Aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO
-Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, Pb EG 1997 L 10/13<BR> -Besluit risico's zware ongevallen, Stb. 1999, 234
Aanleiding voor deze aanwijzing is de uitvoering van art. 14,
tweede lid, van richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de
Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van
de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken (Pb EG 1997 L 10), hierna: de EG-richtlijn. Deze
EG-richtlijn heeft tot doel zware ongevallen waarbij gevaarlijke
stoffen zijn betrokken, te voorkomen en de gevolgen daarvan voor
mens en milieu te beperken.
In de geest van deze EG-Richtlijn is het van belang dat in geval
van zware ongevallen zoveel mogelijk informatie wordt verzameld
met het oog op preventie. De mogelijkheden waarover het OM en de
opsporingsdiensten beschikken, mogen hierbij niet onbenut
blijven. Via strafrechtelijke onderzoeken kan informatie worden
verzameld die een meerwaarde kan hebben ten opzichte van
informatie die door het bestuur is of wordt verzameld. Deze
informatie kan gebruikt worden om een gedragsverandering bij de
betreffende bedrijven tot stand te brengen door ervoor te zorgen
dat in het bedrijf waarin zich een zwaar ongeval heeft
voorgedaan, alle nodige maatregelen worden getroffen. Zo nodig
dient door het OM een vervolging te worden ingesteld.
Deze aanwijzing regelt het strafrechtelijk onderzoek bij zware
ongevallen en op basis hiervan te treffen strafrechtelijke
maatregelen.
1. Art. 14, tweede lid, van richtlijn nr.
96/82/EG
Art. 14 van de EG-richtlijn geeft een regeling voor de situatie
nadat zich een zwaar ongeval in de zin van de richtlijn heeft
voorgedaan. Onder een zwaar ongeval wordt daarbij verstaan een
gebeurtenis, zoals een zware emissie, brand of explosie als
gevolg van onbeheerste ontwikkelingen tijdens de
bedrijfsuitoefening in een onder deze richtlijn begrepen
inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van
tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of
buiten de inrichting en/of voor het milieu ontstaat en waarbij
een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Gevaarlijke
stoffen in de zin van de EG-richtlijn zijn: stoffen, mengsels of
preparaten, genoemd in de bij deze aanwijzing behorende bijlage,
deel 1, of beantwoordend aan de criteria in deel 2 van de
bijlage, en aanwezig als grondstof, produkt, bijprodukt, residu
of tussenprodukt, met inbegrip van die waarvan redelijkerwijs mag
worden verwacht dat zij bij een ongeval ontstaan.
Ingevolge art. 14, eerste lid, van de EG-richtlijn dient van een
zwaar ongeval en van de getroffen noodmaatregelen melding te
worden gedaan aan de bevoegde autoriteit. Deze bepaling is
geïmplementeerd door een integrale regeling voor alle
inrichtingen in het hoofdstuk Maatregelen in bijzondere
omstandigheden van de Wet milieubeheer en een algemene maatregel
van bestuur op grond van de Wet milieubeheer, de
Arbeidsomstandighedenwet en de Wet rampen en zware ongevallen
(Besluit risicos zware ongevallen 1999, Stb. 234). Daarnaast
dienen op grond van art. 14, tweede lid, van de EG-richtlijn de
lidstaten de bevoegde autoriteit opdracht te geven om, ingeval
zich een zwaar ongeval heeft voorgedaan:
Het belang van art. 14, tweede lid, is tweeërlei. Ten eerste
moet worden verzekerd dat de nodige maatregelen inderdaad door de
houder van een inrichting worden getroffen. Daarnaast is het
verzamelen van gegevens van belang in verband met het te
verkrijgen inzicht in de aard en oorzaak van een zwaar ongeval.
Daarmee kan onder meer kennis worden opgedaan om ongevallen in de
toekomst te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.
2. Het verrichten van strafrechtelijk onderzoek en
het nemen van strafrechtelijke maatregelen
Uit de omzetting van de EG-richtlijn in de Nederlandse rechtsorde
vloeien formeel geen verplichtingen voort voor het OM. Gelet op
het maatschappelijke belang van een adequate reactie van de
overheid op een zwaar ongeval, is het College van
procureurs-generaal echter van mening dat de mogelijkheden
waarover het OM en de opsporingsdiensten beschikken om door het
verrichten van onderzoek de nodige gegevens voor de analyse van
het zware ongeval te completeren of door gebruik van
strafvorderlijke bevoegdheden te verzekeren dat de nodige
maatregelen door degene die de inrichting drijft, worden
getroffen, hierbij niet onbenut mogen blijven.
De in het kader van deze aanwijzing belangrijkste verplichtingen
voor het OM zijn dat indien zich een zwaar ongeval, in de zin van
de EG-richtlijn heeft voorgedaan én er sprake is van een redelijk
vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, het in de rede ligt
dat:
De resultaten van het strafrechtelijk onderzoek kunnen
worden gebruikt om de analyse van het zware ongeval te
completeren en aanbevelingen te doen voor toekomstige preventieve
maatregelen. Over een voornemen tot het gebruik van bevoegdheden
op grond van de Wet op de economische delicten, zoals het in
dringende gevallen treffen of vorderen van een voorlopige
maatregel als bedoeld in de artt. 28 en 29, wordt, zoveel
mogelijk, overleg gepleegd met het bestuursrechtelijk bevoegd
gezag met het oog op een afstemming van de ten aanzien van degene
die de inrichting drijft, te nemen maatregelen.
Het bevoegd gezag voor de onder deze aanwijzing begrepen
inrichtingen is ingevolge de milieuwetgeving in de regel het
college van burgermeesters en wethouders (bij inrichtingen met
relatief geringe milieurisicos), dan wel het college van
gedeputeerde staten (bij inrichtingen met relatief grote
milieurisicos). Bij inrichtingen die lozen op het
oppervlaktewater, is tevens de minister van V en W (i.c.
Rijkswaterstaat) of het dagelijks bestuur van een waterschap
bevoegd gezag. Zij beschikken over toezichthouders die gegevens
kunnen verzamelen. Tevens kan ook de ter plaatse bevoegde
inspecteur voor de milieuhygiëne gegevens verzamelen. Het bevoegd
gezag is ook belast met controles en het, zo nodig, treffen van
bestuursrechtelijke maatregelen om naleving te verzekeren.
Het bevoegd gezag voor de gezondheid van mensen binnen de
inrichting is de Minister van SZW, hierin bijgestaan door de
Arbeidsinspectie. Bevoegd gezag voor de gezondheid van mensen
buiten de inrichting zijn de Minister van VWS, hierin bijgestaan
door de Inspectie voor de Volksgezondheid, en de Minister van BZK
(bij rampen) en de burgemeester, bijgestaan door de brandweer.
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum
van inwerkingtreding.
Toepassing van dit besluit:
Deel 2: Categorieën stoffen, mengsels en preparaten die niet uitdrukkelijk in deel 1 worden genoemd ammoniumnitraat |
[1] Dit geldt voor ammoniumnitraat en
mengsels van ammoniumnitraat waarin het stikstofgehalte
afkomstig van het ammoniumnitraat hoger is dan 28
gewichtspercent en die niet onder noot 2 vallen en voor
waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraat
van meer dan 90 gewichtspercent.
[2] Dit geldt voor enkelvoudige
ammoniumnitraat-maatstoffen die voldoen aan richtlijn nr.
80/876EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 15 juli
1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
der Lid-Staten inzake enkelvoudige meststoffen op basis van
ammoniumnitraat met een hoog stikstofgehalte (PbEG L 250) en
aan samengestelde meststoffen waarin stikstofgehalte afkomstig
van het ammoniumitraat hoger is dan 28 gewichtspercent (de
samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of
potas).
[3] De hoeveelheden polychloordibenzofuranen
en polychloordibenzodioxinen worden berekend aan de hand van
de volgende wegingsfactoren:
| Kolom 1 Gevaarlijke stoffen en preparaten die zijn ingedeeld als: | Kolom 2 Drempelwaarde in ton voor de toepassing van de artikelen 4, 5, 6 en 26 | Kolom 3 Drempelwaarde in ton voor de toepassing van de artikelen 8, 9, 11, 13, 14, 21 en 22 |
1. Zeer giftig | 5 | 20 |
2. Giftig | 50 | 200 |
3. Oxiderend | 50 | 200 |
4. Ontplofbaar | 50 | 200 |
5. Ontplofbaar | 10 | 50 |
6. Ontvlambaar | 5000 | 50000 |
7a. Licht ontvlambaar | 50 | 200 |
7b. Licht ontvlambaar | 5000 | 50000 |
8. Zeer licht ontvlambaar | 10 | 50 |
9. Gevaarlijk voor het milieu in combinatie met waarschuwingszin:
| 200 500 | 500 2000 |
10. Stoffen en preparaten die niet zijn ingedeeld in een van de bovengenoemde categorieën in combinatie met de volgende waarschuwingszinnen:
| 100 50 | 500 200 |
| Internationale Toxische Equivalentie
Factoren (ITEF) voor de van belang zijnde congeneren
(NATO/CCMS) | |||
| 2,3,7,8-TCDD | 1 | 2,3,7,8-TCDF | 0,1 |
| 1,2,3,7,8-PeDD | 0,5 | 2,3,4,7,8-PeCDF | 0,5 |
| 1,2,3,7,8-PeCDF | 0,05 | ||
| 1,2,3,4,7,8-HxCDD | 0,1 | ||
| 1,2,3,6,7,8-HxCDD | 0,1 | 1,2,3,4,7,8-HxCDF | 0,1 |
| 1,2,3,7,8,9-HxCDD | 0,1 | 1,2,3,7,8,9-HxCDF | 0,1 |
| 1,2,3,6,7,8-HxCDF | 0,1 | ||
| 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD | 0,01 | 2,3,4,6,7,8-HxCDF | 0,1 |
| OCDD | 0,001 | 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF | 0,01 |
| 1,2,3,4,6,8,9-HpCDF | 0,01 | ||
| OCDF | 0,001 | ||
| (T=tetra, P=penta, Hx=hexa, HP=hepta,
O=octa) | |||
Voor stoffen en preparaten die niet volgens een van de
bovenstaande richtlijnen als gevaarlijk zijn ingedeeld en die in
een inrichting aanwezig mogen zijn en die, gelet op de heersende
omstandigheden in de inrichting, risicos van een zwaar ongeval
kunnen veroorzaken, worden de procedures voor de voorlopige
indeling overeenkomstig het betreffende artikel van de betrokken
richtlijn gevolgd.
Voor stoffen en preparaten die zodanige eigenschappen hebben dat
zij op verschillende wijzen kunnen worden ingedeeld, geldt de
laatste drempelwaarde.