Aanwijzing strafrechtelijk onderzoek bij zware ongevallen met gevaarlijke stoffen (2000A020)

Kruimelpad

Inhoud pagina: Aanwijzing strafrechtelijk onderzoek bij zware ongevallen met gevaarlijke stoffen (2000A020)

Categorie
  • opsporing
Rechtskarakter

Aanwijzing i.d.z.v. art. 130 lid 4 Wet RO

Afzender
College van procureurs-generaal
Adressaat
Hoofden van de parketten
Registratienummer
2000A020
Datum vaststelling
3 oktober 2000
Datum inwerkingtreding
15 november 2000
Geldigheidsduur
15 november 2004
Verlengde geldigheid
30 oktober 2012
Publicatie in Staatscourant
2000, 236 en 2004, 227
Wetsbepalingen

-Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, Pb EG 1997 L 10/13<BR> -Besluit risico's zware ongevallen, Stb. 1999, 234

Jurisprudentie
-
Bijlagen
1

Achtergrond:

Aanleiding voor deze aanwijzing is de uitvoering van art. 14, tweede lid, van richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Pb EG 1997 L 10), hierna: de EG-richtlijn. Deze EG-richtlijn heeft tot doel zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

In de geest van deze EG-Richtlijn is het van belang dat in geval van zware ongevallen zoveel mogelijk informatie wordt verzameld met het oog op preventie. De mogelijkheden waarover het OM en de opsporingsdiensten beschikken, mogen hierbij niet onbenut blijven. Via strafrechtelijke onderzoeken kan informatie worden verzameld die een meerwaarde kan hebben ten opzichte van informatie die door het bestuur is of wordt verzameld. Deze informatie kan gebruikt worden om een gedragsverandering bij de betreffende bedrijven tot stand te brengen door ervoor te zorgen dat in het bedrijf waarin zich een zwaar ongeval heeft voorgedaan, alle nodige maatregelen worden getroffen. Zo nodig dient door het OM een vervolging te worden ingesteld.

Samenvatting:

Deze aanwijzing regelt het strafrechtelijk onderzoek bij zware ongevallen en op basis hiervan te treffen strafrechtelijke maatregelen.

Opsporing:

1. Art. 14, tweede lid, van richtlijn nr. 96/82/EG

Art. 14 van de EG-richtlijn geeft een regeling voor de situatie nadat zich een zwaar ongeval in de zin van de richtlijn heeft voorgedaan. Onder een zwaar ongeval wordt daarbij verstaan een gebeurtenis, zoals een zware emissie, brand of explosie als gevolg van onbeheerste ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een onder deze richtlijn begrepen inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting en/of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Gevaarlijke stoffen in de zin van de EG-richtlijn zijn: stoffen, mengsels of preparaten, genoemd in de bij deze aanwijzing behorende bijlage, deel 1, of beantwoordend aan de criteria in deel 2 van de bijlage, en aanwezig als grondstof, produkt, bijprodukt, residu of tussenprodukt, met inbegrip van die waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij bij een ongeval ontstaan.

Ingevolge art. 14, eerste lid, van de EG-richtlijn dient van een zwaar ongeval en van de getroffen noodmaatregelen melding te worden gedaan aan de bevoegde autoriteit. Deze bepaling is geïmplementeerd door een integrale regeling voor alle inrichtingen in het hoofdstuk Maatregelen in bijzondere omstandigheden van de Wet milieubeheer en een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet milieubeheer, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet rampen en zware ongevallen (Besluit risicos zware ongevallen 1999, Stb. 234). Daarnaast dienen op grond van art. 14, tweede lid, van de EG-richtlijn de lidstaten de bevoegde autoriteit opdracht te geven om, ingeval zich een zwaar ongeval heeft voorgedaan:

  1. te waarborgen dat alle nodig gebleken noodmaatregelen en maatregelen op middellange en op lange termijn worden getroffen;
  2. de voor een volledige analyse van de technische, organisatorische en beheersaspecten van het zware ongeval benodigde gegevens door middel van inspectie, onderzoek of op enigerlei andere passende wijze te verzamelen;
  3. passende stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen tot verbetering neemt en
  4. aanbevelingen te doen voor toekomstige preventieve maatregelen.

Het belang van art. 14, tweede lid, is tweeërlei. Ten eerste moet worden verzekerd dat de nodige maatregelen inderdaad door de houder van een inrichting worden getroffen. Daarnaast is het verzamelen van gegevens van belang in verband met het te verkrijgen inzicht in de aard en oorzaak van een zwaar ongeval. Daarmee kan onder meer kennis worden opgedaan om ongevallen in de toekomst te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

2. Het verrichten van strafrechtelijk onderzoek en het nemen van strafrechtelijke maatregelen

Uit de omzetting van de EG-richtlijn in de Nederlandse rechtsorde vloeien formeel geen verplichtingen voort voor het OM. Gelet op het maatschappelijke belang van een adequate reactie van de overheid op een zwaar ongeval, is het College van procureurs-generaal echter van mening dat de mogelijkheden waarover het OM en de opsporingsdiensten beschikken om door het verrichten van onderzoek de nodige gegevens voor de analyse van het zware ongeval te completeren of door gebruik van strafvorderlijke bevoegdheden te verzekeren dat de nodige maatregelen door degene die de inrichting drijft, worden getroffen, hierbij niet onbenut mogen blijven.

De in het kader van deze aanwijzing belangrijkste verplichtingen voor het OM zijn dat indien zich een zwaar ongeval, in de zin van de EG-richtlijn heeft voorgedaan én er sprake is van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, het in de rede ligt dat:

  1. een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld en
  2. zo nodig, met gebruikmaking van de bevoegdheden op grond van de Wet op de economische delicten (o.a. artt. 7, 8, 28 of 29), ervoor wordt gezorgd dat degene die de inrichting drijft, de nodige maatregelen treft en
  3. zo nodig en mogelijk tegen degenen die strafrechtelijk verantwoordelijk worden geacht voor het ongeval, een vervolging wordt ingesteld.

De resultaten van het strafrechtelijk onderzoek kunnen worden gebruikt om de analyse van het zware ongeval te completeren en aanbevelingen te doen voor toekomstige preventieve maatregelen. Over een voornemen tot het gebruik van bevoegdheden op grond van de Wet op de economische delicten, zoals het in dringende gevallen treffen of vorderen van een voorlopige maatregel als bedoeld in de artt. 28 en 29, wordt, zoveel mogelijk, overleg gepleegd met het bestuursrechtelijk bevoegd gezag met het oog op een afstemming van de ten aanzien van degene die de inrichting drijft, te nemen maatregelen.

Het bevoegd gezag voor de onder deze aanwijzing begrepen inrichtingen is ingevolge de milieuwetgeving in de regel het college van burgermeesters en wethouders (bij inrichtingen met relatief geringe milieurisicos), dan wel het college van gedeputeerde staten (bij inrichtingen met relatief grote milieurisicos). Bij inrichtingen die lozen op het oppervlaktewater, is tevens de minister van V en W (i.c. Rijkswaterstaat) of het dagelijks bestuur van een waterschap bevoegd gezag. Zij beschikken over toezichthouders die gegevens kunnen verzamelen. Tevens kan ook de ter plaatse bevoegde inspecteur voor de milieuhygiëne gegevens verzamelen. Het bevoegd gezag is ook belast met controles en het, zo nodig, treffen van bestuursrechtelijke maatregelen om naleving te verzekeren.

Het bevoegd gezag voor de gezondheid van mensen binnen de inrichting is de Minister van SZW, hierin bijgestaan door de Arbeidsinspectie. Bevoegd gezag voor de gezondheid van mensen buiten de inrichting zijn de Minister van VWS, hierin bijgestaan door de Inspectie voor de Volksgezondheid, en de Minister van BZK (bij rampen) en de burgemeester, bijgestaan door de brandweer.

Overgangsrecht:

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.


Bijlage 1


Toepassing van dit besluit:

  1. Mengsels en preparaten worden behandeld als zuivere stoffen, mits zij binnen de concentratiegrenzen blijven zoals deze zijn opgenomen in de in deel 2, voetnoot 4, genoemde richtlijnen welke aan de hand van hun eigenschappen krachtens de desbetreffende richtlijn of de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang zijn vastgesteld, tenzij specifiek een samenstellingspercentage of een andere Beschrijving wordt gegeven.
  2. De onderstaande drempelwaarden gelden per inrichting.
  3. De voor de toepassing van de artikelen in aanmerking te nemen hoeveelheden zijn de maximumhoeveelheden die op grond van de vergunning aanwezig mogen zijn. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2% of minder van de vermelde drempelwaarde in een inrichting aanwezig zijn of mogen zijn, worden bij de berekening van de totale aanwezige hoeveelheid buiten beschouwing gelaten, indien zij zich op een zodanige plaats in de inrichting bevinden dat deze niet de oorzaak van een zwaar ongeval elders binnen de inrichting kan zijn.
  4. De in deel 3 vermelde regels voor het optellen van gevaarlijke stoffen of categorieën gevaarlijke stoffen zijn in voorkomende gevallen op deel 1 en deel 2 van toepassing.
Deel 1:Met name genoemde stoffen

Kolom 1

Gevaarlijke stof
Kolom 2

Drempelwaarde in ton voor de toepassing van de artikelen 4, 5, 6 en 26
Kolom 3

Drempelwaarde in ton voor toepassing van de artikelen 8, 9, 11, 13, 14, 21 en 22
1. Acetyleen

5

50

2. Ammoniumnitraat [1]

350

2500

3. Ammoniumnitraat-kunstmest [2]

1250

5000

4. Arseentrihydride (arsine)

0,2

1

5. Benzine en andere aardoliefracties

5000

50000

6. Broom

20

100

7. Carbonylchoride (fosgeen)

0,3

0,75

8. Chloor

10

25

9. Diarseenpentoxide, arseen (V) zuur en/of zouten daarvan

1

2

10. Diarseentrioxide, arseen (III) zuur en/of zouten daarvan

0,1

11. Ethyleenimine

10

20

12. Ethyleenoxide

5

50

13. Fluor

10

20

14. Formaldehyde (concentratie > 90%)

5

50

15. Forfortrihydride (fosfine)

0,2

1

16. Loodalkylen

5

50

17. Methanol

500

5000

18. poedervormige 4,4-methyleenbis (2-chlooraniline) en/of zouten daarvan

0,01

19. Methylisocyanaat

0,15

20. Inhaleerbare poedervormige nikkelverbindingen (nikkelmonoxide, nikkeldioxide, nikkelsulfide, trinikkeldisulfide, dinikkeltrioxide)

1

21. Polychloordibenzofuranen [3] en polychloordibenzodioxinen (inclusief TCDD) uitgedrukt in TCDD-equivalent

0,001

22. Propyleenoxide

5

50

23. Tolueendiisocynaat

10

100

24. Waterstof

5

50

25. Zeer licht ontvlambare vloeibare gassen (inclusief LPG) en aardgas

50

200

26. Zoutzuur (vloeibaar gas)

25

250

27. Zuurstof

200

2000

28. Zwaveldichloride

1

1

29. Zwaveltrioxide

15

75

30. De volgende carcinogenen:

4-aminobifenyl en/of de zouten daarvan, benzidine en/of de zouten daarvan, di (chloormethyl) ether, chloormethylether, dimethylcarbamoylchloride, dimethylnitrosamine, hexamethylfosforzuurtriamide, 2-naftylamine en/of de zouten daarvan, 1,3-propaansulton, 4-nitrodifenyl

0,001

0,001




Deel 2: Categorieën stoffen, mengsels en preparaten die niet uitdrukkelijk in deel 1 worden genoemd

ammoniumnitraat


[1] Dit geldt voor ammoniumnitraat en mengsels van ammoniumnitraat waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat hoger is dan 28 gewichtspercent en die niet onder noot 2 vallen en voor waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraat van meer dan 90 gewichtspercent.
[2] Dit geldt voor enkelvoudige ammoniumnitraat-maatstoffen die voldoen aan richtlijn nr. 80/876EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake enkelvoudige meststoffen op basis van ammoniumnitraat met een hoog stikstofgehalte (PbEG L 250) en aan samengestelde meststoffen waarin stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumitraat hoger is dan 28 gewichtspercent (de samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of potas).
[3] De hoeveelheden polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen worden berekend aan de hand van de volgende wegingsfactoren:

Kolom 1

Gevaarlijke stoffen en preparaten die zijn ingedeeld als:
Kolom 2

Drempelwaarde in ton voor de toepassing van de artikelen 4, 5, 6 en 26
Kolom 3

Drempelwaarde in ton voor de toepassing van de artikelen 8, 9, 11, 13, 14, 21 en 22

1. Zeer giftig

5

20

2. Giftig

50

200

3. Oxiderend

50

200

4. Ontplofbaar

50

200

5. Ontplofbaar

10

50

6. Ontvlambaar

5000

50000

7a. Licht ontvlambaar

50

200

7b. Licht ontvlambaar

5000

50000

8. Zeer licht ontvlambaar

10

50

9. Gevaarlijk voor het milieu in combinatie met waarschuwingszin:

  1. R50 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen)
  2. R51 (giftig voor in het water levende organismen) en R53 (kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken)





200




500





500




2000

10. Stoffen en preparaten die niet zijn ingedeeld in een van de bovengenoemde categorieën in combinatie met de volgende waarschuwingszinnen:

  1. R14 (reageert heftig in contact met water) (inclusief R14/15)
  2. R29 (vormt vergiftig gas in contact met water)









100




50









500




200
Internationale Toxische Equivalentie Factoren (ITEF) voor de van belang zijnde congeneren (NATO/CCMS)
2,3,7,8-TCDD12,3,7,8-TCDF0,1
1,2,3,7,8-PeDD0,52,3,4,7,8-PeCDF0,5
1,2,3,7,8-PeCDF0,05
1,2,3,4,7,8-HxCDD0,1
1,2,3,6,7,8-HxCDD0,11,2,3,4,7,8-HxCDF0,1
1,2,3,7,8,9-HxCDD0,11,2,3,7,8,9-HxCDF0,1
1,2,3,6,7,8-HxCDF0,1
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD0,012,3,4,6,7,8-HxCDF0,1
OCDD0,0011,2,3,4,6,7,8-HpCDF0,01
1,2,3,4,6,8,9-HpCDF0,01
OCDF0,001
(T=tetra, P=penta, Hx=hexa, HP=hepta, O=octa)


  • Stoffen en preparaten worden ingedeeld volgens de laatste versie van de volgende richtlijnen en de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang:
  • Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen;
  • Richtlijn 88/379/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
  • Richtlijn 78/631/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de Wettelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (bestrijdingsmiddelen).

Voor stoffen en preparaten die niet volgens een van de bovenstaande richtlijnen als gevaarlijk zijn ingedeeld en die in een inrichting aanwezig mogen zijn en die, gelet op de heersende omstandigheden in de inrichting, risicos van een zwaar ongeval kunnen veroorzaken, worden de procedures voor de voorlopige indeling overeenkomstig het betreffende artikel van de betrokken richtlijn gevolgd.

Voor stoffen en preparaten die zodanige eigenschappen hebben dat zij op verschillende wijzen kunnen worden ingedeeld, geldt de laatste drempelwaarde.

  • Onder ontplofbare stoffen en preparaten worden verstaan:
  1. °. Stoffen en preparaten die ontploffingsgevaar opleveren door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken (waarschuwingszin R2);
  2. °. Pyrotechnische stoffen. Onder een pyrotechnische stof wordt verstaan een stof of een mengsel van stoffen die of dat tot doel heeft warmte, licht, geluid, gas of rook of een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van niet-ontploffende, zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties;
  3. °. Ontplofbare of pyrotechnische stoffen en preparaten die in voorwerpen zijn vervat;


  • stoffen en preparaten die ernstig ontploffingsgevaar opleveren door schok, wrijving, vuur of andere ontstekingsoorzaken (waarschuwingszin R3)

  • Onder ontvlambare stoffen en preparaten wordt verstaan:
    Ontvlambare vloeistoffen:
    Stoffen en preparaten met een vlampunt van ten minste 21 °C en ten hoogste 55 °C (waarschuwingszin R10), die blijven branden.

  • Onder licht ontvlambare stoffen en preparaten worden verstaan:
    licht ontvlambare vloeistoffen:
  1. ° stoffen en preparaten die warm kunnen worden en tenslotte in contact met de lucht bij de omgevingstemperatuur, zonder toevoer van energie, vlam kunnen vatten (waarschuwingszin R17);
  2. ° stoffen die een vlampunt hebben dat lager is dan 55 °C en die onder druk vloeibaar blijven, en die onder bepaalde verwerkingsomstandigheden, zoals hoge druk en hoge temperatuur, het gevaar van een zwaar ongeval kunnen veroorzaken;
  3. ° stoffen en preparaten die een vlampunt hebben dat lager is dan 21 °C en die niet zeer licht ontvlambaar zijn (waarschuwingszin R11, tweede streepje)
  • Onder zeer licht ontvlambare stoffen en preparaten worden verstaan:
    zeer licht ontvlambare gassen en vloeistoffen:
  1. °. vloeibare stoffen en preparaten die een vlampunt hebben dat lager is dan 0 °C en een kookpunt of, in geval van een kooktraject, een eerste kookpunt, dat bij normale druk ten hoogste 35 °C is (waarschuwingszin R12, eerste streepje);
  2. °. gasvormige stoffen en preparaten die in contact met de lucht bij kamertemperatuur en normale druk ontvlambaar zijn (waarschuwingszin R12, tweede streepje), ongeacht of zij als gas of onder druk als vloeistof worden bewaard, met uitzondering van de in bijlage I, deel 1, bedoelde zeer licht ontvlambare vloeibare gassen (inclusief LPG) en aardgas;
  3. °. vloeibare stoffen en preparaten die op een temperatuur worden gehouden die hoger is dan hun kookpunt.



Naar boven

Zoeken