 839