Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130, lid 4, Wet RO
De aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen wordt gewijzigd in verband met een aantal wijzigingen op het terrein van wet- en regelgeving, die consequenties hebben voor de afdoening van jeugdzaken (afschaffen Stop-maatregel, de wet versterking positie slachtoffers, rechtsbijstand bij politieverhoor). Ook op het beleidsterrein jeugd zelf zijn er ontwikkelingen geweest die een plek moeten krijgen in de aanwijzing (persoonsgerichte aanpak en erkende interventies, nazorg en gewijzigd ketenproces).
Ook de komende jaren wordt er fors ingezet op het thema jeugdcriminaliteit. Door uit de hand gelopen overlastsituaties met bijvoorbeeld problematische jeugdgroepen in probleemwijken, laait regelmatig de roep op een harde strafrechtelijke aanpak op. Het enkel en alleen inzetten van het strafrecht biedt echter geen oplossing voor de geconstateerde (vaak complexe en urgente) maatschappelijke problemen.
De inzet van het Openbaar Ministerie is er dan ook op gericht om betekenisvol aanwezig te zijn [1]. Het optreden van OM en netwerkpartners heeft alleen maatschappelijke betekenis als de interventies zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn voor slachtoffers, daders en hun omgeving. Snel reageren en tijdige inzet van zichtbare contextgebonden interventies, zodat burgers zien dat er wordt opgetreden [2].
Samen met partners zorgen voor interventies die zorgen voor tastbare normbevestiging en die de dader en de omgeving confronteren met de gevolgen van de daad.
Dat betekent onder meer inzetten op schadeherstel en effectieve op het gezin gerichte interventies. Dit vraagt ook bij de aanpak van jeugdcriminaliteit om meer aandacht voor investeringen aan de voorkant en een stevige inbedding van het jeugdstrafrecht in een netwerk van preventie en (na)zorg. Kern van de strategie is een gerichte inzet van het jeugdstrafrecht: niet zo laat mogelijk, maar selectief en precies op tijd met gevoel voor het relevante verschil voor de maatschappij. Dit kan soms ook betekenen dat zaken bewust buiten het strafrecht worden gehouden en ingrijpen langs andere (creatieve) wegen en partners verloopt.
Jaarlijks worden bijna 45.000 (geregistreerde) misdrijven gepleegd door minderjarigen, waarvan er ongeveer 17.000 worden afgedaan door de HALT-bureaus. De overige bijna 28.000 zaken komen door tussenkomst van de politie bij het Openbaar Ministerie. Deze aanwijzing geeft aan hoe daarmee moet worden omgegaan.
Het jeugdstrafrecht kent als algemeen uitgangspunt het voorkomen van recidive. Het jeugdstraf- en strafprocesrecht heeft een pedagogisch karakter. Op nationaal niveau blijkt dit uit een apart sanctiestelsel waarbij zoveel mogelijk interventies worden ingezet gericht op een positieve gedragsbeïnvloeding van de jeugdige, alsmede de formulering in het Wetboek van Strafvordering van een aantal aparte strafproceswaarborgen gericht op de speciale benadering van de jeugdige gedurende het strafproces. Op internationaal niveau blijkt de pedagogische aanpak van het jeugdstraf- en strafprocesrecht uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) en de algemene aanbevelingen van de Verenigde Naties via de Beijing Rules (1985), de Havana Rules (1990) en de Riyadh Guidelines (1990)
Het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht betekent dat beslissingen en handelingen richting de jeugdige verdachte, waaronder de toepassing van sancties en maatregelen er op gericht zijn de ontwikkeling van deze jongere te stimuleren, de jongere te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere criminele carrière.
Bij zorgen omtrent de opvoeding van de jeugdige dienen tevens civielrechtelijke maatregelen te worden overwogen. Afstemming van het civiele- en strafrechtelijke traject is in die gevallen noodzakelijk.
Strafrechtelijk optreden alléén is veelal ontoereikend om jeugdcriminaliteit terug te dringen. Strafrechtelijk optreden dient te worden ingebed in een keten van preventie en nazorg.
Dit vraagt om een evenwichtige, selectieve en tijdige toepassing van het jeugdstrafrecht. Enerzijds maakt het ingrijpende karakter van strafrechtelijke vervolging bij minderjarigen dat het OM een extra verantwoordelijkheid heeft voor de jongere. De gewetensontwikkeling bij jeugdigen is nog niet voltooid en zij zijn nog in sterke mate afhankelijk van de directe omgeving. Het uitgangspunt is dat de jongere leert van zijn fouten en een nieuwe kans moet krijgen. Het strafproces wordt dan gezien als aangrijpingspunt om een keerpunt bij de jongeren te bewerkstelligen.
Tegelijkertijd geldt ook dat jeugdcriminaliteit directe ingrijpende gevolgen heeft voor de omgeving en de maatschappij, schade kan toebrengen en gevoelens van onveiligheid te weeg kan brengen. Ook grenzen stellen hoort bij het opvoeden en opvoeden betekent ook gericht strafrechtelijk optreden indien nodig.
Deze aanwijzing bevat een regeling voor het effectief afdoen van strafzaken tegen jeugdigen alsmede een model procesbeschrijving.
1. Betrokkenen in het strafproces
Slachtoffers en benadeelden
Ook in het jeugdstrafrecht ondersteunt het Openbaar
Ministerie het slachtoffer in het uitoefenen van de volgende
rechten: [3]
In het jeugdstrafrecht is het wenselijk om de jeugdige
verdachte te laten inzien wat de gevolgen zijn geweest van zijn
strafbaar handelen. Zowel voor dader als slachtoffer moet de
afdoening zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn. Door de inzet
van herstelbemiddeling kan hieraan worden bijgedragen.
Benadeelden hebben belang bij vergoeding van de geleden schade.
Met dit belang dient rekening te worden gehouden bij de
afdoening, door de schadevergoeding onderdeel te laten uitmaken
van de Halt-afdoening, de OM-afdoening of de strafoplegging ter
zitting.
Ouders
In de opvoeding van jeugdigen spelen in de eerste
plaats de ouders een belangrijke rol. Zij dienen daarom actief te
worden betrokken bij het gehele strafproces tegen de jeugdige
verdachte. Ouders dienen steeds geïnformeerd te worden over de
beslissingen aangaande hun minderjarig kind. Zij behoren aanwezig
te zijn bij de strafzitting.
Zij kunnen belangrijke informatie verstrekken over de
persoonlijke omstandigheden van hun kind die relevant kan zijn
voor een adequate afdoening. Ouders dienen daartoe zo mogelijk te
worden gehoord.
Ketenpartners
Een belangrijke waarborg voor een goede bejegening
van de jeugdige verdachte is kennis van de ontwikkeling van
jongeren, kennis van de aparte juridische mogelijkheden en van
gedragsinterventies en vaardigheden om met jongeren om te gaan.
Er zijn daarom gespecialiseerde instanties, met name Halt, de
Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdreclassering en
justitiële jeugdinrichtingen.
Voor de overige ketenpartners, met name politie, rechterlijke
macht en advocatuur gelden ook bijzondere eisen voor een
opleiding en specialisatie in het jeugdstrafrecht.
Bij het Openbaar Ministerie (OM) worden jeugdstrafzaken behandeld
door daartoe speciaal opgeleide jeugdofficieren van justitie en
jeugdsecretarissen [4].
Ketenoverleg
Arrondissementale platforms jeugdcriminaliteit (APJ)
In elk van de arrondissementen fungeert een
Arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ),
waarin minimaal zitting hebben het OM (jeugdofficier,
voorzitter), de politie (jeugdportefeuillehouder), de Raad voor
de Kinderbescherming (teamleider of vestigingsmanager), de
jeugdreclassering, de directeur van het regionale HALT-bureau.
Veelal is ook het Nederlands Instituut voor Forensische
psychiatrie en psychologie (NIFP), de volwassenreclassering en
een in de regio gelegen justitiële jeugdinrichting
vertegenwoordigd. De kinderrechter is bij het Platform
aangesloten als toehoorder.
Doel van het platform is de afstemming te verbeteren rond de
aanpak van de jeugdcriminaliteit tussen de justitiepartners.
[5]
De APJ's vormen een overleg tussen de justitieketenpartners op
tactisch niveau, dat bij uitstek geschikt is om
landelijk beleid ingang te doen vinden op arrondissementaal
niveau en om lokaal de ketensamenwerking te versterken. Dit
impliceert een hoge mate van informatie-uitwisseling en het maken
van werkafspraken.
Het APJ is tevens verantwoordelijk voor sturing van het
Justitieel Casus Overleg.
Justitieel casusoverleg (JCO)
Het justitieel casusoverleg (JCO) is een
overleg tussen vertegenwoordigers van de (primaire)
ketenpartners: de politie, het OM en de Raad voor de
Kinderbescherming. Vertegenwoordiging van het Bureau Jeugdzorg
(jeugdreclassering) is gelet op zijn taken in de
jeugdstrafrechtketen dringend gewenst.
Fig. 1 Justitieel Casusoverleg (JCO)
Het casusoverleg is erop gericht, de kwaliteit van de
afdoening te verbeteren. In het overleg wordt door de
ketenpartners relevante informatie bijeengebracht, op grond
waarvan het OM de afdoeningsbeslissing neemt. Daarnaast wordt
door de gezamenlijke ketenpartners een persoonsgerichte aanpak
tot stand gebracht. De gegevensuitwisseling in het casusoverleg
ziet op relevante (achtergrond)informatie van de politie,
rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming,
strafvorderlijke gegevens via het OM.
Een belangrijke taak van het casusoverleg is voorts het
(blijvend) korter maken van de doorlooptijden, en de bewaking
daarvan.
Dankzij deze werkwijze en de hoge frequentie van het overleg (bij
voorkeur één keer in de week), kan de afdoening voor de jeugdige
verdachte sneller volgen en kan de interventie worden ingezet die
nodig is. Voor de ketenpartners heeft de nauwe samenwerking in
het casusoverleg als voordeel dat er een betere dialoog en meer
inzicht in elkaars aanpak en overwegingen ontstaat. JCO-Support
ondersteunt het Justitieel Casusoverleg jeugd door te voorzien in
de aanvoer van gegevens met automatische autorisatie voor een
aantal gegevens, waardoor de gegevensuitwisseling zo effectief
mogelijk plaatsvindt.
2. Leeftijdsgrenzen bij de toepassing van het jeugdstrafrecht
12-minners
De minderjarige onder de 12 jaar kan niet
strafrechtelijk worden vervolgd. Politieonderzoek en het beperkt
toepassen van dwangmiddelen in verband met waarheidsvinding is
echter wel mogelijk. Hierbij dient uiteraard een verantwoorde
bejegening van deze zeer jonge verdachten voorop te staan. Als
uitgangspunt geldt dat het politieverhoor in aanwezigheid van een
ouder of voogd dient plaats te vinden.
Strafbare feiten gepleegd door zeer jonge kinderen kunnen een
belangrijk zorgsignaal vormen. In die gevallen doet de politie
steeds een zorgmelding bij Bureau Jeugdzorg door middel van het
zorgformulier, dat aan de hand van deze melding onderzoekt of een
interventie geboden is.
Het plegen van misdrijven op zeer jonge leeftijd kan voorts een
belangrijke voorspeller zijn voor later crimineel gedrag. In een
latere fase kan het van belang zijn hiervan op de hoogte te zijn
om een goede inschatting te maken van het risico op recidive. Het
registreren van strafbare feiten van 12-minners door de politie
is in dit verband noodzakelijk.
Tussen de degenen die betrokken zijn vanuit politie, OM, Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg wordt een strafzaak betreffende een minderjarige onder de 12 jaar, enkel indien nodig afzonderlijk een bespreking belegd in verband met het verloop van het strafrechtelijk onderzoek en eventueel te nemen civielrechtelijke maatregelen.
Voorts zijn binnen de leeftijden 12 tot 21 jaar bij de hierna genoemde leeftijdsgroepen de volgende bijzonderheden te onderscheiden:
12- en 13-jarigen
In het jeugdstrafrecht wordt uitgegaan van een met de
leeftijd toenemende verantwoordelijkheid. Jongeren onder de 14
jaar zijn nog slechts in beperkte mate in staat zelfstandig
verantwoordelijkheid te nemen voor hun daden. In civielrechtelijk
opzicht zijn de ouders nog aansprakelijk voor de door de 12-of
13-jarige verdachte veroorzaakte schade. Het begrip van het
strafproces is voorts nog beperkt. In de vervolging en berechting
van deze jongeren dient hiermee rekening te worden gehouden en
past een terughoudende opstelling.
16- en 17-jarigen
Uitgangspunt is dat jeugdigen in de leeftijd van 16
en 17 jaar een toegenomen strafrechtelijke verantwoordelijkheid
hebben. De benadering vanuit de pedagogische beginselen van het
jeugdstrafrecht blijft daarbij voorop staan.
Indien sprake is van veelvuldige recidive of indien jongeren
verhard zijn en instrumenteel geweld toepassen wordt door middel
van een persoonsgerichte benadering een intensief en zo nodig
intramuraal traject ingezet om een gedragsverandering te
bewerkstelligen.
Het vorderen van toepassing van volwassenstrafrecht zal slechts
dan aan de orde zijn indien er sprake is van zeer ernstige
(levens)delicten en de verwachting is dat de maximale duur van de
behandeling in het kader van het jeugdstrafrecht onvoldoende
mogelijkheden biedt om de veiligheid van anderen te
waarborgen.
18- tot 21-jarigen
Bij jongvolwassenen in de leeftijd tot 21 jaar kan er
aanleiding zijn het jeugdstrafrecht toe te passen, indien er
sprake is van een nog beperkte gewetensontwikkeling. Met name
indien er sprake is van een licht verstandelijke beperking en de
meer pedagogische en persoonsgebonden benadering van het
jeugdstrafrecht beter aansluit op de ontwikkeling van de
verdachte, is er aanleiding het jeugdstrafrecht ook in deze
leeftijd toe te passen.
3. Betekenisvolle interventies. [6]
Een belangrijk deel van de jeugdcriminaliteit bestaat uit grensoverschrijdend gedrag dat samenhangt met het verkennen van grenzen en het nemen van risico's passend bij de puberteit. De strafrechtelijke interventie is er dan veelal op gericht de door de maatschappij gestelde grenzen te bevestigen en eventuele schade aan de benadeelde te laten vergoeden. Jeugdcriminaliteit kan echter ook bestaan uit zeer ernstige geweldsdelicten of veelvuldige recidive waarbij sprake is van de ontwikkeling van een voortdurende criminele levensstijl. Het is dan van belang om stevig en consequent te kunnen ingrijpen en maatwerk te leveren dat gericht is op tastbare normbevestiging en correctie van crimineel gedrag.
Om met passende interventies te kunnen reageren op delinquent gedrag van jongeren wordt op verschillende momenten in het strafproces per individuele jongere een inschatting gemaakt van het risico op recidive, de factoren die van invloed zijn op de kans op herhaling van delictgedrag en de wijze waarop de jeugdige in zijn gedrag te beïnvloeden is.
3.1 Advies Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een
belangrijke adviestaak en doet onderzoek naar de
leefomstandigheden van de jeugdige (gezin, school, vrije tijd,
leeftijdgenoten enzovoort). De Raad adviseert wat vanuit
pedagogisch oogpunt de meest adequate aanpak is. Interventies
moeten zoveel mogelijk gericht zijn op het verminderen van
risicofactoren, waarvan bekend is dat ze herhaling op delinquent
gedrag vergroten, zoals problemen in dagbesteding en
gezinsproblemen. Schoolverzuim wordt in dit verband gezien als
een belangrijke risicofactor, waarbij gericht ingrijpen aan de
orde is. [7] Beschermende factoren die een
prosociale ontwikkeling bevorderen, moeten waar mogelijk
worden versterkt, bijvoorbeeld sociale vaardigheden.
De reactie op strafbaar gedrag dient te voldoen aan de volgende uitgangspunten: [8]
3.2 Inzet jeugdreclassering
De door de jeugdreclassering uitgevoerde maatregel
Hulp en Steun is een verplichte maatregel die door de rechtbank
kan worden opgelegd. Hieraan wordt in het kader van een
voorwaardelijke sanctie uitvoering aangegeven. Ook kan de
jeugdreclassering op verzoek van de Raad voor de
Kinderbescherming voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank
Toezicht en Begeleiding uitvoeren. De jeugdreclassering werkt
overeenkomstig de methodiek beschreven in het Handboek methode
Jeugdreclassering.
De essentie van jeugdreclassering kan worden beschreven als het
bieden van een pedagogische interventie in een strafrechtelijk
kader. De jeugdreclassering heeft daarmee een gemengd karakter:
zij bestaat uit een op de jeugdige en diens omgeving gerichte
pedagogische interventie alsmede uit voorlichting aan de
autoriteiten omtrent het verloop van het begeleidingstraject. Het
centrale doel van de jeugdreclassering is het terugdringen van
recidive (of schoolverzuim) van jongeren door het werken aan
delictgerelateerde en veranderbare criminogene factoren. De
jeugdreclassering heeft ook een pedagogische doelstelling: de
bescherming en bevordering van een positieve ontwikkeling van de
jongere. De pedagogische begeleiding wordt gedaan vanuit een
integrale gezinsgerichte benadering, waar ook de zorgcoördinatie
van het gezin onderdeel van uitmaakt.
De belangrijkste taak van de jeugdreclassering ligt in het
onderzoek naar de haalbaarheid van in te zetten
gedragsinterventies, organiseren van zorg en bewaken van de
voortgang van het plan van aanpak.
Bij ruim 10% van alle zaken van de jeugdreclassering is er sprake
van gelijktijdig plaatsvinden van een kinderbeschemings- en een
jeugdreclasseringsmaatregel. Het gaat dan om een jongere, die
onder toezicht staat (gezinsvoogdij, ook onderdeel van BJZ) en
die door het plegen van een delict (tijdelijk) ook een
jeugdreclasseringsmaatregel krijgt opgelegd. De gezinsvoogdij en
de jeugdreclassering maken in deze zaken afspraken over de
rolverdeling.
De jeugdreclassering begeleidt de jongere gedurende de looptijd van de strafrechtelijke maatregel, inclusief de proeftijd en nazorg na detentie of behandeling. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de casusregie in alle strafzaken. De jeugdreclasseerder rapporteert over de voortgang van de begeleiding aan de Raad, naast de justitiële rapportageplicht aan het OM.
4. Verbaliseringsbeleid
Voor de formele regeling van het verhoor van de minderjarige verdachten wordt met name verwezen naar:
Bij jeugdzaken is er aandacht voor sturing op prioriteit en versnelde afhandeling. Dit betekent een vroegtijdige, snelle beoordeling en selectieve inzet van het jeugdstrafrecht, waarbij rekening wordt gehouden met het risico op recidive en recht wordt gedaan aan de belangen van slachtoffer en maatschappij.
4.1 Reprimande (registratie/ waarschuwing)
Strafbare feiten van een eenvoudig en licht karakter
worden door middel van de reprimande buiten het justitiële
circuit gehouden. De reprimande houdt in dat feit en dader (als
verdachte) worden geregistreerd, en dat er een mondelinge
waarschuwing wordt gegeven aan verdachte. Tevens worden de ouders
in kennis gesteld en wordt eventuele schade vergoed. Daarnaast
wordt geen inhoudelijke sanctie toegepast.
Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beslissing om te
volstaan met een reprimande zijn bijvoorbeeld: zeer jeugdige
leeftijd, geringe gevolgen van het feit, optreden van anderen,
zoals school, of het reeds vergoed zijn van toegebrachte
schade.
4.2 HALT-afdoening
De HALT-afdoening is geregeld in art. 77e Sr. De
Halt-feiten worden limitatief opgesomd in het Besluit aanwijzing
Halt-feiten. In de Aanwijzing Halt-afdoening worden de procedure
en de recidiveregeling beschreven.
De officier van justitie heeft op basis van art. 2 van het
Besluit (en art. 5 van de Aanwijzing) de mogelijkheid om, buiten
de aldus genoemde HALT-feiten om, zaken naar HALT te
verwijzen.
De officier kan de hier bedoelde toestemming verlenen in gevallen waarin het gaat om:
4.3 Proces-verbaal (strafrechtelijke) minderjarige,
PVM
Het proces-verbaal (strafrechtelijk) minderjarige
(PVM) wordt door de politie opgemaakt en bestaat uit een kerndeel
PVM dat de volgende rubrieken bevat:
Het kerndeel PVM bevat de noodzakelijke informatie uit het
politieonderzoek voor het daaropvolgende ketenproces.
Het kerndeel PVM dient samen met de verklaring van verdachte als
proces-verbaal ten behoeve van de afdoening voor Halt en als
meldingsformulier aan de Raad voor de Kinderbescherming. Het
vormt de basis voor het intakeproces van het Justitieel Casus
Overleg. Het PVM wordt aangevuld met de documenten die door de
politie in het opsporingsproces zijn opgemaakt en als definitief
PVM ingezonden aan het OM.
4.4 Meerdere verdachten
Indien in eenzelfde zaak zowel minderjarigen als
meerderjarigen als verdachte zijn aangemerkt, worden de
minderjarigen steeds door middel van een kerndeel PVM ingebracht
bij het JCO, onder vermelding welke meerderjarige verdachten bij
de zaak betrokken zijn.
Bij groepszaken wordt eveneens per verdachte een kerndeel PVM ingebracht bij het JCO. Het definitieve proces-verbaal in een groepszaak, dat wordt aangeleverd bij het OM, mag bestaan uit één proces-verbaal dat gebundeld de relevante stukken voor alle verdachten bevat. Indien de complexiteit van de zaak dit vergt, wordt een relaas-proces-verbaal toegevoegd.
5. Protocol Justitieel Casusoverleg
(JCO)
5.1 Voeding van het JCO
Iedere jeugdstrafzaak terzake van een misdrijf
waarvoor een kerndeel PVM is opgemaakt, niet zijnde een
Halt-feit, wordt ingezonden aan het JCO. De informatie uit het
JCO-supportsysteem wordt in verband met een persoonsgerichte
aanpak door de ketenpartners betrokken bij het onderzoek naar en
de beoordeling van de strafzaak tegen de jeugdige.
Voor de te bespreken zaken kan een selectie worden gemaakt van de
zaken, die afstemming behoeven.
De intake vindt plaats met behulp van het kerndeel PVM, dat door de politie wordt ingezonden (bij voorkeur digitaal), aan de JCO-partners binnen 7 (kalender-) dagen na het eerste verhoor.
Ook voorgeleidingszaken worden besproken in het JCO; de uitkomsten van die bespreking worden desgewenst ingebracht in het voorlopige-hechteniscircuit (bijvoorbeeld ter gelegenheid van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis).
Mislukte HALT-afdoeningen worden in het JCO besproken (oorzaak mislukking; alternatief, taakstraf of dagvaarding); het oorspronkelijke (HALT-) kerndeel PVM is, met de aanduiding 'mislukte HALT-zaak' de informatiedrager voor het JCO.
Meer- en veelplegers [10] worden periodiek besproken met het oog op de persoonsgerichte aanpak en monitoring. Hierbij wordt het plan van aanpak of de voortgang in de begeleiding besproken samen met de Jeugdreclassering.
5.2 Het JCO-support systeem
Het JCO-support systeem maakt geautomatiseerde
gegevensuitwisseling mogelijk. Het JCO-support systeem wordt
gebruikt voor het opstellen van de agenda van het JCO, voor het
bewaken van termijnen, het vastleggen van de door ketenpartners
gemaakte afspraken en voor het opbouwen van een persoonsgebonden
dossier.
5.3 Informatie ten behoeve van de afdoeningsbeslissing en
de persoonsgerichte aanpak
De informatie die in het JCO wordt ingebracht kan
bestaan uit:
De keuze voor typerapportage van de RvdK zal eerder worden ingegeven door de uitkomst van een taxatie van zorgelijke omstandigheden (risicofactoren: eerdere politie- of justitiecontacten, justitiële documentatie, middelengebruik, strafbare feiten op jonge leeftijd, spijbelgedrag, slechte schoolresultaten, delinquente vrienden, leeftijdgenoten of familieleden, agressieproblematiek) dan door de aard van het strafbare feit alleen. Bij de uiteindelijke afdoening wordt in verband met de persoonsgerichte aanpak de informatie uit het persoonsdossier in het JCO-support systeem betrokken.
Het Openbaar Ministerie neemt op basis van het PVM en de informatie uit het JCO een beslissing over de vervolging (trajectkeuze).
Bij de uiteindelijke afdoening en een eventuele op de persoon gerichte interventie worden het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en overige rapportages betrokken.
5.4 Verkorting van de doorlooptijden
In het JCO wordt gestreefd naar verkorting van de
doorlooptijden door de te verrichten werkzaamheden af te stemmen,
zoveel mogelijk gelijktijdig te werken en te plannen op de kortst
mogelijke termijnen.
6. Individuele casusregie (RvdK)
De Raad voor de Kinderbescherming ziet onder de noemer van
casusregie toe op het verloop van de
individuele casus in de jeugdstrafrechtsketen; het doel
ervan is zodanig de inhoudelijke samenhang te bevorderen tussen
de (effecten van) verschillende activiteiten van de
ketenpartners, dat zij gezamenlijk komen tot een adequate reactie
op strafbaar gedrag van de jeugdige. Het traject van de
casusregie strekt zich uit vanaf de melding aan de Raad door
middel van het kerndeel PVM, tot en met de nazorg;
Kernactiviteiten in het kader van casusregie zijn
informeren (informatie geven aan en krijgen van
bij de individuele casus betrokken ketenpartners),
bewaken (van afspraken van ketenpartners) en
afstemmen van de op de individuele jeugdige
gerichte activiteiten, ook ten aanzien van de samenhang tussen
eerdere strafrechtelijke afdoening en toekomstige activiteiten,
dan wel ten aanzien van kinderbeschermingsmaatregelen en
jeugdhulpverlening.
7. De OM-afdoening
Indien de officier van justitie een strafbeschikking wil
uitvaardigen of een transactie wil aanbieden worden de verdachte
en de ouders uitgenodigd voor een OM-zitting. Bij deze zitting
worden het delict en de persoonlijke omstandigheden besproken. Er
wordt een aanbod gedaan, waarbij voorwaarden kunnen worden
gesteld bestaande uit het verrichten van een taakstraf, het
betalen van eventuele schade of het voldoen aan andere
voorwaarden.
Bij afdoeningsvoorstellen voor misdrijven tot een bedrag van €
115 of ten hoogste 20 uur taakstraf behoeft geen advocaat te
worden toegevoegd. In zaken met een hoger afdoeningsvoorstel
wordt door de advocaat de verdediging gevoerd (wel of geen
bewijs, duur van de taakstraf). Vervolgens wordt het aanbod
definitief bepaald.
Voor een schikkingsvoorstel met enkel een geldboete behoeft géén
OM-zitting te worden gehouden.
Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bij het aanbod wordt
direct gedagvaard.
8. Normering doorlooptijden
Voor de onderscheiden trajecten in de jeugdstrafrechtsketen zijn normen vastgesteld voor de doorlooptijden. Dit zijn de zogenoemde Kalsbeek-normen. [11] Op basis van de wettelijke termijnen, de noodzakelijke bewerkingstijd en de tijd die nodig is voor overleg en overdracht van de ene naar de andere instantie zijn streeftijden geformuleerd. Doelstelling is om 80% van de zaken binnen de gestelde termijnen af te handelen.
8.1 Politie/HALT
Tussen eerste verhoor door de politie en de ontvangst
van de HALT-verwijzing (kerndeel PVM) door het HALT- bureau geldt
een maximale termijn van 7 dagen;
De doorlooptijd tussen het eerste verhoor en het startgesprek bij
HALT is maximaal 35 dagen.
Na de Halt-afdoening bericht Halt de politie binnen 7 dagen door
middel van een afloopbericht.
Bij een negatieve Halt-afdoening stuurt de politie binnen 14
dagen na ontvangst daarvan het PVM naar het OM.
8.2 Politie
Tussen eerste verhoor en ontvangst van het
proces-verbaal op het parket geldt een maximale termijn van 30
dagen.
Voor het inzenden van het kerndeel PVM aan het casusoverleg geldt
een termijn van maximaal 7 dagen na het eerste verhoor.
Voor het bijvoegen van aangiften, verklaringen en overige
documenten kan het nodig zijn een ruimere termijn te nemen,
zolang de totale termijn niet de maximale termijn van 30 dagen
overschrijdt. Zolang het PVM niet gecompleteerd is, loopt de
doorlooptijd van de politie dóór.
Zaken die ten opzichte van het eerste verhoor ouder zijn dan 3
maanden, worden niet meer door het parket in behandeling genomen,
anders dan na uitdrukkelijke toestemming van de officier van
justitie.
8.3 OM
Tussen eerste verhoor en afdoeningsbeslissing door het OM geldt
een maximale duur van 3 maanden ten behoeve van de OM-afdoening.
Het gaat hierbij om de door het OM afgedane zaken (overdracht,
sepot, strafbeschikking, transactie, voeging) die binnen 3
maanden na het eerste verhoor door de politie voor de eerste maal
door het OM zijn beoordeeld. Aanbeveling voor het OM is om na
ontvangst van het PVM te streven naar een eerste beoordeling
binnen 40 dagen.
8.4 RvdK
De Raad voor de Kinderbescherming verricht het
onderzoek en brengt de rapportage uit. Hiervoor geldt een termijn
van maximaal 42 dagen na eerste verhoor verdachte. De Raad voor
de Kinderbescherming start het onderzoek na ontvangst van het
kerndeel PVM van de politie.
8.5 ZM
Tussen eerste verhoor en vonnis (eerste aanleg) geldt
een termijn van ten hoogste 180 dagen.
8.6 Hoger Beroep
Tussen het instellen van het appèl en de ontvangst
bij het hof van het vonnis van de rechtbank geldt een termijn van
maximaal 28 dagen. Tussen het instellen van het appèl en een
einduitspraak van het hof geldt een termijn van maximaal 105
dagen.
8.6 Executie
Tussen onherroepelijk vonnis (geldboete, taakstraf,
detentie of PIJ-maatregel) en (begin van) de tenuitvoerlegging
door overdracht van het OM aan het CJIB geldt een termijn van
maximaal 30 dagen.
9. De jeugdinrichting
Om een eenduidige bejegening tot stand te brengen
en activiteiten in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) te
uniformeren werken alle jeugdinrichtingen volgens de
basismethodiek YOUTURN.
De methodiek bestaat uit vijf fasen:
Fase 1. Opname en intakes
De persoonlijke problematiek en de problemen op
verschillende leefgebieden (toegevoegd) worden snel in kaart
gebracht.
Fase 2. Stabiliseren en motiveren
In deze fase wordt een aantal basisvaardigheden
aangeleerd. De jongeren volgen een volledig dagprogramma
(inclusief school). In deze fase worden de erkende
gedragsinterventies geïndiceerd.
Fase 3. Individueel traject
Jongeren met jeugddetentie of een PIJ-maatregel
[12] gaan door naar fase 3. Hierin
worden erkende gedragsinterventies of zo nodig specifieke
behandelingen ingezet. Afhankelijk van het recidiverisico kan
een jongere starten met begeleid verlof en later onbegeleid
verlof.
Fase 4. Scholing- en Trainings Programma (STP)
De jongere volgt buiten de inrichting scholing en
training, ter voorbereiding op terugkeer in de maatschappij,
waarbij de jeugdige wordt ondersteund en gecontroleerd door de
JJI en de (jeugd)reclassering.
Fase 5. Nazorg
Na de straf draagt de JJI informatie over aan de
Raad voor de Kinderbescherming, de (jeugd)reclassering en de
gemeente waarin de jongere terugkeert en wordt de nazorg
besproken in de trajectberaden die worden voorgezeten door de
Raad voor de Kinderbescherming in de regio waar naar toe de
jeugdige uitstroomt.
10. Netwerk- en trajectberaad
Elke jeugdige die op strafrechtelijke titel is ingestroomd in een JJI, krijgt bij het verlaten van de inrichting passende nazorg aangeboden. Hiertoe zijn landelijk de netwerk- en trajectberaden uitgerold. Binnen deze beraden werken de justitiële jeugdinrichtingen, de Raad voor de Kinderbescherming, de Jeugdreclassering en de gemeenten samen aan de begeleiding van de jongere. De organisaties bespreken de situatie van de jongere en wat zij kunnen doen om hem goede nazorg te bieden. Door de invoering van het netwerk- en trajectberaad is er betere en intensievere samenwerking tussen de ketenpartners in de regio.
10.1 Netwerkberaad
Binnen een week nadat een jongere instroomt in een JJI, wordt hij
besproken in het netwerkberaad. Dit beraad vindt plaats in de
JJI. Doel is alle beschikbare informatie over de jongere
verzamelen. Er wordt geschat hoe lang hij nog in de JJI verblijft
en er worden heldere procedurele afspraken gemaakt wie wat doet
met betrekking tot de nazorg. Deelnemers aan het netwerkberaad
zijn de Raad voor de Kinderbescherming, de JJI en de
jeugdreclassering.
10.2 Trajectberaad
Binnen twee weken na het netwerkberaad vindt het
eerste trajectberaad plaats. Dit beraad wordt niet gehouden in de
JJI, maar in de regio waar de jongere woont (of naartoe gaat
uitstromen). In het trajectberaad wordt inhoudelijk afgestemd
over de te volgende koers en worden gezamenlijk overkoepelende
trajectdoelen bepaald voor de jeugdige. In het trajectberaad
worden heldere procedurele afspraken gemaakt over de nazorg en
begeleiding van de jongere als hij uit de JJI komt. Deelnemers
aan het trajectberaad zijn de Raad voor de Kinderbescherming,
(jeugd-)reclasseerder die de jeugdige begeleidt, de gemeente en
(fysiek aanwezig dan wel vooraf telefonisch betrokken) de JJI
waar de jeugdige verblijft.
Indien nodig wordt een jeugdige na het eerste trajectberaad nog
gevolgd in meerdere trajectberaden. Dit is onder meer afhankelijk
van de duur van het verblijf van de jeugdige in de JJI
(bijvoorbeeld bij langere jeugddetentie of een
PIJ-maatregel).
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de dag van inwerkingtreding.
[1]Beleidskader Perspectief
2015.
[2] Pilot ZSM in 2011 voor de G-5.
[3] Aanwijzing slachtofferzorg
(2010A029).
[4] Binnen het OM is daarvoor in het kader van
het licentie- en vignettensysteem een aanbod aan
jeugdcursussen. Er bestaat een basiscursus jeugd en een
verdiepingscursus. Voor het afdoen van jeugdzaken is minimaal
vereist dat de basiscursus jeugd is gevolgd
[5] APJ-kaderbrief van 13 mei 2009 van het
College van procureurs-generaal.
[6] Deze aanwijzing dient te worden gelezen in
samenhang met de Richtlijn voor Strafvordering jeugd, waarin
de interventies en de strafmaten voor veelvoorkomende delicten
verwoord staan.
[7] Verwezen wordt naar de Aanwijzing
strafrechtelijke aanpak schoolverzuim en de Handleiding
leerplicht.
[8] Visie Raad voor de Kinderbescherming op
jeugdstrafzaken, 29 juli 2009.
[9] Staatscourant 16 maart 2010, 4003.
[10] Conform de definities in de Richtlijn
strafvordering jeugd wordt onder een meerpleger
verstaan:
Een jongere in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar tegen wie in
de laatste drie jaar tenminste twee processen-verbaal zijn
opgemaakt waarop een inhoudelijke justitiële afdoening is gevolgd
en die opnieuw een misdrijf pleegt.
Een jeugdige veelpleger is een jongere in de leeftijd van 12 tot
en met 17 jaar tegen wie meer dan vijf processen-verbaal zijn
opgemaakt waarvan de laatste in het peiljaar.
[11] Zie de brief van 23 april 2001 van de
Staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede
Kamer.
[12] PIJ betekent Plaatsing in een inrichting
voor jeugdigen, art. 77 s Sr.