Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikelen 16, 20 Wetboek van Strafrecht, artikel 74c<BR> Wet milieubeheer, artikelen 8.1, 8.2, tweede lid, 8.5, 8.7, 8.19, 8.40, 8.44, 18.4, 18.18<BR> Wet milieugevaarlijke stoffen, artikelen 2, 24, 32, tweede en vierde lid, 39, derde lid<BR> Wet op de economische delicten<BR> Wet politieregisters, artikel 18, derde lid<BR> Wet rampen en zware ongevallen, artikel 2c, derde lid<BR> Wet vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 3<BR> Wet wapens en munitie, artikel 9, vijfde lid onder b Vuurwerkbesluit
In de praktijk is gebleken dat bij het OM en de opsporingsdiensten grote behoefte bestaat aan duidelijkheid omtrent de strekking van de vuurwerkregelgeving en de mogelijkheden om tegen overtredingen hiervan op te treden. Om in die behoefte te voorzien en tevens eenduidigheid van opsporing en vervolging te bevorderen, heeft het College van procureurs-generaal in 2002 de aanwijzing Handhaving vuurwerkregelgeving vastgesteld, in relatie tot het Handhavingsdocument Vuurwerk 2002. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de vuurwerkregelgeving zijn voor het Landelijk Overleg Milieuhandhaving aanleiding geweest genoemd handhavingsdocument te actualiseren. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om ervaringen die met de hantering ervan zijn opgedaan, en nieuwe ontwikkelingen en inzichten erin te verwerken. Als gevolg hiervan zijn ook de onderdelen die deel uitmaken van de aanwijzing, gewijzigd.
Samenvatting
De aanwijzing bestaat uit de volgende onderdelen:
Opsporing:
• Tegen welke overtredingen dient strafrechtelijk te worden
opgetreden en waaruit dient dat optreden te bestaan: hoofdstuk
1.
• Hoe dient de opsporing van vuurwerkdelicten te worden
uitgevoerd en welke bevoegdheden kunnen daarbij worden
gebruikt: hoofdstuk 2.
• Internationale aspecten aan de opsporing van
vuurwerkdelicten: hoofdstuk 3.
• Het benodigde bewijs in vuurwerkzaken met betrekking tot
specifieke overtredingen: hoofdstuk 4.
Vervolging:
• Op welke wijze dienen vuurwerkzaken te worden afgedaan: hoofdstuk 5, in samenhang met de Richtlijn voor de strafvordering vuurwerkovertredingen (2005A008).
De volgende onderdelen van het Handhavingsdocument vuurwerk 2005 vormen tezamen de voorliggende aanwijzing handhaving vuurwerkregelgeving:
hoofdstuk 5, voorzover het gaat om het strafrechtelijk
optreden;
hoofdstuk 7, voorzover het gaat om de opsporing;
hoofdstuk 8, voorzover het gaat om opsporing;
hoofdstuk 9;
hoofdstuk 10, onderdeel b.
1 Handhavingsstrategie
a Handhavingsstrategie
Aan de hand van de hier beschreven handhavingsstrategie bepalen het bestuurlijk bevoegd gezag, het OM, toezichthouders en opsporingsambtenaren hun wijze van optreden tegen geconstateerde overtredingen. In de strategie zijn de geldende bepalingen onderscheiden in kernbepalingen en niet-kernbepalingen. Kernbepalingen zijn de bepalingen die de kern vormen van de bescherming van de belangen waartoe de betreffende regelgeving strekt. De kernbepalingen van de vuurwerkregelgeving zijn hieronder opgesomd (zie b) .
In de volgende gevallen wordt proces-verbaal opgemaakt en/of een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking getroffen. Er is sprake van:
In de volgende gevallen wordt gewaarschuwd en een hersteltermijn gesteld:
Het bestuurlijk bevoegd gezag informeert de politie en het OM over geconstateerde overtredingen van kernbepalingen. Voor een effectieve en efficiënte werkwijze is een meldingsformulier ontwikkeld (zie bijlage F van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005). Een juist en volledig ingevuld meldingsformulier bevat voldoende informatie om het strafrechtelijk optreden te kunnen bepalen. Aangifte is over het algemeen niet meer nodig, wat aanmerkelijk tijd kan besparen.
Van de hier beschreven strategie kan gemotiveerd worden afgeweken, wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft. Vanwege de invloed die een dergelijke keuze kan hebben op het optreden van handhavingspartners, is het van belang dat dezen hiervan op de hoogte worden gesteld.
Overigens moet hierbij worden bedacht dat de ruimte om handhavend optreden achterwege te laten waar dit redelijkerwijs geboden is, de laatste jaren door jurisprudentie van diverse rechters kleiner is geworden. In de literatuur wordt daarom gesproken van een beginselplicht tot handhaving. Vermeldenswaard in dit verband is de (nog niet onherroepelijke) uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 mei 2004 inzake CMI Containers Masters Nederland BV. Deze rechtbank heeft geconcludeerd dat ingevolge artikel 18.2 Wet milieubeheer het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de vergunningverlening tevens de taak heeft te zorgen voor de bestuurlijke handhaving van de gestelde voorschriften. Deze regeling leidt volgens de rechtbank in dit geval tot een plicht tot handhaven aan de zijde van de gemeente als vergunningverlener en van de gemeenschappelijke milieudienst als toezichthouder. Bij de beantwoording van de vraag of beide in dit geval hebben gehandeld in strijd met die verplichting en dus sprake is van onrechtmatig handelen, dient volgens de rechtbank als maatstaf of gedaagden, als de met handhaving belaste overheidslichamen, in redelijkheid konden volstaan met de mate van handhaving die zij hebben betracht. Een onrechtmatige daad kan aan de overheid worden toegerekend indien zij het risico kende of behoorde te kennen en het risico had kunnen of behoren te vermijden. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat de gemeente en de milieudienst onrechtmatig hebben gehandeld en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vermogensschade die derden hebben geleden ten gevolge van de brand bij CMI. Tegen de uitspraak is hoger beroep ingesteld.
b Kernbepalingen
De volgende overtredingen worden aangemerkt als overtredingen kernbepalingen:
Overtredingen m.b.t. invoer, uitvoer en doorvoer van vuurwerk:
Overtredingen m.b.t. vervoer van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. het voorhanden hebben van vuurwerk door particulieren
Overtredingen m.b.t. opslag en bedrijfsmatig voorhanden hebben van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. vervaardigen of bewerken van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. verkoop, aanprijzen en afleveren van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. het afsteken/tot ontbranding brengen van vuurwerk
c Optreden tegen overtreding kernbepalingen
Tegen overtredingen van kernbepalingen wordt in beginsel direct opgetreden. Niet elke bepaling is echter relevant voor elke handhavingsinstantie. Hieronder is geschematiseerd per kernbepaling aangegeven: het bestuurlijk bevoegd gezag, het doel van handhavend optreden en de wenselijke bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsactie. Afstemming tussen het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden is noodzakelijk. Met name wanneer met zowel het bestuursrechtelijk als het strafrechtelijk optreden beoogd wordt de overtreding onmiddellijk ongedaan te maken (bestuursdwang, inbeslagname, voorlopige maatregel), is van groot belang dat wordt afgestemd wie wat doet. Uitgangspunt in het hierna volgend schema is dat zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk wordt opgetreden. Op het optreden tegen de opslag van consumentenvuurwerk in een inrichting waarbij de veiligheid niet is gewaarborgd, bijvoorbeeld door het ontbreken van een goedgekeurde en deugdelijk werkende sprinklerinstallatie, wordt hierna onder d een toelichting gegeven.
Een uitgebreide beschrijving van de strafrechtelijke inbeslagname is opgenomen in hoofdstuk 2, onder f.
tabellenvuurwerkregeling2005A016
d Toelichting op optreden tegen onveilige opslag van consumentenvuurwerk
Sinds 1 maart 2005 moeten alle inrichtingen waar consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of verkocht, voldoen aan de in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit opgenomen eisen. Kern van deze eisen vormen voorzieningen en gedragsvoorschriften die ertoe strekken de kans op het ontstaan en verspreiding van brand of explosies tot een minimum te beperken. In het licht van de belangrijkste aanleiding voor het maken van een nieuw Vuurwerkbesluit - de vuurwerkramp in Enschede in 2000 - staat het Landelijk Overleg Milieuhandhaving op het standpunt dat alle vuurwerkondernemingen de maatschappelijke plicht hebben om zich te onthouden van de opslag of verkoop van consumentenvuurwerk in een inrichting die vanuit veiligheidsoogpunt niet op orde is. Gelukkig voldoen inmiddels de meeste vuurwerkinrichtingen inderdaad aan de veiligheidseisen. Een deel echter nog niet, met als gevolg dat er in het vuurwerkseizoen nog steeds onveilige situaties kunnen voorkomen en bovendien de ondernemingen die wel de nodige inspanningen hebben verricht, in hun concurrentiepositie kunnen worden geschaad. Daarom moet het ook als een maatschappelijke plicht van alle betrokken overheidsinstanties worden beschouwd om zulke onveilige situaties te voorkomen.
In verband hiermee wordt van alle betrokken overheidsinstanties verwacht dat zij zich bij de uitoefening van hun handhavingstaak laten leiden door de volgende uitgangspunten en hieruit de volgende, logische consequenties trekken.
Uitgangspunten
Consequenties
2. Alle betrokken bevoegde bestuursorganen, toezichthouders, OM-medewerkers en politiefunctionarissen moeten jaarlijks vóór 1 oktober ervan op de hoogte zijn dat er geen ruimte is voor:
3. De provinciale vuurwerkcoördinatoren moeten jaarlijks vóór 1 oktober ervan op de hoogte zijn wat van hen wordt verwacht
4. De vier regionale eenheden van het FP moeten jaarlijks vóór 1 oktober ervan op de hoogte zijn wat van hen wordt verwacht
5. De betrokken bevoegde bestuursorganen, toezichthouders, OM-medewerkers en politiemensen moeten in het vuurwerkseizoen van 2005 landelijk gefaciliteerd worden met de nodige hulpmiddelen (bijv. modellen voor bestuursdwangbeschikking en kostenverhaal), ten behoeve van efficiëntie, effectiviteit en rechtsgelijkheid.
6. De provinciale vuurwerkcoördinatoren moet jaarlijks worden gevraagd om vóór 1 oktober een zo actueel mogelijk beeld van de feitelijke situatie in hun provincie aan het LMIP te verstrekken (aantal opslagen, plaats, gemeente, opslagcapaciteit, naleving, lopende handhavingstrajecten e.d.).
7. Met Domeinen moeten jaarlijks vóór 1 oktober afspraken worden gemaakt over de afvoer en opslag van vuurwerk dat in het kader van bestuursdwang in beslag is genomen.
e Toelichting op optreden tegen ontbreken van essentiële veiligheidsvoorzieningen
Op basis van voorschrift 5.1, Bijlage 1, Vuurwerkbesluit dienen de bewaarplaats, de bufferbewaarplaats en de verkoopruimte van een vuurwerkinrichting te zijn voorzien van een brandbeveiligsinstallatie, d.i. een automatische sprinklerinstallatie en brandmeldinstallatie. Dit voorschrift is gerelateerd aan de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 Vwb en geldt ook in een situatie dat er (tijdelijk) geen vuurwerk is opgeslagen.
In het algemeen zal er geen onduidelijkheid zijn over de vraag wanneer er sprake is van 'het drijven van een vuurwerkinrichting' als bedoeld is de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 Vwb. Dat kan wel het geval zijn bij de start van een nieuw bedrijf of de beëindiging van een bedrijf. Het bevoegd gezag doet er daarom verstandig aan om bij de handhaving ervan uit te gaan dat aan voorschrift 5.1 moet worden voldaan vanaf het moment dat een vuurwerkinrichting geheel of gedeeltelijk in werking is gebracht tot aan het moment dat een vuurwerkinrichting definitief buiten werking is gesteld.
In de praktijk blijkt het enkele feit dat er geen vuurwerk wordt opgeslagen regelmatig aanleiding te zijn om af te zien van handhaving voor wat betreft de sprinklerinstallatie of andere essentiële veiligheidsvoorzieningen. Dit is derhalve niet juist. Ook het feit dat er nog een procedure loopt voor wijziging van de vergunning of dat bepaalde fysieke aanpassingen (bijvoorbeeld verbouwing van bewaarplaatsen) nog niet zijn afgerond, is op zichzelf geen belemmering om te handhaven op basis van het Vuurwerkbesluit. Wel kunnen deze omstandigheden van belang zijn voor de concrete invulling van de handhavingsaanpak.
Zo zal in een dwangsombeschikking de lengte van de begunstigingstermijn moeten aansluiten op de omstandigheden in dat specifieke geval. De dwangsombeschikking, in het bijzonder de begunstigingstermijn, zal echter geen ruimte mogen bieden om vuurwerk op te slaan, voordat er een goedgekeurde of gecertificeerde brandbeveiligingsinstallatie aanwezig is. Wanneer er toch te vroeg vuurwerk wordt opgeslagen, is het bestuursorgaan aangewezen op (rauwelijkse) bestuursdwang.
In het geval dat de drijver van de inrichting schriftelijk aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt dat er geen vuurwerk zal worden opgeslagen of verkocht, zolang de brandbeveiligingsinstallatie niet op orde is of andere essentiële veiligheidsvoorzieningen ontbreken, kan het bevoegd gezag uiteraard tot de conclusie komen dat een handhavingsbeschikking geen toegevoegde waarde heeft en derhalve achterwege kan blijven. In dat geval is het raadzaam dat het bevoegd gezag aan de drijver van de inrichting de ontvangst van diens verklaring schriftelijk bevestigt en hierbij tevens waarschuwt dat wanneer er toch vuurwerk wordt opgeslagen, (rauwelijkse) bestuursdwang zal worden toegepast.
Voor de handhaving van voorschrift 5.3, dat gaat over het vereiste certificaat (of goedkeurend inspectierapport), wordt in de praktijk vaak een koppeling gelegd met de aanwezigheid van vuurwerk. Als er geen vuurwerk opgeslagen zou zijn, zou handhaving van voorschrift 5.3 niet mogelijk zijn of niet opportuun zijn. Die opvatting berust op een verkeerde interpretatie van voorschrift 5.3.
Voorschrift 5.3 bepaalt dat een (buffer)bewaarplaats of verkoopruimte niet eerder in gebruik genomen mag worden dan nadat het vereiste certificaat is afgegeven. In de Nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit van 16 januari 2004 (Stb. 2004, 26) wordt op p. 38 het volgende gezegd over het proces van goedkeuring en certificatie: "Er is nu sprake van toetsing door een geaccrediteerde inspectie-instelling bij aanvang (voorschrift 5.2) en aan het einde (voorschrift 5.3) van het ontwerp- en installatieproces en periodieke toetsing van in gebruik zijnde installaties (voorschrift 5.4). Deze passage maakt duidelijk dat het proces van ontwerp, aanleg en oplevering wordt afgesloten met het vereiste certificaat. Pas na verlening van dat certificaat mag vuurwerk worden opgeslagen en verkocht.
De term "in gebruik nemen" van voorschrift 5.3 duidt op een eenmalige handeling. Een vuurwerkinrichting waarvoor een sprinklerinstallatie is vereist, zal dus vanaf het moment dat de bewaarplaats voor het eerst in gebruik genomen is, in het bezit moeten zijn van het vereiste certificaat. Dat betekent dat bedrijven waarop de overgangsbepalingen 5.3.2 en 5.3.3 van het Vuurwerkbesluit niet van toepassing zijn - dat wil zeggen dat die bedrijven op 1 maart 2004 moesten voldoen aan het Vuurwerkbesluit - en die op enig moment vanaf 1 maart 2004 vuurwerk hebben opgeslagen of verkocht, in het bezit moeten zijn van het vereiste certificaat voor de betreffende sprinklerinstallatie. Het niet hebben van het vereiste certificaat is een voortdurende overtreding. Die overtreding wordt niet opgeheven door gedurende een bepaalde periode geen vuurwerk meer op te slaan. De bedrijven die pas op 1 maart 2005 een sprinklerinstallatie hoefden te hebben (de zogenaamde "uitstelbedrijven") en tot op heden geen vuurwerk hebben opgeslagen of verkocht, hoeven nog niet in het bezit te zijn van het vereiste certificaat. Het lijkt mij echter wel gewenst deze bedrijven er (preventief) nadrukkelijk op te wijzen dat zonder het vereiste certificaat geen vuurwerk mag worden opgeslagen of verkocht en dat men tijdig moet starten met het aanvragen van een dergelijk certificaat. Tevens kan er dan op gewezen worden dat stringent zal worden gehandhaafd. Die handhaving dient erop gericht te zijn dat eventueel opgeslagen vuurwerk in een bewaarplaats zonder het vereiste certificaat, wordt verwijderd.
Voorschrift 5.4 verplicht tot een jaarlijkse keuring van de sprinklerinstallatie. Als die keuring niet tijdig heeft plaatsgevonden, mag geen vuurwerk worden opgeslagen of verkocht. Dit voorschrift dient op soortgelijke wijze gehandhaafd te worden als voorschrift 5.3.
a Algemeen
Vuurwerkdelicten zijn veelal strafbaar gesteld in de Wed. Bij het opsporen van vuurwerkdelicten gelden de regels van Sv voorzover daarvan niet in de Wed is afgeweken (artikel 25 Wed). In Titel III van de Wed wordt een aantal bevoegdheden omschreven. Hierbij wordt steeds het begrip "opsporing" gebruikt. Dit zou de indruk kunnen wekken dat deze bevoegdheden slechts kunnen worden gebruikt, indien er een concrete verdenking tegen een bepaalde persoon bestaat, als bedoeld in art. 27 Sv. Dit is onjuist. Reeds indien er een aanwijzing is dat een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 1 of 1a van de Wed wordt overtreden, kunnen de betreffende bevoegdheden worden gebruikt. Het belang van de opsporing brengt dan met zich mee dat wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet. De Wed-bevoegdheden kunnen dus niet alleen worden ingezet voor het vergaren van bewijs ten aanzien van een verdenking, maar ook voor strafvorderlijke controle.
Omstandigheden die bij de beoordeling of sprake is van een aanwijzing kunnen meewegen zijn:
Indien gebruik is gemaakt van opsporingsbevoegdheden, dient in het proces-verbaal te worden weergegeven op grond van welk wettelijk voorschrift en welke feiten en omstandigheden is gehandeld. Het is wenselijk om vooraf overleg met het OM te hebben over het gebruik van deze bevoegdhed
Vuurwerkdelicten zijn veelal strafbaar gesteld in de Wed. Bij het opsporen van vuurwerkdelicten gelden de regels van Sv voorzover daarvan niet in de Wed is afgeweken (artikel 25 Wed). In Titel III van de Wed wordt een aantal bevoegdheden omschreven. Hierbij wordt steeds het begrip "opsporing" gebruikt. Dit zou de indruk kunnen wekken dat deze bevoegdheden slechts kunnen worden gebruikt, indien er een concrete verdenking tegen een bepaalde persoon bestaat, als bedoeld in art. 27 Sv. Dit is onjuist. Reeds indien er een aanwijzing is dat een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 1 of 1a van de Wed wordt overtreden, kunnen de betreffende bevoegdheden worden gebruikt. Het belang van de opsporing brengt dan met zich mee dat wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet. De Wed-bevoegdheden kunnen dus niet alleen worden ingezet voor het vergaren van bewijs ten aanzien van een verdenking, maar ook voor strafvorderlijke controle.
Omstandigheden die bij de beoordeling of sprake is van een aanwijzing kunnen meewegen zijn:
Indien gebruik is gemaakt van opsporingsbevoegdheden, dient in het proces-verbaal te worden weergegeven op grond van welk wettelijk voorschrift en.
b Melding als aanleiding opsporingsonderzoek
De aanleiding om een onderzoek in te stellen naar het voorhanden hebben of afleveren van verboden consumentenvuurwerk kan zijn gelegen in een telefonische melding aan de lokale politie of de M-lijn (kliklijn). Er zijn diverse mogelijkheden denkbaar:
c Controle verkooppunten en opslagplaatsen door een opsporingsambtenaar
Onder reguliere verkooppunten worden verstaan de verkooppunten die het toegestaan is consumentenvuurwerk aan particulieren te verkopen. Controle van deze verkooppunten op de voorschriften verbonden aan een eventuele APV-vergunning, alsmede op de naleving van het bepaalde in/of krachtens de Wm en het Vwb vindt in de regel eenmalig plaats in de maand december en daarnaast op de toegestane verkoopdagen.
De controle kan worden uitgevoerd door een gemeentelijk (bij een inrichting met niet meer dan 10.000 kg vuurwerk) of een provinciale toezichthouder in het bijzijn van een opsporingsambtenaar, maar kan ook door de opsporingsambtenaar zelfstandig worden uitgevoerd. Hij kan gebruik maken van de bevoegdheden in artikel 18 tot en met 23 Wed. Hiervoor is geen concrete verdenking vereist. Er wordt in een beperkte tijd een beperkte groep ondernemers gecontroleerd op specifieke wetgeving, waarvan bekend is dat deze veelvuldig wordt overtreden.
Een en ander geldt ook voor de controle van opslagplaatsen van professioneel vuurwerk en groothandelaren.
d Stilhouden motorvoertuigen ter controle
Op grond van artikel 23 Wed kunnen opsporingsambtenaren in het belang van de opsporing vorderen dat bestuurders van voertuigen deze stilhouden en onderzoeken (inclusief kofferbak) op de aanwezigheid van vuurwerk. Uit de wetgeschiedenis [13] en jurisprudentie blijkt dat voor de uitoefening van deze bevoegdheid geen concrete verdenking vereist is.
Voorbeelden waarin de bevoegdheden van artikel 23 Wed gebruikt kunnen worden zijn:
De omstandigheden die aanleiding gaven tot het controleren van een motorvoertuig, dienen in een proces-verbaal te worden opgenomen.
Bevoegde ambtenaren
In artikel 23a, tweede lid, Wed is geregeld dat de bevoegdheid om verpakkingen te openen en monsters te nemen ter controle op de bepalingen van de Wvgs, uitsluitend toekomt aan ambtenaren van de IVW en het militair Korps controleurs gevaarlijke stoffen. De bevoegdheid tot het stilhouden van voertuigen ter controle van bijvoorbeeld de vervoersdocumenten komt wel toe aan alle opsporingsambtenaren. In verband met de veiligheidsaspecten moet de IVW erbij worden geroepen als tijdens de transportcontrole vuurwerkverpakkingen moeten worden geopend.
Ook indien bij controle niet blijkt van overtredingen van het Vwb maar wel van overtredingen van de Wvgs, dient de IVW ingeschakeld te worden.
De bevoegdheid kan bijvoorbeeld worden gebruikt om na te gaan of mogelijk vanuit een regulier verkooppunt verboden vuurwerk wordt verkocht. Inzage kan dan worden gevorderd van alle inkoopfacturen, waaruit eventueel de inkoop van verboden vuurwerk kan blijken (art. 19). Zie ook onder g.
e Betreden plaatsen / onderzoek woning
Betreden (woning) op grond van artikel 20 Wed
Het betreden van plaatsen is aan opsporingsambtenaren toegestaan, voorzover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van hun taak en er op z'n minst een aanwijzing is dat een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 1 of 1a van de Wed wordt overtreden. . Bij het uitoefenen van deze bevoegdheid hoeft niet reeds een voornemen tot aanhouding van een verdachte of inbeslagname van voorwerpen te bestaan. Ook hier geldt dus dat er geen sprake hoeft te zijn van een verdenking tegen een bepaalde persoon.
De bevoegdheid van artikel 20 Wed tot het betreden van plaatsen omvat mede het binnentreden in woningen. Het betreden van een woning of andere ruimte op grond van artikel 20 Wed moet niet verward worden met een doorzoeking; het is een beperkte bevoegdheid waarbij slechts zoekend mag worden rondgekeken naar vuurwerk en andere bewijsmiddelen. De bevoegdheid is beperkt tot ruimten die men kan betreden (dus ook inloopkasten). Er mag niet in gesloten kastjes worden gekeken, tenzij daarvoor uitdrukkelijk toestemming is verkregen van de bewoner of gebruiker van de woning. Zo'n toestemming kan worden gevraagd voor iedere kast afzonderlijk of in algemene bewoordingen "Mag ik ook in kasten kijken". Deze toestemming van de bewoner dient schriftelijk te worden vastgelegd en ondertekend. Het moet degene die toestemming geeft duidelijk zijn waarvoor de toestemming wordt gevraagd, in voorkomende gevallen dient gebruik te worden gemaakt van een tolk. Loodsen, schuren en garageboxen kunnen worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende, als zij geen deel uitmaken van de woning of niet direct vanuit de woning betreedbaar zijn. Voor het betreden van een woning en een inpandige of aangrenzende ruimte zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden nodig. Deze machtiging moet verwijzen naar artikel 20 Wed en naar het vermoedelijk overtreden wetsartikel. Het OM gaat er vanuit dat kelderboxen, garageboxen en andere besloten ruimten die zich in hetzelfde gebouw bevinden als de woning, tot die woning behoren en dat daarvoor ook een machtiging nodig is.
Van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner dient een ambtsedig verslag van binnentreden opgemaakt te worden dat uiterlijk de vierde dag na die waarop in de woning is binnengetreden aan de bewoner wordt uitgereikt of toegezonden.
Indien vuurwerk wordt aangetroffen, is sprake van een heterdaad en kan de verdachte op die grond worden aangehouden en kunnen het vuurwerk en eventuele andere voorwerpen/bescheiden in beslag worden genomen (zie ook onder f). Hierbij moet worden bedacht dat de inbeslagneming van vuurwerk een einde kan maken aan een situatie van heterdaad. Bij twijfel of er (nog) sprake is van heterdaad, dient contact te worden opgenomen met de milieuofficier (handhavingseenheid van Functioneel Parket).
Het gebruik van de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen dient met het OM te worden afgestemd. Voor verdergaande handelingen dan zoekend rondkijken op de betreden plaats, is de bevoegdheid van doorzoeking nodig. Mocht na het betreden van een plaats op grond van artikel 20 Wed blijken dat een doorzoeking nodig en, gelet op de gerezen verdenking, gerechtvaardigd is, dan kan worden overgegaan tot het bevriezen van de besloten plaats (artikel 96 lid 2 Sv) in afwachting van de komst van de tot doorzoeken bevoegde autoriteit.
Doorzoeking ter inbeslagneming
Ter inbeslagneming kan in principe elke plaats worden doorzocht. De rechter-commissaris is bevoegd tot het doorzoeken van elke plaats, inclusief een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een verschoningsgerechtigde (art. 110 Sv). Voor het doorzoeken van plaatsen, niet zijnde een woning zonder toestemming van de bewoner en een kantoor van een verschoningsgerechtigde, is de officier van justitie de bevoegde autoriteit (artikel 96c Sv). Voor het doorzoeken van een vervoermiddel is de opsporingsambtenaar zelf bevoegd, met uitzondering van het woongedeelte van een vervoermiddel zonder toestemming (art. 96b Sv). De genoemde doorzoekingen zijn alleen toegestaan als sprake is van ontdekking van een strafbaar feit op heterdaad of van een misdrijf als bedoeld in art. 67 Sv.
Voor het betreden van een woning en een inpandige of aangrenzende ruimte zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden nodig.
Spoeddoorzoeking ter inbeslagneming
In artikel 97 Sv wordt de bevoegdheid tot het doorzoeken van een woning zonder toestemming of een kantoor van een verschoningsgerechtigde voor spoedeisende gevallen gedelegeerd aan de officier van justitie. Hij behoeft hiervoor een machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging dient vooraf (desnoods mondeling) te worden gegeven. Als ook het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, dan komt de bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. Ook dan is machtiging van de rechter-commissaris vereist (door tussenkomst van de officier van justitie). De hulpofficier dient de officier van justitie onverwijld schriftelijk op de hoogte te stellen van de ondernomen handelingen.
De hulpofficier van justitie heeft eveneens de bevoegdheid tot het doorzoeken van plaatsen, niet zijnde een woning zonder toestemming van de bewoner of een kantoor van een verschoningsgerechtigde, in geval van dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht (art. 96c tweede lid Sv). De hulpofficier behoeft hiervoor een machtiging van de officier. Deze kan achteraf (binnen drie dagen) worden verleend. Verleent de officier de machtiging niet dan draagt hij zorg dat de gevolgen van de doorzoeking zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt.
Gelet op de wettelijk vastgelegde bevriezingsmogelijkheid (zie artikel 96 lid 2 Sv) dient zo weinig mogelijk gebruik te worden gemaakt van de spoedprocedure.
f Inbeslagneming
Op grond van art. 18 Wed kunnen opsporingsambtenaren alle daarvoor vatbare voorwerpen in beslag nemen en de uitlevering van deze voorwerpen vorderen.
Vatbaar voor inbeslagname zijn (art. 94 Sv):
Dit betekent dat behalve het op een locatie aangetroffen vuurwerk, ook bijvoorbeeld in beslag genomen kunnen worden: agenda's, schrijfblokken, bestellijsten, mappen, papieren, GSM's, buzzers, computers, faxen en voertuigen. Art. 18 Wed biedt echter geen basis om naar dergelijke voorwerpen te zoeken.
De officier van justitie bepaalt welke voorwerpen in beslag blijven, welke worden teruggegeven en op welke voorwerpen (zoals bijvoorbeeld een auto) eventueel conservatoir beslag wordt gelegd. De afhandeling van het beslag staat beschreven in hoofdstuk 5.
Op grond van art. 18 Wed kan aan een verdachte of aan anderen uitlevering worden gevorderd van voor inbeslagname vatbare voorwerpen. Niet duidelijk is of op grond van art. 18 Wed uitlevering van aan hen toevertrouwde poststukken kan worden gevorderd van vervoerders van poststukken zoals PTT-Post. In de literatuur wordt hierover verschillend gedacht. Het verdient daarom aanbeveling om de procedure van art. 100, 101 en 114 Sv te volgen, waarbij voor het openen van de stukken voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris nodig is.
Het verdient aanbeveling bij een onderzoek waarbij naar verwachting vuurwerk zal worden aangetroffen, altijd één persoon verantwoordelijk te laten zijn voor het in beslag te nemen vuurwerk. Deze persoon is dan verantwoordelijk voor:
Het in beslag genomen vuurwerk dient altijd te worden onderzocht op de volgende uiterlijke kenmerken:
Van de bevindingen wordt een proces-verbaal van onderzoek vuurwerk opgemaakt. Indien de aanduiding of de gebruiksaanwijzing ontbreekt of een wrijvingsontsteking aanwezig is, behoeft geen monster te worden genomen. In geval van het vermoeden van andere tekortkomingen aan het vuurwerk dient een monster te worden genomen (zie hierna onder h)
Bij de keuze voor het al dan niet in beslag nemen van vuurwerk wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van het corrigeren van de overtreding en de uit inbeslagneming voortvloeiende kosten voor de overheid. Overtredingen met betrekking tot aanduidingen en dergelijke zijn relatief eenvoudig te herstellen. Het ligt dan ook in de rede om bij dergelijke overtredingen een mogelijkheid tot herstel te bieden, voordat tot inbeslagneming wordt overgegaan. Bij het overschrijden van de toegestane hoeveelheid opgeslagen toegestaan vuurwerk kan de mogelijkheid worden geboden om vrijwillig het vuurwerk elders op te slaan of terug te sturen naar de importeur. Middels een voorlopige maatregel kan dit worden bevolen. Anders ligt het bij overtredingen die niet eenvoudig zijn te herstellen, behalve dan door het betreffende vuurwerk van de markt te halen. Bij het van de markt halen van vuurwerk zijn er twee mogelijkheden: middels bestuursrechtelijke of strafrechtelijke actie in beslag nemen, of de verdachte het vuurwerk laten terugzenden naar de leverancier. Dat laatste kan alleen worden overwogen, indien er voldoende garantie is dat het vuurwerk ook daadwerkelijk van de markt verdwijnt. Gezien de aanmerkelijke kans dat het betreffende vuurwerk alsnog binnen Nederland wordt verkocht, zal uitgangspunt zijn dat in dergelijke situaties inbeslagname volgt.
In het algemeen kan recidive aanleiding zijn om over te gaan tot inbeslagname. In de volgende gevallen zal aanleiding zijn om tot inbeslagneming over te gaan:
Inbeslagneming bij overtredingen tijdens invoer:
Inbeslagneming bij overtredingen m.b.t. opslag, bedrijfsmatig voorhanden hebben, vervaardigen of bewerken:
Inbeslagneming bij overtredingen tijdens ter beschikking stellen (verkoop, aanprijzen of afleveren):
Inbeslagneming bij overtredingen m.b.t. voorhanden hebben of afsteken:
Conservatoir beslag
Ten aanzien van voorwerpen die in beslag zijn genomen ten behoeve van de waarheidsvinding of die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, kan de officier van justitie aan de rechter-commissaris vragen dit beslag om te zetten in een conservatoir beslag ter zekerheid van de later op te leggen geldboete of de op te leggen ontnemingsmaatregel. Ook kan de rechter-commissaris de officier van justitie machtigen om rechtstreeks conservatoir beslag te leggen (art. 94a, 103 Sv). De later opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel kan (mede) worden verhaald op het beslag.
Een voorwerp waarop conservatoir beslag is gelegd kan door de officier van justitie (met name wanneer het een auto betreft) onder zekerheidsstelling worden teruggegeven aan de verdachte (art 118a Sv).
Indien op voorhand wordt verwacht dat er bij een doorzoeking of aanhouding dure spullen (zoals sieraden of grote hoeveelheden geld) aanwezig zullen zijn die niet voor regulier beslag in aanmerking komen, is het verstandig dat de officier voorafgaand aan de doorzoeking of aanhouding schriftelijk een machtiging conservatoir beslag aan de rechter-commissaris vraagt. Eventueel kan dit ook nog tijdens een doorzoeking (zonodig op een kladblaadje).
In een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) is de officier van justitie zelfstandig bevoegd over te gaan tot conservatoir beslag.
g Inzage van gegevens en bescheiden
Op grond van artikel 19 Wed kan te allen tijde inzage van gegevens en bescheiden worden gevorderd, niet alleen bij anderen dan de verdachte, maar ook bij de verdachte zelf. De bevoegdheid betreft ook de inzage in elektronische gegevens en bescheiden. Weigering betekent een economisch misdrijf (art. 26 Wed). Van de gegevens en bescheiden mogen kopieën worden gemaakt. Ook kunnen gegevens en bescheiden in beslag worden genomen (zie paragraaf F). Verschoningsgerechtigden zoals advocaten en notarissen zijn gerechtigd om inzage te weigeren. Net als bij inbeslagneming op grond van art. 18 Wed is niet duidelijk of op grond van art. 19 Wed inzage van aan hen toevertrouwde poststukken kan worden gevorderd van vervoerders van poststukken zoals PTT-Post. In de literatuur wordt hierover verschillend gedacht. Veiligheidshalve kan daarom beter worden gekozen voor de procedure zoals beschreven in art. 100, 101 en 114 Sv.
h Monsterneming en analyse
In beslag genomen vuurwerk dient door de opsporingsambtenaar altijd te worden onderzocht op de uiterlijke kenmerken zoals genoemd in het proces-verbaal van onderzoek (zie bijlage H van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005).
In de volgende gevallen volstaat een onderzoek naar de uiterlijke kenmerken niet en dienen monsters te worden genomen van het aangetroffen vuurwerk:
Indien mogelijk worden vijf exemplaren als monster genomen. Drie exemplaren zijn bestemd voor analyse door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag en twee worden bij Domeinen te Ulicoten bewaard voor een eventuele contra-expertise. Zie ook hoofdstuk 10, onder b (afhandeling van beslag).
i Bevoegdheden wet Bob
In Titel IVa en Titel V Sv zijn de zogenaamde bijzondere opsporingsbevoegdheden opgenomen. In Titel IVa gaat het om de bijzondere opsporingsbevoegdheden die ingezet kunnen worden ten bate van de waarheidsvinding, tegen een persoon die wordt verdacht een misdrijf in het algemeen, of in sommige gevallen een gekwalificeerd misdrijf, te hebben gepleegd. In Titel V gaat het om bijzondere opsporingsbevoegdheden die ingezet kunnen worden ter verkrijging van inzicht in georganiseerde criminaliteit. Er moet dan sprake zijn van een redelijk vermoeden van het beramen of plegen van misdrijven in georganiseerd verband. Sommige van deze opsporingsbevoegdheden kunnen ook worden ingezet tegen een persoon die geen verdachte is maar wel deel uitmaakt van het georganiseerd verband.
Uitvoerige bespreking van al de hierna te noemen bijzondere opsporingsbevoegdheden zou te ver leiden. Uitgebreide informatie hierover kan worden gevonden in het Handboek voor de opsporingspraktijk (Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden). Er dient rekening mee te worden gehouden dat pas na uitvoerige bespreking met de officier van justitie gebruik kan worden gemaakt van onderstaande opsporingsbevoegdheden.
Verbod op doorlaten (artikel 126ff Sv)
Ingevolge dit artikel rust op de opsporingsambtenaar, die handelt ter uitvoering van een bijzondere opsporingsbevoegdheid, een verplichting tot inbeslagneming van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid en waarvan hij de vindplaats weet. Ingevolge de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden geldt het verbod op doorlaten algemeen, dus ook in alle andere situaties dan genoemd in art. 126 ff Sv. Met 'wetenschap' wordt hierbij bedoeld 'een voldoende mate van zekerheid'. Een partij vuurwerk valt onder vorenomschreven voorwerpen. Ingevolge de laatste volzin van lid 1 kan de inbeslagneming worden uitgesteld. Dit kan slechts in het belang van het onderzoek en met het oogmerk om op een later tijdstip alsnog tot inbeslagneming over te gaan. Gewaarborgd dient dan wel te zijn dat het vuurwerk tussentijds niet in het vrije verkeer terecht kan komen. Dit artikel schept dus de mogelijkheid om een partij vuurwerk te volgen en deze zonder de partij uit het oog te verliezen op een later tijdstip in beslag te nemen. De enige eis die hieraan wettelijk wordt gesteld is het onderzoeksbelang. Dit kan zijn het achterhalen van de identiteit van een verdachte. Hoewel er geen verdere wettelijke eisen zijn, geldt de procedurele afspraak dat de opsporingsambtenaar voor elk uitstel toestemming van de officier van justitie behoeft.
In lid 2 van genoemd artikel wordt de mogelijkheid gegeven van afzien van inbeslagneming. Op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang (een zwaardere eis dan het opsporingsbelang uit lid 1) kan de officier van justitie hiertoe bevelen. Ingevolge artikel 140a Sv moet het College van procureurs-generaal hiervoor vooraf schriftelijk toestemming geven.
Betreden van besloten plaatsen (artikel 126k, 126r Sv)
Deze bevoegdheid wordt ook wel aangeduid als plaatsopneming of inkijkoperatie. De bevoegdheid dient om een plaats op te nemen of aldaar sporen veilig te stellen (bijvoorbeeld monstername) of aldaar een technisch hulpmiddel (bijvoorbeeld een bewegingsmelder of een camera) te plaatsen om de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen. De bevoegdheid mag zonder toestemming van de rechthebbende worden uitgevoerd in een besloten plaats, niet zijnde een woning en wordt uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Hiervoor is nodig een schriftelijk bevel van de officier met dien verstande dat het bevel bij dringende noodzaak mondeling kan worden gegeven. Het moet dan wel binnen drie dagen door de officier op schrift worden gesteld. Het bevel vermeldt het tijdstip waarop of de periode waarbinnen aan het bevel moet worden voldaan. De bevoegdheid mag worden ingezet bij verdenking van een misdrijf als bedoeld in art. 67 Sv.
Bij een besloten plaats, niet zijnde een woning kan worden gedacht aan een niet-openbare en niet voor een ieder toegankelijke plaats, zoals een loods, een fabrieks- of bedrijfsruimte, een kantoor, een vrachtauto, met uitzondering van de voor bewoning bestemde cabine of een erf. Openbare of voor een ieder toegankelijke plaatsen vallen hier dus niet onder.
Het veilig stellen van sporen geldt alleen voor sporen die voor de hand worden aangetroffen. De bevoegdheid houdt dus geen bevoegdheid tot doorzoeken in.
Leidt het plaatsen van een technisch hulpmiddel in een besloten plaats naar verwachting tot een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van een persoon dan dient het bevel op art. 126g Sv (stelselmatige observatie) te worden gebaseerd.
Het betreden kan zowel fysiek als met een technisch hulpmiddel gebeuren. Het gebruik maken van een infraroodkijker om in een besloten plaats te kijken valt onder bevoegdheid omdat de plaats met een technisch hulpmiddel wordt "betreden". Het met het blote oog binnenkijken door een al bestaande opening valt niet onder betreden.
De bevoegdheid van het betreden van besloten plaatsen kan dus gepaard gaan met andere bevoegdheden zoals al dan niet stelselmatige observatie.
Stelselmatige observatie (artikel 126g 126o Sv)
De bevoegdheid behelst het volgen van een persoon of het waarnemen van diens gedrag of aanwezigheid met of zonder technisch hulpmiddel (waarmee overigens op basis van dit artikel geen vertrouwelijke communicatie mag worden opgenomen, daarvoor gelden strengere eisen, zie art. 126l en 126s Sv). De observatie geschiedt door een opsporingsambtenaar op bevel van de officier van justitie dat kan worden gegeven bij verdenking van een misdrijf in het algemeen of bij het redelijk vermoeden van het, in georganiseerd verband, beramen of plegen van een misdrijf als bedoeld in art. 67 Sv en dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Het bevel dient schriftelijk te worden gegeven maar kan bij dringende noodzaak ook mondeling worden gegeven. Het moet dan wel binnen drie dagen door de officier op schrift worden gesteld. Het bevel geldt voor ten hoogste drie maanden en kan telkens met drie maanden worden verlengd.
Onder stelselmatige observatie wordt verstaan het al dan niet heimelijk, systematisch en gericht waarnemen en/of volgen van een persoon met als te verwachten resultaat dat daardoor een min of meer volledig beeld kan worden verkregen van bepaalde aspecten van het leven van die persoon.
De vraag of een observatie stelselmatig is dient beantwoord te worden aan de hand van o.a. het doel van de observatie, de duur ervan, de plaats, de intensiteit, de frequentie en welke hulpmiddelen eventueel worden ingezet. Elk voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de beantwoording van de vraag of een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemand leven wordt verkregen.
Niet het uiteindelijke resultaat van de observatie maar het vooraf redelijkerwijs te verwachten resultaat is bepalend. Derhalve dient de officier voor het afgeven van een bevel te bepalen of redelijkerwijs kan worden verwacht dat een min of meer volledig beeld van een bepaald aspect van iemands leven het resultaat kan zijn van het op de afgesproken wijze observeren. Is de observatie niet stelselmatig dan mag deze worden uitgevoerd op basis van art. 141 Sv juncto art. 2 Politiewet of art. 142 Sv.
Opnemen van telecommunicatie (artikel 126m, 126t Sv)
De bevoegdheid behelst het heimelijk opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel. De officier van justitie vordert van de rechter-commissaris een schriftelijke machtiging. Pas na het afgeven van die machtiging geeft de officier een bevel af. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste 4 weken en kan telkens voor een periode van ten hoogste 4 weken worden verlengd. Voor de verlenging behoeft de officier een machtiging van de rechter-commissaris. Bij ISDN-aansluitingen dienen ook de onderliggende nummers te worden opgenomen in de vordering en het bevel.
In spoedgevallen kan de officier van justitie mondeling een machtiging vorderen en kan de rechter-commissaris de officier mondeling machtigen. Vervolgens wordt telefonisch het bevel gegeven, dat binnen 24 uur schriftelijk moet worden bevestigd.
Het bevel tegen de verdachte wordt slechts afgegeven bij verdenking van een misdrijf als bedoeld in art. 67 Sv, terwijl dat misdrijf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Bovendien wordt het bevel slechts afgegeven als het onderzoek dit dringend vordert.
In vergelijking tot artikel 126n, 126u Sv (opvragen van gegevens inzake het telecommunicatieverkeer) is het vereiste dat de verdachte of de deelnemers aan het georganiseerd verband als bedoeld in artikel 126o Sv aan het gesprek deelneemt, niet opgenomen. De waarheidsvinding kan vorderen dat gesprekken tussen niet-verdachten worden opgenomen.
Ingevolge artikel 13 lid 2 van de Telecommunicatiewet zijn aanbieders van netwerken en diensten verplicht tot medewerking aan het opnemen. Ingevolge artikel 13 lid 4 van die wet zijn die aanbieders verplicht tot het verstrekken van de voor het leggen van de tap benodigde inlichtingen (de zgn. abonnee en NAW-gegevens).
Tegelijk met een vordering 126m of 126t Sv wordt een vordering 126n resp. 126u Sv gedaan.
Vorderen van telecommunicatie-inlichtingen (artikel 126n, 126na, 126nb, 126u, 126ua, 126ub Sv)
Op vordering van de officier van justitie moet een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk en een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten inlichtingen verstrekken terzake van alle verkeer dat over het telecom-municatienetwerk dan wel met gebruikmaking van de telecommunicatiedienst heeft plaatsgevonden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de verdachte (of degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven) eraan heeft deelgenomen. Ter attentie van de verdachte wordt de vordering alleen gedaan in geval van:
De vordering kan ook worden gedaan ter attentie van verkeer dat nog dient plaats te vinden.
De bedoelde inlichtingen inzake het verkeer over vaste of mobiele telefonie of ook internet kunnen o.a. bestaan uit gebelde telefoonnummers, nummers van ontvangen oproepen, duur van de gesprekken etc. Bij het gebruik van een mobiele telefoon kan informatie worden gevorderd met betrekking tot de steunzenders waarvan tijdens gesprekken gebruik is gemaakt. Aan de hand daarvan kan worden bepaald in welk gebied een verdachte zich bevond terwijl hij zijn mobiele telefoon gebruikte.
Opnemen van vertrouwelijke informatie met een technisch hulpmiddel (artikel 126l, 126s Sv)
Voor het uitoefenen van deze bevoegdheid gelden dezelfde eisen ter attentie van de strafbare handelingen als voor het opnemen van telecommunicatie. De uitvoering van deze bevoegdheid komt niet toe aan alle opsporingsambtenaren, maar slechts aan die genoemd in artikel 141 sub b Sv (de politieambtenaar die ook nog moet hebben voldaan aan de eisen gesteld in de Regeling opnemen van vertrouwelijke communicatie). De officier van justitie vordert van de rechter-commissaris een schriftelijke machtiging. Pas na het afgeven van die machtiging geeft de officier een bevel af. Het artikel maakt het ook mogelijk zonodig een besloten plaats te betreden of een woning etc. (Echter alleen bij 8 jaars feiten - dus niet wegens economische delicten.) Het bevel wordt gegeven voor ten hoogste vier weken en kan telkens (met machtiging van de rechter-commissaris) met ten hoogste vier weken worden verlengd. Ten aanzien van woningen geldt dat ook het College van Procureurs-Generaal (geadviseerd door de Centrale Toetsingscommissie van het OM) toestemming dient te geven. Onder vertrouwelijke communicatie moet hier worden verstaan de uitwisseling van berichten tussen twee of meer personen die in beslotenheid plaatsvindt. Dit kunnen gewone gesprekken zijn, maar ook ge- schreven woord of overdracht via signalen of kabel of het gebruik van een geldautomaat waarbij een persoon met behulp van een bankpas communiceert met de computer van de bank. Hieronder valt niet het invoeren van gegevens in een eigen computer.
Het zintuiglijk afluisteren zonder technisch hulpmiddel valt niet onder de wettelijke regeling.
Politiële pseudokoop en pseudodienstverlening (artikel 126i, 126q Sv)
Hiervan is sprake wanneer een opsporingsambtenaar goederen afneemt van of diensten verleent aan een verdachte. De bevoegdheid mag worden ingezet tegen een verdachte bij verdenking van een misdrijf als bedoeld in art. 67 lid 1 Sv. De opsporingsambtenaar mag een verdachte of betrokken persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. De opsporingsambtenaar behoeft een schriftelijk bevel van de officier, maar bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. Het dient dan binnen drie dagen door de officier op schrift te worden gesteld.
Iedere koop die door een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek wordt gesloten geldt als pseudokoop. Aan de pseudokoop of pseudodienstverlening kunnen meer voorbereidende contacten vooraf gaan, zoals stelselmatige informatie-inwinning of infiltratie. Onder pseudokoop wordt niet alleen het daadwerkelijk kopen van goederen, maar ook iedere andere vorm van door de pseudokoper gerealiseerde overdracht van goederen, verstaan (bijv. monsters).
Voor de verdachte of het georganiseerd verband is niet kenbaar dat de pseudokoper/-dienstverlener opsporingsambtenaar is. Hij kan gebruik maken van een valse identiteit.
Conform de aanwijzing Opsporingsbevoegdheden moet de hoofdofficier van justitie toestemming verlenen voor de inzet van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid.
Als via een advertentie verboden consumentenvuurwerk wordt aangeboden en een opsporingsambtenaar hierop reageert en vervolgens wil overgaan tot een bestelling, dan behoeft hij hiervoor een bevel politiële pseudokoop.
j Aanhouding en voorlopige hechtenis
De meeste vuurwerkdelicten zijn, indien opzettelijk gepleegd, economische delicten op basis van artikel 1a, 1e categorie van de Wed. Ingevolge artikel 6 lid 1 sub 1 van de Wed zijn zij bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar en geldboete van de vijfde categorie. Dit houdt in dat aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis mogelijk zijn. Bij overtreding van de voorschriften m.b.t. de aanduiding 'Geschikt voor particulier gebruik' (art. 2.1.3, 2.14 Vwb) en 'Niet geschikt voor particulier gebruik' (art. 3.1.1 Vwb) is aanhouding buiten heterdaad niet mogelijk, omdat dit een economisch delict is op basis van artikel 1a, 2e categorie, van de Wed.
Als er sprake is van handel in verboden consumentenvuurwerk van enige omvang, dan zal de officier van justitie in de regel aanhouding buiten heterdaad bevelen.
Voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter toetsing van de inverzekeringstelling of een vordering inbewaringstelling zal meestal slechts worden toegepast in gevallen van verdenking van handel in verboden consumentenvuurwerk op grotere schaal.
Aanhouding minderjarigen
Aanhouding buiten heterdaad van minderjarigen is voor de meeste vuurwerkdelicten mogelijk, op bevel van de (jeugd)officier van justitie. Bij aanhouding of ophouden voor verhoor moeten de ouders of andere familie zo snel mogelijk worden ingelicht. Tevens dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat een minderjarige de nacht doorbrengt op een politiebureau. Terughoudendheid is geboden bij het aanhouden van een minderjarige op school. Dit gebeurt uitsluitend na overleg met de (jeugd)officier van justitie en de directeur van de school.
Minderjarigen jonger dan twaalf jaar kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Toch zijn er wel verschillende dwangmiddelen die kunnen worden gebruikt voor de opsporing van (andere) strafbare feiten: staande houden, aanhouden, ophouden voor verhoor, betreden van plaatsen en inbeslagneming. Ook is het onder omstandigheden mogelijk de jongere te verwijzen naar Bureau Halt.
De afdoening van vuurwerkzaken met minderjarigen wordt besproken in hoofdstuk 4, onder b.
k Voorlopige maatregel
Indien tegen een verdachte ernstige bezwaren zijn gerezen en de aangetroffen situatie een onmiddellijk ingrijpen vereist met het oog op de bescherming van mens of milieu, kan de officier van justitie onder omstandigheden besluiten tot het opleggen van een voorlopige maatregel ex art. 28 Wed. Middels de voorlopige maatregel kan een verdachte worden bevolen zich te onthouden van bepaalde handelingen. Ook kan een verdachte worden bevolen zorg te dragen dat voorwerpen die vatbaar zijn voor inbeslagneming, worden opgeslagen en bewaard op een bepaalde plaats.
Bij vuurwerkovertredingen kan een voorlopige maatregel worden gebruikt om te voorkomen dat vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen, maar waarvoor inbeslagneming een te zwaar middel is (zoals bijvoorbeeld vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen met betrekking tot aanduidingen), op de markt wordt gebracht. In zijn algemeenheid kan worden verboden om te handelen in strijd met voorschriften uit vergunning, Vwb of nadere eisen.
Een voorlopige maatregel ex art. 28 Wed mag geen feitelijke stillegging van de onderneming inhouden. Het bevel zich te onthouden van het opslaan of de verkoop van vuurwerk kan in bepaalde gevallen, met name als deze handelingen de enige bedrijfsactiviteiten zijn, leiden tot een feitelijke stillegging. In dergelijke situaties kan door de officier van justitie een voorlopige maatregel ex art. 29 Wed worden gevorderd bij de rechtbank. Een voorlopige maatregel van de rechtbank kan wel een stillegging van de onderneming inhouden.
In hoofdstuk 5, onder c, is het optreden tegen overtredingen tegen kernbepalingen weergegeven. Bij een aantal overtredingen is in de kolom 'strafrechtelijke actie' de voorlopige maatregel als optie genoemd.
3 Internationale aspecten van toezicht en opsporing
a Algemeen
De afgelopen paar jaar hebben de Nederlandse importeurs van/(groot)handelaren in professioneel vuurwerk en de toepassers van professioneel vuurwerk (niet zijnde theatervuurwerk) hun opslagen van professioneel vuurwerk verplaatst naar het buitenland, vooral Duitsland en, in mindere mate, België. Hiervoor worden meestal voormalige munitiedepots benut. Ook de grootschalige opslag van consumentenvuurwerk is voor een deel verplaatst naar de ons omringende landen.
Tegenover winst op het vlak van veiligheid staan diverse nadelen: een sterke toename van grensoverschrijdend vervoer van vuurwerk, een verschuiving van de invoer via Rotterdam naar invoer via vooral Hamburg en Antwerpen, en, mede daardoor, minder zicht op de activiteiten van Nederlandse vuurwerkbedrijven en de vuurwerkketen. De Nederlandse controle- en opsporingsdiensten zijn nu veel meer aangewezen op de informatie van hun buitenlandse collega's en op hun medewerking bij het verrichten van toezichts- en opsporingsactiviteiten. Hierover moeten structurele afspraken worden gemaakt met de bevoegde instanties in Duitsland en België over informatie-uitwisseling en wederzijdse bijstand.
Het probleem van het verboden consumentenvuurwerk heeft eveneens een belangrijke internationale dimensie.
Verboden consumentenvuurwerk komt, voorzover bekend is, op de volgende manieren ons land binnen:
De omstandigheid dat in België het gehele jaar door vuurwerk mag worden verkocht - in tegenstelling tot Nederland en Duitsland waar dit slechts op de laatste dagen van het jaar mag -, verschaft de Belgische vuurwerkhandelaren een gunstige positie om in Nederland klanten te werven. Op het internet adverteren Belgische vuurwerkwinkels veel met verboden consumentenvuurwerk. Voor alle duidelijkheid: volgens de Belgische wetgeving is het verkopen van 'spektakelvuurwerk' (bijvoorbeeld lawinepijlen, mortierbommen, zware strijkers, grote flowerbeds) aan buitenlanders net zo min toegestaan als aan Belgische burgers (tenzij zij beschikken over vergunning van de burgemeester).
Het is om verschillende redenen moeilijk om op deze routes zicht te krijgen. Om te beginnen wordt het verboden consumentenvuurwerk op vervoersdocumenten veelal omschreven als professioneel vuurwerk en zo een schijn van legaliteit gegeven. Bovendien zijn de controles op grensoverschrijding van de binnengrenzen van de EU opgeheven en wordt er, zeker gedurende de nacht, door de diverse controlediensten slechts beperkt gecontroleerd. Bij het binnen de EU brengen via andere dan de Nederlandse havens wordt niet altijd gecontroleerd of sprake is van verboden consumentenvuurwerk; nog afgezien van het feit dat op dat moment vaak nog niet bekend is dat het voor Nederland is bestemd. Hierbij komt dat de vuurwerkregelgeving in Europa niet is geharmoniseerd, zodat soorten of typen vuurwerk die in Nederland niet als consumentenvuurwerk zijn toegestaan, in andere landen soms vrij te koop zijn.
In het actieprogramma ter uitvoering van de Interventiestrategie verboden consumentenvuurwerk van het LOM wordt om die reden veel aandacht besteed aan het totstandbrengen van een grensoverschrijdende samenwerking bij de aanpak van het verboden consumentenvuurwerk. Aan Nederlandse kant is hierbij een rol weggelegd voor de politie, KLPD, VROM-Inspectie (Vliegende Brigade Vuurwerk en VROM-IOD), Inspectie Verkeer & Waterstaat, Douane, FIOD, Koninklijke Marechaussee en Functioneel Parket. De aanpak dient te bestaan uit een combinatie van gerichte grootschalige controleacties in de grensstreek, regelmatige controle van voertuigen waarin vaak vuurwerk wordt vervoerd en strafrechtelijke onderzoeken naar Nederlandse bedrijven en personen die zich in België, Duitsland of Luxemburg hebben gevestigd om de Nederlandse wetgeving te ontduiken. Een goede informatievoorziening en -uitwisseling is noodzakelijk. Hierbij speelt het in hoofdstuk 4 besproken Landelijk Meld- en Informatiepunt een belangrijke rol.
b Grondslag voor grensoverschrijdende samenwerking
Op het terrein van het strafrecht is het maken van zulke afspraken vermoedelijk gemakkelijker, omdat hierbij gebruik kan worden gemaakt van de bestaande rechtshulpverdragen in Europees en Benelux-verband. Bovendien bestaat er reeds geruime tijd een geregeld overleg over vuurwerkzaken tussen het Federale Parket te Brussel en het Functioneel Parket, waarbij ook de politie en de douane van beide landen, alsmede de Dienst der Springstoffen van het Belgische ministerie van Economische Zaken zijn betrokken. Dit heeft geleid tot een stelselmatige grensoverschrijdende samenwerking bij het tegengaan van de verkoop van verboden consumentenvuurwerk in België aan ingezetenen van Nederland. De grondslag hiervoor een jaarlijks ingediend en geaccordeerd rechtshulpverzoek dat betrekking heeft op alle arrondissementen in België die aan Nederland grenzen.
De justitiële autoriteiten van landen waar gerichte controleacties zullen plaatsvinden, dienen van tevoren op de hoogte te worden gebracht. Observatie in deze landen door Nederlandse opsporingsambtenaren is uitsluitend toegestaan na toestemming van de bevoegde autoriteiten in het kader van een rechtshulpverzoek. Rechtshulpverzoeken in verband met observaties in het buitenland dienen te worden verzonden via het Landelijke contact grensoverschrijdende observatie (LCGO), onderdeel van de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) van de KLPD. Telefoonnummer LCGO: 079-3459214, faxnummer: 079-3458750.
4 Bewijs in vuurwerkzaken
a Tenlasteleggingen
Overtreding van de vuurwerkregelgeving levert in veel situaties verschillende strafbare feiten op. In hoofdstuk 1 is aangegeven voor welke overtredingen kan worden vervolgd. Standaard tenlasteleggingen zijn in het automatiseringssysteem van het Openbaar Ministerie opgenomen.
b Benodigde bewijsmiddelen
Om tot een veroordeling te kunnen komen van een verdachte van vuurwerkdelicten, moeten in het opgemaakte proces-verbaal in ieder geval per omschreven situatie de volgende vragen worden beantwoord:
Overtredingen m.b.t. invoer, uitvoer en doorvoer van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. vervoer van vuurwerk
Overtredingen m.b.t. de opslag en het bedrijfsmatig voorhanden hebben van vuurwerk
Bij het aantreffen van verboden consumentenvuurwerk kan bij het verhoor van de verdachte gebruik worden gemaakt van de vragenlijst die is opgenomen in bijlage G van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005..
Overtredingen m.b.t. het voorhanden hebben van vuurwerk door particulieren
Bij het aantreffen van verboden consumentenvuurwerk kan bij het verhoor van de verdachte gebruik worden gemaakt van de vragenlijst die is opgenomen in bijlage G van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005.
Overtredingen m.b.t. verkoop, aanprijzen en afleveren van vuurwerk
Bij het aantreffen van verboden consumentenvuurwerk kan bij het verhoor van de verdachte gebruik worden gemaakt van de vragenlijst die is opgenomen in bijlage G van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005.
Overtredingen m.b.t. het afsteken/ tot ontbranding brengen van vuurwerk
c Standaard deskundigenverklaringen
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft acht standaard deskundigenverklaringen opgesteld met betrekking tot diverse soorten verboden consumentenvuurwerk. Zij bevatten een beschrijving van het vuurwerk en de specifieke gevaarsaspecten ervan. De deskundigenverklaringen kunnen (in combinatie met het proces-verbaal van onderzoek vuurwerk) als bewijs dienen dat aangetroffen vuurwerk niet voldoet aan de eisen gesteld bij het Vwb.
Alle deskundigenverklaringen staan op de website van het Nederlands Forensisch Instituut en het LMIP.
Origineel getekende exemplaren zijn aanwezig bij alle vestigingen van het Functioneel Parket en de ressortsparketten, zodat in voorkomende gevallen een conform origineel getekend exemplaar in het strafdossier kan worden gevoegd.
Indien of voorzover niet aan de hand van de deskundigenverklaringen kan worden vastgesteld of aangetroffen vuurwerk voldoet aan de Rnev, zal dat vuurwerk specifiek moeten worden onderzocht door het NFI.
5 Afdoening vuurwerkzaken
Met vervolging belast parket
De hoofdregel is dat een proces-verbaal wordt gestuurd naar de handhavingseenheid van het Functioneel Parket, dat is belast met de zaken in het gebied waar de verdachte woont of is gevestigd.
Uitzonderingen
In de volgende gevallen wordt het proces-verbaal gestuurd naar een arrondissementsparket:
tenzij die zijn begaan in samenhang met andere economische milieudelicten.
Pv gaat naar het parket van het arrondissement waar de overtreding is gepleegd.
Pv gaat naar het parket van het arrondissement waar de overtreding is gepleegd.
Op basis van het proces-verbaal (in situaties die direct optreden vereisen kan dat een beknopt proces-verbaal van bevindingen zijn) bepaalt het OM de strafrechtelijke reactie. De Wed en het Sr bieden een aantal mogelijkheden:
Politietransactie
Voor vuurwerkdelicten is geen politietransactie mogelijk.
Mini-pv
Voor een beperkt aantal vuurwerkdelicten is het mogelijk om een mini-proces-verbaal op te maken en in te sturen naar het Centraal Juridisch Incassobureau (CJIB) te Leeuwarden:
Bij niet-betaling van de OM-transactie dient een volledig proces-verbaal aan het OM te worden ingezonden. Met name in de TOBIAS pv's dient extra aandacht aan de omschrijving van de feitelijke waarnemingen van verbalisanten te worden besteed. De standaard TOBIAS omschrijvingen zijn erg summier hetgeen bij het concipiëren van de telasteleggingstekst voor de dagvaarding problemen oplevert.
In de gevallen waarin een minderjarige een vuurwerkdelict heeft begaan dat via de Halt-procedure kan worden afgedaan (zie hieronder bij afdoening minderjarigen), wordt een mini-pv alleen opgemaakt, indien de verdachte zijn Halt-afdoening niet heeft volbracht of geen Halt-afdoening wenst.
Bestuurlijke transactie
Op grond van het Transactiebesluit milieudelicten zijn de hieronder genoemde gemeenten bevoegd om voor een beperkt aantal vuurwerkdelicten een bestuurlijke transactie aan te bieden:
1 Veere
2 Vlissingen
3 Beverwijk
4 Heemskerk
5 Velsen.
De transactiebevoegdheid geldt voor de volgende vuurwerkdelicten:
De hoogte van het bijbehorende transactiebedrag is te vinden in de Richtlijn voor Strafvordering Bestuurlijke Transactie Milieudelicten.
Er kan geen bestuurlijke transactie worden aangeboden aan personen jonger dan 18 jaar.
Indien de bestuurlijke transactie niet wordt betaald, dient de buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) van de gemeente alsnog volledig proces-verbaal op te maken. Dit proces-verbaal wordt via het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) naar het Openbaar Ministerie gestuurd. Het wordt dus niet direct door de BOA naar het Functioneel Parket gestuurd, maar altijd via het CJIB. Bij het gebruik van het zogenaamde 'bonnenboekje' dient daarom altijd rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte niet betaalt. Er dienen derhalve voldoende gegevens (eigen waarneming verbalisant, verklaring verdachte, verklaring getuige, etc.) te worden genoteerd, zodat achteraf een kwalitatief goed proces-verbaal kan worden opgesteld.
De bestuurlijke transactiebevoegdheid wordt vermoedelijk in 2007 of 2008 vervangen door een strafbeschikkingsbevoegdheid (wetsvoorstel OM-afdoening, Kamerstuk 29 849).
Lik-op-stukafhandeling
Met behoud van de mogelijkheid voor de officier van justitie om ten aanzien van bepaalde delicten en/of opsporingsdiensten (deels) het hanteren van de lik-op-stukaanpak uit te sluiten, is de lik-op-stukaanpak milieudelicten bruikbaar ten aanzien van alle milieudelicten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan [18]:
De procedure voor lik-op-stuk bij vuurwerkzaken is als volgt:
Afdoening minderjarigen
In de 'Aanwijzing Halt-afdoening' d.d. 01-12-04, Stcrt 2004, 215 hanteert het College van Procureurs-Generaal als vertrekpunt dat de pedagogische benadering die aan het jeugdstrafrecht inherent is, vooral tot haar recht komt door de jeugdigen zelf de verantwoordelijkheid voor de gepleegde delicten te laten inzien en aanvaarden. Zodra het niet meer gaat om een bagatelzaak die met een reprimande van de politie kan worden afgedaan, zal een strafrechtelijke reactie moeten volgen. Het gaat bij vuurwerkdelicten zelden om een bagatelzaak, daarom zal afdoening door middel van een waarschuwing ook een uitzondering moeten zijn.
Indien is geconstateerd dat een vuurwerkdelict door een minderjarige is gepleegd, krijgt de verdachte de mogelijkheid de zaak af te doen via een Halt-procedure, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Indien verdachte naar het oordeel van Bureau Halt de Halt-procedure niet (volledig) heeft volbracht, wordt alsnog proces-verbaal opgemaakt en ingestuurd naar het bevoegde arrondissementsparket (ter attentie van de jeugdofficier van justitie). Dit moet snel gebeuren, want zaken die ouder zijn dan zes maanden, worden niet meer in behandeling genomen.
Wenst de verdachte niet aan de Halt-afdoening mee te werken, dan wordt een (mini-)proces-verbaal opgemaakt en ingestuurd naar het arrondissementsparket ter attentie van de jeugdofficier van justitie.
Een apart, maar veel voorkomend vuurwerkdelict bij minderjarigen is het afsteken of voorhanden hebben van zelfgefabriceerde (strijker)bommen. Vanwege de extreme gevaarzetting van dit 'vuurwerk' komen verdachten van dit soort delicten in beginsel niet in aanmerking voor afdoening via Halt.
Ook vormen van baldadigheid met vuurwerk, zoals het gooien van vuurwerk naar voorbijgangers en het bewust kwellen van dieren door hen met vuurwerk te bestoken, komen in beginsel niet in aanmerking voor Halt.
Jeugdigen onder 12 jaar die, al dan niet in groepsverband, Halt-waardige vuurwerkdelicten plegen, kunnen met toestemming van de ouders worden doorverwezen naar Halt voor een STOP-reactie (zie Aanwijzing 12-minners inclusief STOP-reactie, Stcr. 2004, 27).
Indien een 18- tot 21-jarige samen met een minderjarige een vuurwerkdelict begaat, kan de officier van justitie in het belang van effectieve en evenwichtige aanpak beslissen deze persoon samen met de minderjarige aan een Halt-project te laten deelnemen.
Vuurwerkzaken tegen een minderjarige worden (als ze vanwege de zwaarte van het delict niet transigeerbaar zijn [19] of als de verdachte niet wenst te schikken) aangebracht bij de kinderrechter. Het verdient aanbeveling om bij de voorbereiding van complexe zaken een milieuspecialist van het Functioneel Parket (handhavingseenheid) te betrekken.
In hoofdstuk 2, onder j, is het aanhouden van minderjarigen besproken.
Plaats van vervolging
In verband met een doelmatige procesgang worden verdachten van vuurwerkdelicten - in afwijking van de afspraak met betrekking tot gewone milieudelicten - vervolgd in het arrondissement dat op grond van de woon- of verblijfplaats bevoegd is. Voor bedrijven geldt dit met betrekking tot de vestigingsplaats. Een keten van winkelbedrijven wordt vervolgd in het arrondissement dat bevoegd is op grond van de vestigingsplaats van de hoofdvestiging. Het proces-verbaal wordt ingediend bij de vestiging van het FP binnen wiens werkgebied het betreffende arrondissement valt.
Rechtspersoon
Bij overtredingen die binnen een rechtspersoon zijn gepleegd, is het voor het OM ook van belang om een goed beeld te hebben van de rol van natuurlijke personen daarin. Naarmate hun als (mede)plegers of feitelijke leidinggevers een groter verwijt kan worden gemaakt, zal er reden zijn om hen naast of in plaats van de rechtspersoon te vervolgen, vooral ook met het oog op de preventie.
Afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk
Om een veilige, efficiënte en wettige afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk te kunnen waarborgen, hebben de Raad van Hoofdcommissarissen, het College van procureurs-generaal en de Directie der Domeinen (bewaarder van vuurwerk) hierover in 2005 de hieronder weergegeven afspraken gemaakt. Zie ook het stroomschema op p. 107 van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005. Het is van groot belang dat alle betrokkenen bij de politie en andere opsporingsinstanties, het OM en Domeinen hiervan kennis nemen en dienovereenkomstig handelen.
Hoofdlijnen
uitzondering: bij een grote partij kan na overleg met Domeinen worden besloten om de inventarisatie of het (uitwendig) onderzoek aan het vuurwerk te verrichten binnen vijf werkdagen nadat het vuurwerk door of namens Domeinen is afgevoerd naar Ulicoten en daar in ontvangst is genomen. Na verloop van vijf werkdagen is (nader) onderzoek of monsterneming (ten behoeve van technisch onderzoek) in Ulicoten uitsluitend mogelijk na opdracht van de officier van justitie.
uitzondering: indien het gaat om vuurwerk waarvan afstand is gedaan, mogen diverse partijen vuurwerk van dezelfde gevarenklasse met een gezamenlijk gewicht van maximaal 250 kg bij elkaar worden gevoegd en voorzien van één kvi-nummer.
Uitzondering: verzoek om beslissing blijft achterwege bij een partij van niet meer dan 250 kg, omdat hiervoor door de hoofdofficier van het Functioneel Parket aan elk politiekorps een algemene opdracht tot deponeren en aan Domeinen een algemene machtiging tot vernietigen is gegeven.
Uitzondering: indien een partij vuurwerk behorend tot klasse 1.4 G of 1.4 S, groter is dan 250 kg, wordt gehandeld als onder 3 is beschreven.
Afstand van in beslag genomen vuurwerk
Aan de verdachte moet altijd onmiddellijk worden gevraagd of het vuurwerk aan hem toebehoort en of hij afstand wil doen van (desnoods een deel van) het in beslag genomen vuurwerk. Dit dient ook te gebeuren indien de verdachte wordt doorverwezen naar Halt.
Bij het inventariseren moet zo volledig en nauwkeurig mogelijk worden beschreven wat is aangetroffen: zoals aantal stuks vuurwerk van elk aangetroffen type (dus niet '10 dozen strijkers', maar bijvoorbeeld '500 strijkers type Pirat en 500 strijkers type Raider'). Tevens moet van elk aangetroffen type het gewicht van één stuk zorgvuldig worden vastgesteld. Een en ander wordt vastgelegd in een kennisgeving van inbeslagneming (kvi).
Voorts dient het vuurwerk onderzocht te worden op de eisen die aan het vuurwerk en de verpakking zijn gesteld bij of krachtens het Vwb of de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zijn gesteld, waaronder ook de etikettering, aanduiding 'geschikt voor particulier gebruik' [20] en een Nederlandse gebruiksaanwijzing. Voorts moet van elk aangetroffen type worden aangegeven op welke lijst van de strafvorderingsrichtlijn (I t/m IV) het voorkomt. Hiervan wordt een pv van onderzoek opgemaakt (zie bijlage H van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005).
In gevallen waarin sprake is van een gevaarlijke situatie, gelet op het soort vuurwerk of de omstandigheden waarin het werd aangetroffen (bijv. in of buiten originele verpakking, in achterbak van personenauto, in of onder woning), is het verstandig dit schriftelijk en met foto's vast te leggen in een proces-verbaal.
Indien in een partij soorten of typen vuurwerk worden aangetroffen waarvoor geen deskundigenverklaring van het NFI bestaat of waarvan niet aan de hand van de deskundigenverklaringen met zekerheid kan worden vastgesteld of en, zo ja, op welke punten het soort of type het in strijd is met de Rnev, wordt een aantal monsters (en contramonsters) genomen voor onderzoek door het NFI. Op het aanmeldingsformulier vuurwerk (zie bijlage K van het Handhavingsdocument Vuurwerk 2005 wordt aan Domeinen kenbaar gemaakt welke stuks vuurwerk als monster/contramonster moeten worden bewaard in afwachting van overdracht aan het NFI (monsters) en eventueel een ander onderzoeksinstituut (contramonsters) .
Nadat de betrokken opsporingsambtenaar aan het NFI het verzoek heeft gedaan tot het onderzoeken van de monsters, neemt hij contact op met Domeinen in Veldhoven met het verzoek te willen zorgen voor vervoer van de monsters naar en overdracht ervan aan het NFI. De opsporingsambtenaar legt hierbij een schriftelijke opdracht van de officier van justitie over.
De kosten van het vervoer en de overdracht zijn opsporingskosten in de zin van de Circulaire afbakening politie-/justitiekosten en komen derhalve voor rekening van de opsporingsinstantie.
Zie ook hoofdstuk 2, onder h.
Voor de politie en andere inbeslagnemende instanties is een werkinstructie opgesteld. Bij elke instantie is iemand belast met het toezicht op de naleving ervan. Bovendien zijn één of meer medewerkers opgeleid voor de afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk.
Uiterlijk één dag na ontvangst van het verzoek om een beslissing faxt het parket [21] de beslissing van de officier van justitie terug naar de instantie die het vuurwerk in beslag heeft genomen (ter voeging bij het op te maken pv) en tevens naar Domeinen in Veldhoven (faxnummer 0475-535595). De zaak krijgt nog geen parketnummer, maar wordt afgedaan op het nummer van het pv/kvi (uitsluitend in die gevallen waarin vuurwerk moet worden gedeponeerd, wordt de zaak door het parket voorzien van een parketnummer). Ingevolge het Besluit in beslag genomen voorwerpen is vuurwerk niet geschikt voor opslag. Daarom dient het beslag van vuurwerk zo snel mogelijk te worden afgehandeld. Er zijn drie mogelijkheden:
Indien verdachte (als eigenaar) weigert afstand te doen van toegestaan vuurwerk, kan bij partijen van aanzienlijke waarde het vuurwerk het best worden gedeponeerd bij Domeinen. Wel dient dan bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsnog verbeurdverklaring te worden gevraagd. Wanneer het slechts om enkele pakketten gaat, kan de beslissing 'vervreemden als bedoeld in artikel 117, eerste lid, Sv' worden gegeven.
N.B. In alle gevallen waarin een verdachte geen afstand heeft gedaan, dient nog wel een (eind)beslissing van de rechter te worden gevraagd:
Indien met betrekking tot toegestaan consumentenvuurwerk wordt besloten tot handelen als ware het verbeurd verklaard ex artikel 116, tweede lid, Sv, of vervreemden ex artikel 117, eerste lid, Sv, wordt het vuurwerk (met de beslissing van de officier van justitie) afgevoerd door of namens Domeinen, die voor verkoop aan een bonafide handelaar zorg draagt. De opbrengst gaat in dat geval naar de Staat. Het is niet aan te raden deze beslissing te geven ten aanzien van professioneel vuurwerk dat op grond van de omstandigheden waaronder het is aangetroffen moet worden aangemerkt als (verboden) consumentenvuurwerk. Iedere kans dat het vuurwerk (opnieuw) op de particuliere markt wordt gebracht, moet worden uitgesloten. Het vervreemden van toegestaan vuurwerk door de politie of een andere inbeslagnemende instantie is niet toegestaan.
Domeinen draagt zorg voor de vernietiging van inbeslaggenomen vuurwerk. Het is aan de politie of andere inbeslagnemende instanties niet toegestaan zelf vuurwerk te vernietigen, bijvoorbeeld door het in water te dompelen en als gevaarlijk afval af te geven!
Vervoer van vuurwerk van de plaats van inbeslagneming naar een politiebureau of de regionale opslagplaats door de politie zelf, is slechts toegestaan onder de volgende omstandigheden:
Het gebruik van vuilniszakken moet in verband met het gevaar voor statische lading ten sterkste worden afgeraden!
In 2005 wordt nog gewerkt volgens de Circulaire afbakening politie-/justitiekosten. Met ingang van 2006 komen alle kosten van inbeslaggenomen vuurwerk voor rekening van het OM, met uitzondering van:
De kosten van het overbrengen van monsters vanaf Ulicoten naar het NFI (voor rekening van de opsporingsinstantie).
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Met de handel in verboden consumentenvuurwerk kan veel geld worden verdiend. Dat betekent dat bij de strafrechtelijke aanpak eventuele criminele winsten moeten worden ontnomen. Voor een betrouwbare berekening van het verkregen voordeel is het noodzakelijk te beschikken over de administratie van handelaars, chauffeurs of anderen die bij de handel betrokken zijn. Bij elk onderzoek dient hiermee rekening te worden gehouden. Alles wat in- en verkoopprijzen of aanduidingen van een bepaald type vuurwerk kan bevatten dient daarom in beslag te worden genomen.
Het wederrechtelijk voordeel wordt berekend door de omzet van het verkochte vuurwerk te berekenen, minus de voor dat vuurwerk betaalde inkoopprijs en eventueel gemaakte kosten.
Het is dus van belang te achterhalen hoeveel van elk type vuurwerk is verkocht en welke prijzen daarvoor zijn berekend. Indien de werkelijke verkoopprijs niet meer is te achterhalen, mag worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs in vergelijkbare gevallen. De regionale politievuurwerkteams zullen meestal beschikken over informatie over de in hun regio gehanteerde prijzen. Van de berekende omzet wordt de inkoopprijs afgetrokken. Verder kunnen als kosten worden afgetrokken, die kosten die in een redelijk verband staan met de vuurwerkhandel. Te denken valt aan gemaakte advertentiekosten, benzinekosten en huur van transportmiddelen. Een en ander is nader uitgewerkt in de Aanwijzing ontneming van het College van procureurs-generaal (reg. nr. 2005A002; Stcrt. 2005, 21).
Ook bij het opslaan van meer of zwaarder vuurwerk dan toegestaan in vergunde of gemelde inrichtingen, wordt economisch voordeel behaald. Te denken valt aan het opslaan voor een ander, waarbij de opbrengst van de verhuur van opslagruimte als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. Ook besparingen op kosten van het huren van opslagruimte en het doen van benodigde investeringen kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontbreken van een financiële zekerheidstelling levert ook economisch voordeel op.
Bij grotere zaken verdient het aanbeveling contact op te nemen met de afdeling binnen de politieregio die zich met financieel rechercheren bezighoudt, het Bureau Ontnemingen OM (BOOM) en/of de milieu-officier.
Strafvorderingsrichtlijn
Bij het vaststellen van een vervolgingsbeslissing dient de richtlijn voor de strafvordering vuurwerkovertredingen, reg. nr. 2005R008, d.d. 24-10-05, als uitgangspunt.
Deskundigen ter zitting
Een belangrijk verweer dat in vuurwerkzaken wordt gevoerd, is het verweer dat van het aangetroffen vuurwerk niet is bewezen dat het gaat om verboden consumentenvuurwerk. Naast de standaard deskundigenverklaringen kunnen verklaringen van deskundigen ter zitting een zaak versterken. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan mensen van het Nederlands Forensisch Instituut.
[1] Indien geen ontbrandingstoestemming is verleend, is mogelijk ook geen evenementenvergunning afgegeven. Dit is een overtreding van de APV.
voetnoten 2 t/m 11 staan in het Word document behorende bij onderdeel c
[12] HR 9 maart 1993, NJ 1993, 633 ro 5.1 en
5.2
[13] TK 1968-1969, 9608
[14] Deze aanduiding mag alleen voorkomen op
vuurwerk dat voldoet aan de eisen aan consumentenvuurwerk
(Rnev).
[15] Meer dan 25 kg wordt in beginsel als
bedrijfsmatig beschouwd. Onder de 25 kg hangt het af van de
omstandigheden. Opslag van 5.000 rotjes met een gewicht van 20
kg wordt eerder als bedrijfsmatig beschouwd dan vijf
sierpakketten met in totaal hetzelfde gewicht.
[16] De aanduiding 'Geschikt voor
particulier gebruik' mag alleen voorkomen op vuurwerk dat
voldoet aan de eisen aan consumentenvuurwerk (Rnev).
[17] De aanduiding 'Geschikt voor
particulier gebruik' mag alleen voorkomen op vuurwerk dat
voldoet aan de eisen aan consumentenvuurwerk (Rnev).
[18] Dit wordt door het parket beoordeeld.
In geval van twijfel is het verstandig dat de politie vooraf
contact opneemt met de vraag of de zaak voor
lik-op-stukafhandeling in aanmerking komt.
[19] Zie de Richtlijn voor de strafvordering
vuurwerkovertredingen, reg. nr. 2005R008, d.d. 24-10-05.
[20] Deze aanduiding mag alleen voorkomen op
vuurwerk dat voldoet aan de eisen aan consumentenvuurwerk
(Rnev).
[21] Dit is het bijna altijd het Functioneel
Parket. Uitsluitend in gevallen waarin het gaat om vuurwerk
dat in beslag is genomen onder een minderjarige, dan wel in
verband met overtreding van het te vroeg afsteken van
consumentenvuurwerk, het voorhanden hebben van maximaal 300
strijkers of wegens handelen in strijd met de
vuurwerkbepalingen van een APV, neemt het
arrondissementsparket de beslissing.