aanwijzing in de zin van art. 130 lid 4 Wet RO
art. 191, 260, 274-276, 325, 346, 362 en 391 Wetboek van Strafvordering art. 1, 2 en 28 Wet beëdigde tolken en vertalers
EHRM 19-12-1989, A168, NJ 1994, 26 (Kamasinski tegen Oostenrijk), EHRM 13-5-1980, A37, NJ 1980, 586 (Artico tegen Italië)
Verschillende verdragsbepalingen zien op tolkenbijstand in strafzaken. Daarnaast is in het Wetboek van Strafvordering de tolkenbijstand tijdens het gerechtelijk vooronderzoek (art. 191 Sv) en het onderzoek ter terechtzitting (art. 260, 274-276, 325, 346, 362 en 391 Sv) geregeld.
Een wettelijke regeling met betrekking tot de opsporingsfase ontbreekt evenwel, terwijl tolkenbijstand en bijstand van vertalers in deze fase van het onderzoek van groot belang is. Een goede weergave van de bij de politie afgelegde verklaring(en) is immers van belang voor de beslissing of en terzake waarvan wordt vervolgd.
Deze aanwijzing regelt de bijstand van tolken en vertalers in de opsporingsfase van strafzaken. De aanwijzing sluit aan op de in het Wetboek van Strafvordering opgenomen regeling van deze materie en is in overeenstemming met de per 01-01-2009 in werking getreden Wet beëdigde tolken en vertalers, Stb. 2007, 375 (Zie ook het Besluit beëdigde tolken en vertalers (Stb. 2008, 555), dat tevens de inwerkingtredingsbepaling voor de Wet beëdigde tolken en vertalers bevat), die strekt tot het waarborgen van de kwaliteit en integriteit van tolken en vertalers.
De Wet beëdigde tolken en vertalers voorziet in het instellen van een register voor tolken en vertalers alsmede de introductie van een afnameplicht voor aangewezen instanties van beëdigde tolken en vertalers, zijnde de in het register ingeschreven tolken en vertalers. De wet bevat een uitzonderingsclausule voor het geval geen beëdigde tolk of vertaler (tijdig) beschikbaar is. In dat geval kan een tolk of vertaler worden ingezet die niet staat ingeschreven in het register. Als afnameplichtige instanties worden onder meer het Openbaar Ministerie, de politie en de Koninklijke Marechaussee aangemerkt (zie bijlage).
2.1 Moment waarop vertolking aan de orde is
Ingevolge art. 6, lid 3 EVRM en art. 14, lid 3 BUPO heeft een
ieder tegen wie een vervolging is ingesteld er recht op om
onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden
gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte
beschuldigingen.
Voorts dient ingevolge art. 5, lid 2 EVRM en art. 9, lid 2 BUPO
een ieder die gearresteerd is onverwijld in een taal die hij
verstaat op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn
arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem zijn
ingebracht.
Uitgangspunt is dat de verdachte bij het (eerste) politieverhoor
wordt toegesproken in een taal die hij begrijpt. Als de verdachte
niet onmiddellijk na zijn aanhouding wordt verhoord, dan dient
hij in ieder geval na aankomst op het politiebureau, uiterlijk op
het moment dat hij voor de hulpofficier van justitie wordt
geleid, in een taal die hij begrijpt op de hoogte te worden
gesteld van de reden van zijn aanhouding. Direct daaraan
voorafgaand wordt vastgesteld dat de verdachte het Nederlands
niet (voldoende) beheerst (zie ook 2.3) en welke taal hij wel
voldoende beheerst (zie ook 2.4). Gedurende het gehele
opsporingsonderzoek wordt de verdachte in beginsel in die taal
gehoord en worden hem in die taal procesrechtelijk relevante
mededelingen gedaan.
Soms doet de situatie zich voor dat de verdachte op straat wordt
staande gehouden en de zaak ter plaatse wordt afgehandeld. De
verdachte wordt dan kort gehoord zonder verdere
vrijheidsbeperkende maatregelen. Als blijkt dat de verdachte
onvoldoende begrijpt waarvoor hij is staande gehouden, moet een
tolk worden ingeschakeld.
(zie verder 2.6).
2.2 Bevoegdheid beoordeling/beslissing
tolkenbijstand
Uitgangspunt is dat het verhoor van een verdachte die het
Nederlands niet (voldoende) beheerst, altijd wordt afgenomen met
behulp van een tolk.
In eerste instantie beoordeelt de verbaliserende ambtenaar of de
verdachte de Nederlandse taal (voldoende) beheerst. Indien de
verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, beslist de
verbalisant of het verhoor in een andere taal of met behulp van
een tolk wordt afgenomen.
Wanneer de verbalisant de bijstand van een tolk noodzakelijk
acht, wordt met inachtneming van het bepaalde in art. 28 van de
Wet gerechtstolken en beëdigde vertalers een tolk ingeschakeld
(zie 2.6).
In geval van twijfel, dan wel een afwijkend standpunt van de
verdachte met betrekking tot de taalkeuze neemt de verbalisant
contact op met de (hulp)officier van justitie, die vervolgens
terzake beslist (zie ook 2.5).
2.3 Vaststelling beheersing Nederlandse taal
Het is buitengewoon belangrijk dat in het proces-verbaal zo nauwkeurig mogelijk datgene wordt weergegeven wat de verdachte beoogt te verklaren. Als criterium voor de vaststelling of de verdachte de Nederlandse taal voldoende beheerst, geldt dat hij de hem gestelde vragen of gedane mededelingen begrijpt, dat hij in staat is zijn eigen lezing te geven van de gebeurtenissen waarover zijn verklaring wordt verlangd en dat hij voldoende in staat is daarin nuances aan te brengen. Indien de verdachte slechts in staat is om gesloten vragen met "ja" en "nee" te beantwoorden, beheerst hij het Nederlands onvoldoende.
Als de verdachte zichzelf niet in staat acht een verklaring in het Nederlands af te leggen, wordt in beginsel het verhoor in een andere taal of met bijstand van een tolk afgenomen. Dit is slechts anders indien de verbalisant/(hulp)officier van justitie kan weten of vaststellen dat de verdachte het Nederlands wel degelijk voldoende beheerst. Als de verdachte bijvoorbeeld een bekende van de politie is, kan de verbalisant aan de hand van eerdere politiecontacten van de verdachte vaststellen in hoeverre de verdachte het Nederlands beheerst.
Bij twijfel is het uitgangspunt dat altijd een tolk wordt ingeschakeld.
De verbalisant geeft gemotiveerd in het proces-verbaal van het (eerste) verhoor van de verdachte aan of de verdachte naar zijn oordeel de Nederlandse taal voldoende beheerst.
Er zijn enkele verhoorsituaties die bijzondere aandacht verdienen.
Als de zaak ter plaatse wordt afgehandeld door een kort verhoor zonder vrijheidsbeperkende maatregelen moet de verdachte ook ter plaatse in een taal die hij begrijpt op de hoogte worden gesteld van de reden van zijn staandehouding en van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Indien het niet mogelijk is om een verklaring op te nemen van datgene wat de verdachte beoogt te verklaren in het Nederlands of in een andere taal die zowel de verdachte als de verbalisant voldoende beheerst, wordt de verdachte staande gehouden en meegenomen naar het politiebureau, zodat hij alsnog in een taal die hij begrijpt op de hoogte wordt gebracht van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en terzake wordt gehoord.
Indien de verdachte wordt meegenomen naar het politiebureau en niet terstond wordt gehoord, wordt hem wel zo spoedig mogelijk - doch uiterlijk bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie - kort mededeling gedaan van de reden van zijn aanhouding en van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Zo nodig kan hierbij gebruik worden gemaakt van de tolkentelefoon. Indien de verdachte (langer) wordt vastgehouden, wordt de verdenking en de wijze waarop deze aan de verdachte is medegedeeld in ieder geval in het proces-verbaal van het verhoor met betrekking tot de inverzekeringstelling vastgelegd. Het verhoor wordt op de hiervoor weergegeven wijze afgenomen.
Als de verdachte alleen wordt opgehouden voor verhoor, terwijl er niet binnen de termijn van zes uren een tolk beschikbaar is, kan het verhoor met behulp van de tolkentelefoon worden afgenomen.
2.4 Taalkeuze
Voornoemde verdragsbepalingen vereisen dat de verdachte wordt
gehoord en over de strafzaak op de hoogte wordt gebracht in een
taal die hij begrijpt. Dit behoeft derhalve niet zijn moedertaal
te zijn. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende)
beheerst, wordt vastgesteld welke taal of talen hij wel beheerst
en eventueel welke taal of welk dialect hij het liefst
spreekt.
Indien bijvoorbeeld een Marokkaanse verdachte bij voorkeur in een
bedoeïenendialect spreekt maar ook het Frans beheerst, wordt in
beginsel met hem in het Frans met hem gesproken. Het Frans wordt
dan aangemerkt als "taaldomicilie". Ook in een dergelijk geval
wordt in principe een tolk ingeschakeld.
De taalkeuze wordt gemotiveerd in het proces-verbaal van het
eerste verhoor opgenomen en geldt in beginsel voor het gehele
opsporingsonderzoek.
2.5 Uiteenlopende standpunten
Als de standpunten van de verbalisant en de verdachte uiteenlopen
met betrekking tot de noodzaak tot het horen van de verdachte in
een andere taal dan het Nederlands, de inschakeling van een tolk
of de taalkeuze, legt de verbalisant de kwestie voor aan een
(hulp)officier van justitie die terzake beslist.
Hierbij dient de verdachte gelet op het belang van een juiste
weergave van een in het kader van het opsporingsonderzoek
afgelegde verklaring in beginsel het voordeel van de twijfel te
krijgen. Slechts indien de(hulp)officier van justitie in
redelijkheid kan veronderstellen dat de verdachte de Nederlandse
taal voldoende beheerst, kan hij afwijzend op een verzoek van de
verdachte beslissen.
2.6Wijze van vertolking
Als het verhoor plaatsvindt met behulp van een tolk, wordt in beginsel de bijstand van een beëdigde tolk (een in het register ingeschreven tolk) ingeroepen, tenzij een beëdigde tolk niet (tijdig) beschikbaar is. In dat geval kan een tolk worden ingezet die niet staat ingeschreven in het register. Als een tolk wordt ingezet die niet staat ingeschreven in het register, wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.
De niet-ingeschreven tolk dient zo mogelijk voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een verklaring omtrent het gedrag over te leggen geschiedt dit na de inzet.
Indien de verdachte en de verbalisant van oordeel zijn dat zij allebei een andere taal in voldoende mate beheersen en dat het verhoor in deze taal kan geschieden, wordt het verhoor in deze taal afgenomen. In het proces-verbaal wordt in dat geval gerelateerd dat het verhoor met instemming van de verdachte in een andere taal heeft plaatsgevonden. De verbalisant maakt bovendien gemotiveerd aantekening van zijn beheersing van de andere taal. Het kan de overtuiging ten goede komen als het relaas van het verhoor dat in deze andere taal heeft plaatsgevonden ook in deze taal in het proces-verbaal wordt opgenomen naast de in het Nederlands opgetekende verklaring.
3.1 stukken die worden verzonden/uitgereikt
Als een processtuk wordt verzonden naar een in een "Schengenland"
verblijvende verdachte en aannemelijk is dat deze verdachte de
Nederlands taal niet of onvoldoende begrijpt, wordt de essentie
van het processtuk vertaald in de taal van het land waarin de
verdachte verblijft, tenzij de verdachte een verzoek indient om
de essentie van het processtuk in een andere taal te vertalen.
Als blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet of
onvoldoende beheerst, wordt hem medegedeeld dat hij kan verzoeken
om vertaling van de essentie van het stuk in zijn moedertaal dan
wel in een door hem gekozen taal. In beginsel wordt een dergelijk
verzoek ingewilligd. De eigen verklaring van de verdachte wordt
in beginsel geheel vertaald.
In beginsel wordt hierbij de bijstand van een beëdigde vertaler
en derhalve van een in het register ingeschreven vertaler
ingeroepen, tenzij een beëdigde vertaler niet (tijdig)
beschikbaar is. In dat geval kan een vertaler worden ingezet die
niet staat ingeschreven in het register. Als een vertaler wordt
ingezet die niet staat ingeschreven in het register, wordt dit
met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.
De niet-ingeschreven vertaler dient dan zo mogelijk voorafgaand
aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel
een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de
spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een
verklaring omtrent het gedrag over te leggen geschiedt dit na de
inzet.
3.2 overige processtukken
Voor deze processtukken geldt dat kan worden volstaan met
vertolking van (de essentie) van stukken. Schriftelijke vertaling
van deze stukken is niet vereist. Een en ander dient wel te
gebeuren met inachtneming van de in de Wet beëdigde tolken en
vertalers neergelegde afnameplicht.
In voorkomende gevallen kan de verdachte in de gelegenheid worden
gesteld de belangrijkste stukken met zijn raadsman en een tolk
door te nemen.
Voor de getuige of deskundige geldt dezelfde regeling als voor de verdachte, zij het dat dan het moment waarop vertolkt wordt van ondergeschikt belang is. Centrale vraag is of de getuige of deskundige de Nederlandse taal voldoende beheerst. Indien de getuige of deskundige de Nederlandse taal niet of slechts beperkt beheerst, kan in lijn met de regeling voor de verdachte, het verhoor plaats vinden in een andere taal of met behulp van een tolk (zie 3.1 en 3.2).
De regeling voor vertaling van stukken voor de verdachte wordt analoog toegepast.
Deze aanwijzing is van toepassing op alle op of na de datum van inwerkingtreding van deze aanwijzing lopende opsporingsonderzoeken.
Art. 5, lid 2 EVRM
"Een ieder die gearresteerd is, moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."
Art. 6, lid 3 EVRM
"Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
Art. 9, lid 2 BUPO
"Iedere gearresteerde dient bij zijn arrestatie op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en dient onverwijld op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."
Art. 14, lid 3 BUPO
"Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:
a. onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
f. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt;"
Art. 52, lid 2 Uitvoeringsovereenkomst van Schengen
"1. Iedere overeenkomstsluitende partij kan personen die zich op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij bevinden, gerechtelijke stukken over de post toezenden;
2. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde niet de taal beheerst waarin het desbetreffende stuk is gesteld, dient dit - althans de essentie daarvan - te worden vertaald in de taal of een der talen van de overeenkomstsluitende partij op wier grondgebied de geadresseerde verblijft. Indien de toezendende autoriteit weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie daarvan - te worden vertaald in die andere taal. "
Art. 1 onder b, c en d Wet beëdigde tolken en vertalers
"b. register: het register bedoeld in artikel 2;
c. beëdigde tolk: degene die als zodanig is ingeschreven in het register;
d. beëdigde vertaler: degene die als zodanig is ingeschreven in het register."
Art. 2, leden 1 en 3 Wet beëdigde tolken en vertalers
"1. Er is een register voor beëdigde tolken en vertalers. Het register bevat ten aanzien van iedere ingeschreven tolk of vertaler in elk geval de volgende gegevens:
3. Onze Minister kan een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competentie taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- of doeltaal. Onze minister kan een instelling aanwijzen die deze lijst bijhoudt."
Art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalers
"1. De volgende diensten en instanties maken in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers:
2. Onze Minister kan bij ministeriële regeling instanties en organen aanwijzen die in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht ook gehouden zijn gebruik te maken van beëdigde tolken en vertalers.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.
4. Indien van het eerste of tweede lid wordt afgeweken wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd. Ingeval geen sprake is van spoedeisende inzet van een tolk of vertaler, dient deze voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet niet mogelijk is een verklaring omtrent het gedrag over te leggen geschiedt dit na de inzet. De artikelen 29 en 32 zijn van overeenkomstige toepassing op een tolk of vertaler, als bedoeld in het derde lid."