Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO
De aanwijzing is per 1 januari 2011 op een aantal punten geactualiseerd. In onderdeel 3A is het geval opgenomen waarin door een beanbag dodelijk of zwaar lichamelijk letsel wordt aangebracht. De situatie waarin letsel veroorzaakt is door een ongeval met een dienstvoertuig, is uitgebreider toegelicht.
Onderdeel 3B.I (niet aan de functie te relateren misdrijven) is uitgebreid met een passage over misdrijven gepleegd door PIW'ers in het kader van hun functie-uitoefening. Deze misdrijven worden in het algemeen niet onderzocht door de Rijksrecherche.
Onderdeel 3C.III is nieuw toegevoegd en bevat een 'restcategorie' van gevallen die weliswaar niet beschreven worden in de aanwijzing, maar die toch de inzet van de Rijksrecherche behoeven. De inzet van de Rijksrecherche in dit soort zaken wordt bepaald door de coördinatiecommissie Rijksrecherche.
De Rijksrecherche is van oudsher een opsporingsinstantie met
een speciale taak. Zij richt zich op de opsporing van door
(semi)overheidsfunctionarissen gepleegde misdrijven. Niet al de
door deze functionarissen gepleegde misdrijven worden door de
Rijksrecherche onderzocht. Dat zou alleen al om puur capacitaire
redenen niet doenlijk zijn. Het werkterrein van de Rijksrecherche
is dan ook al sinds jaar en dag afgebakend. Het doel van deze
aanwijzing is te waarborgen dat de Rijksrecherche vooral opereert
op het terrein van de strafbare gedragingen die in ernstige mate
de integriteit van de rechtspleging en de integriteit van het
openbaar bestuur raken. Dientengevolge zal de Rijksrecherche in
beginsel niet worden belast met disciplinaire
(integriteits)onderzoeken. De Rijksrecherche verricht alleen
feitenonderzoeken en opsporingsonderzoeken. Voor de
feitenonderzoeken geldt dat het moet gaan om onderzoeken naar
gedragingen waar een strafrechtelijk aspect aan kleeft. Een
dergelijk onderzoek kan al worden ingesteld voordat sprake is van
een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Met
een feitenonderzoek wordt niet meer en ook niet minder beoogd dan
het op een rijtje zetten van de feiten. Daartoe kunnen geen
opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen worden toegepast. Een
feitenonderzoek kan worden gevolgd door een opsporingsonderzoek.
De Rijksrecherche verricht uitsluitend opsporingsonderzoeken naar
misdrijven; voor overtredingen wordt de Rijksrecherche niet
ingeschakeld. Zowel de resultaten van een feitenonderzoek als de
resultaten van een opsporingsonderzoek kunnen - met toestemming
van het OM - worden gebruikt voor een disciplinair onderzoek, met
inachtneming van de geldende privacyregelgeving.
Krachtens een besluit van het College van procureurs-generaal van
16 januari 2001 wordt op één centraal punt over de inzet van de
Rijksrecherche besloten door de zogenaamde coördinatiecommissie
Rijksrecherche (CCR).
De CCR bestaat uit het lid van het College van
procureurs-generaal dat is belast met de portefeuille
Rijksrecherche, de hoofdofficier van justitie van het Landelijk
parket, de directeur Rijksrecherche en de coördinerend officier
van justitie rijksrecherchezaken (COvJ-RR). De CCR wordt
bijgestaan door de specialistisch beleidsmedewerker van de
coördinerend officier van justitie. De COvJ-RR is het dagelijkse
aanspreekpunt voor het Openbaar Ministerie. De CCR bepaalt het
beleid voor de inzet van Rijksrecherche, is bevoegd te beslissen
tot inzet in concrete situaties en toetst periodiek de praktijk
van inzetten van de Rijksrecherche door het Openbaar Ministerie.
De dagelijkse uitvoering van de inzet van de Rijksrecherche
berust bij de Directeur Rijksrecherche (tevens CCR-lid).
Naast de landelijk coördinerend officier van justitie zijn er tevens op elk arrondissementsparket/regioparket vaste Rijksrechercheofficieren aangewezen. Zij zijn de vaste aanspreekpunten voor de COvJ-RR.
In deze aanwijzing wordt omschreven met welke zaken de Rijksrecherche is of kan worden belast en op welke wijze de Rijksrecherche moet worden ingeschakeld.
Voor het inzetten van de Rijksrecherche gelden de volgende algemene uitgangspunten.
Als aan deze uitgangspunten is voldaan is daarmee niet gezegd dat de Rijksrecherche dan ook altijd zal worden ingezet. Bij het toepassen van deze uitgangspunten is van belang dat rekening wordt gehouden met het kunnen halen van acceptabele doorlooptijden in de onderzoeken. In zoverre zijn het 'slechts' basisvoorwaarden; als aan die voorwaarden is voldaan, is inzet van de Rijksrecherche mogelijk. Dat neemt niet weg dat er wel enkele gevallen zijn te benoemen die zonder meer als Rijksrecherchewaardig kunnen worden aangemerkt. Ook dan is echter inzet niet gegarandeerd. Er zal steeds per geval over de inzet van de Rijksrecherche worden beslist.
3A Typische Rijksrecherchezaken
I. Aan de functie te relateren verdenkingen van misdrijven,
gepleegd door:
Toelichting:
In deze gevallen is zonder meer de integriteit van de
rechtspleging, behelzende de opsporing, de vervolging en de
rechtspraak, alsmede de integriteit (van de kern) van het
openbaar bestuur, in het geding. Dat komt niet alleen door de
functie van de betreffende overheidsfunctionaris, maar ook door
het verband tussen die functie en het (mogelijke) strafbare feit.
Concreet kan worden gedacht aan corruptie bij de politie, de
rechterlijke macht en het openbaar bestuur (art. 362, 363 Sr),
het opmaken van een vals proces-verbaal (art. 207 Sr), schending
van het ambtsgeheim (art. 272 Sr), het verduisteren van in beslag
genomen goederen (321, 322 Sr), enz.
II. Gevallen van vuurwapengebruik door opsporingsambtenaren met de dood of enig lichamelijk letsel tot gevolg (met uitzondering van de gevallen waarin gebruik is gemaakt van de zogenaamde beanbag, zie III) .
Toelichting:
In deze gevallen is de inzet van de Rijksrecherche
aangewezen met name omdat bij het onderzoek naar de wijze waarop
de overheid uitvoering heeft gegeven aan het geweldsmonopolie,
elke schijn van partijdigheid van het onderzoek moet worden
voorkomen. [2] Dat betekent ook dat hier geen
beperking plaats vindt tot gevallen met zwaar lichamelijk
letsel tot gevolg; elk letsel dat een rechtstreeks gevolg is
van vuurwapengebruik door opsporingsambtenaren rechtvaardigt
een Rijksrecherche-onderzoek, juist ook omdat het vaak min of
meer toevallig is of het vuurwapengebruik licht of zwaarder
lichamelijk letsel oplevert. Het gebruik van de beanbag is
hier uitgezonderd omdat het projectiel weliswaar door middel
van een vuurwapen wordt verschoten, maar in de praktijk
doorgaans uitsluitend stomp geweld veroorzaakt.
III. Overige confrontaties met opsporingsambtenaren met de dood
of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Toelichting:
In deze gevallen gaat het niet alleen om politiële toepassing van geweld anders dan door middel van een vuurwapen (zoals het gebruik van wapenstok, pepperspray taser en diensthond), maar ook om het geval waarin door gebruik van de beanbag dodelijk of zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Tevens gaat het om de gevallen waarin ten gevolge van verkeersongevallen met dienstvoertuigen dodelijk of zwaar lichamelijk letsel is ontstaan (daarvan is in ieder geval sprake in die gevallen wanneer ten tijde van een achtervolging iemand dodelijk of zwaar lichamelijk letsel oploopt en wanneer het letsel ontstaat ten gevolge van het klemrijden met een dienstvoertuig).
IV. Gevallen waarin aan de zorg van opsporingsambtenaren / het
opsporingsapparaat toevertrouwde personen zijn overleden, dan wel
zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Toelichting:
Van een situatie van toevertrouwing als hier omschreven is bijvoorbeeld sprake bij het transport van een aangehouden verdachte naar het politiebureau en bij insluiting op het politiebureau. Onder deze categorie vallen in beginsel niet de gevallen van niet-natuurlijke dood in penitentiaire inrichtingen. Die gevallen worden niet onderzocht door de Rijksrecherche, maar worden, net als alle andere gevallen van niet-natuurlijk overlijden, onderzocht door de regiopolitie. Zie verder onder B.
3B Mogelijke Rijksrecherchezaken
I. Niet aan de functie te relateren misdrijven gepleegd door:
Toelichting:
Onder deze categorie vallen alle door deze
functionarissen gepleegde misdrijven die niet zijn te rubriceren
onder de hiervoor genoemde gevallen van 'typische
rijksrecherche-zaken'. Voorbeelden die in principe niet vallen
onder de mogelijke rijksrecherche-zaken zijn winkeldiefstal en
mishandeling in de privésfeer door bovenstaande functionarissen,
tenzij de omstandigheden aanleiding geven tot een onderzoek door
de Rijksrecherche. Afhankelijk van de ernst/omvang van de zaak en
de functie/rang van de betrokken functionaris kan inzet van de
Rijksrecherche zijn aangewezen.
II. Aan de functie te relateren verdenkingen van misdrijven
gepleegd door (overige) functionarissen in dienst van de
(semi)overheid.
Toelichting:
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
gemeenteambtenaar die tegen betaling een vergunning verleent.
Voorts kan hier worden gedacht aan gevallen van niet-natuurlijk
overlijden in penitentiaire inrichtingen, waarin - bijvoorbeeld
op grond van het door een regiokorps ingestelde 'onderzoek
niet-natuurlijke dood' - aanwijzingen zijn dat de integriteit van
de overheid in ernstige mate is aangetast. Ook hier zal het al
dan niet inzetten van de Rijksrecherche in het algemeen afhangen
van de ernst/omvang van de zaak en/of de functie/rang van de
betrokken functionaris.
Misdrijven gepleegd door PIW-ers in het kader van hun
functie-uitoefening (zoals de betrokkenheid van PIW'ers bij het
binnensmokkelen van drugs of GSM's) worden in het algemeen niet
door de Rijksrecherche onderzocht, tenzij de aard (niet de
omvang) van het misdrijf daartoe aanleiding geeft dan wel dat
sprake is van betrokkenheid van de leiding (niveau
unitdirectie).
3C Overige Rijksrecherchezaken
In afwijking van de algemene uitgangspunten kan inzet van de Rijksrecherche zijn aangewezen:
I. in gevallen waarin Nederlandse burgers of rechtspersonen betrokken zijn bij ambtsmisdrijven gepleegd door buitenlandse ambtenaren (zgn. 'buitenlandse corruptie');
Toelichting:
Als bijvoorbeeld uit een inkomend rechtshulpverzoek zou blijken van contacten tussen van corruptie verdachte ambtenaren in een buitenland met een bedrijf gevestigd in ons land waarbij het vermoeden bestaat dat sprake is van omkoping van die buitenlandse ambtenaren door dat bedrijf, kan alhier een zelfstandig onderzoek gestart worden ook al heeft de strafbare gedraging in het buitenland plaats gevonden. De Rijksrecherche heeft op dit terrein de bijzondere expertise als bedoeld onder punt 4 van de algemene uitgangspunten. [4]
II. naar aanleiding van confrontaties tussen justitiabelen en opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel van een opsporingsambtenaar tot gevolg.
Toelichting:
In deze gevallen moet met name worden gedacht aan heel
uitzonderlijke gevallen, waarin de collegiale emoties binnen het
opsporingsapparaat dusdanig hoog zijn opgelopen dat enkel en
alleen al daardoor elk door het betreffende korps zelf in te
stellen onderzoek de schijn van partijdigheid kan dragen.
De gevallen waarin confrontaties tussen justitiabelen en opsporingsambtenaren de dood of zwaar lichamelijk letsel van de opsporingsambtenaar tot gevolg hebben gehad worden onverwijld door of namens de hoofdofficier gemeld aan de CCR. [5] De CCR zal beslissen over de inzet van de Rijksrecherche.
III. Overige, door de CCR te bepalen gevallen, waarin de inzet van de Rijksrecherche is gewenst, vanwege haar bijzondere expertise of vanwege de delicate verhoudingen die in de betreffende zaak een rol spelen.
Toelichting:
De ervaring leert dat er zaken zijn, die niet vallen onder de hiervoor genoemde categorieën, maar waarin om bijzondere redenen toch de inzet van de Rijksrecherche is geïndiceerd. Dit kan te maken hebben met de persoon of de positie van degene die voorwerp is van onderzoek, of het feit dat het onderzoek bijzondere afscherming vereist (zo heeft de Rijksrecherche bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar het lekken van vertrouwelijke informatie vanuit de Nederlandse Bank, ten tijde van de val van de DSB. Tevens wordt door de Rijksrecherche wel eens onderzoek gedaan naar de zelfdoding van een politieambtenaar, in het bijzonder in die gevallen waarin de zelfdoding plaats heeft gevonden in een politiebureau). De inzet van de Rijksrecherche in deze categorie zaken wordt bepaald door de CCR.
De CCR moet niet alleen worden benaderd voor de gevallen waarin inzet van de Rijksrecherche wordt verlangd. De CCR dient ook te worden geïnformeerd over (mogelijke) strafbare feiten die de integriteit van het overheidsfunctioneren kunnen raken en waarnaar onderzoek wordt gedaan door een andere opsporingsinstantie dan de rijksrecherche. Meer concreet betekent dit dat aan de CCR moeten worden gemeld:
Meldingen dienen in beginsel, net als bij de aanvraag inzet Rijksrecherche, gedaan te worden bij de COvJ-RR via het zgn. 'Zaaksformulier CCR'. [7]Indien op een parket dienaangaande een eigen registratie wordt gevoerd kan worden volstaan met periodieke toezending aan de COvJ-RR. Voorwaarde is dan wel dat die registratie minimaal de volgende elementen bevat:
1. kenmerk (c.q. parketnummer) van het dossier,
2. aard van het incident (met strafrechtelijke kwalificatie),
3. binnen welke overheidsdienst vond het incident plaats?
4. functie en rang van de schender(s),
5. onderzoekende instantie,
6. resultaat van het onderzoek,
7. afdoeningsbeslissing. [8]
De COvJ-RR verzamelt deze gegevens en stelt op basis daarvan een jaaroverzicht op dat aan de CCR wordt aangeboden en tevens wordt verstrekt aan de parketten. Aldus wordt bij het OM op een centraal punt inzicht verkregen in de strafrechtelijk relevante feiten die de integriteit van het overheidsfunctioneren kunnen raken. Niet alleen levert een dergelijk inzicht een belangrijk instrument voor de integriteitshandhaving op nationaal niveau, tegelijkertijd kan met een dergelijke registratie bijvoorbeeld uitvoering worden gegeven aan bepaalde verdragsverplichtingen (o.a. in OESO- en Greco-verband [9]).
5A Niet-spoedeisende zaken
Een zaak wordt bij de CCR aanhangig gemaakt door indiening van een bij de COvJ-RR te verkrijgen Zaaksformulier. Bij voorkeur wordt de schriftelijke indiening voorafgegaan door een telefonische melding aan de COvJ-RR. [10]
Gelet op de beperkte capaciteit van de Rijksrecherche zal in de gevallen waarin het (onafhankelijk) onderzoeksbelang het toelaat, worden gestreefd naar samenwerking met andere opsporingsinstanties. Ook als die samenwerking wordt gevonden berust de verantwoordelijkheid bij de Rijksrecherche. Dat kan ook niet anders. Ingevolge het derde algemene uitgangspunt is inzet van de Rijksrecherche immers aan de orde indien een onpartijdig onderzoek is geboden. Die onpartijdigheid kan bij combi-onderzoeken alleen voldoende worden gewaarborgd als de regie en de verantwoordelijkheid van dat onderzoek, net als bij de zelfstandig door de Rijksrecherche uit te voeren onderzoeken, ook daadwerkelijk bij de Rijksrecherche wordt gelegd. In de gevallen waarin het onderzoek zich richt tegen een opsporingsambtenaar, zal in de praktijk nogal eens worden gestreefd naar samenwerking met het interne onderzoeksbureau van de betreffende opsporingsdienst.
Bij de prioritering van onderzoeken geldt in het algemeen dat
de 'typische Rijksrecherche-zaken' zwaarder worden gewogen dan de
'mogelijke Rijksrecherche-zaken'. Voorts wordt rekening gehouden
met factoren als de politieke of publicitaire gevoeligheid, de
rang/functie van de betreffende overheidsfunctionaris, het al dan
niet structurele karakter van de te onderzoeken gedraging en de
eventuele betrokkenheid van de georganiseerde
criminaliteit.
Over de inhoudelijke aansturing van het onderzoek beslist het
behandelend OM. Dat OM is ook verantwoordelijk voor de voortgang
en de wijze van afdoening.
5B Spoedeisende zaken
Op incidenten van de categorieën beschreven in paragraaf 3A (Typische Rijksrecherchezaken) onder II, III en IV volgt in principe altijd inzet van de Rijksrecherche. Naast de aard van deze incidenten is de noodzaak tot spoedig optreden hiervoor de reden. Een onverwijlde melding is ook noodzakelijk in de gevallen zoals beschreven onder 3C.II (confrontatie tussen justitiabelen en opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel van een opsporingsambtenaar tot gevolg).
Daarvoor dient in deze gevallen:
1. de Rijksrecherche onmiddellijk en rechtstreeks door de politie gealarmeerd te worden via de meldkamer van het KLPD;
2. het lokale OM door de politie zo spoedig mogelijk ingelicht te worden;
3. het lokale OM met de COvJ-RR in contact te treden. [11]
Op zo kort mogelijke termijn zal de COvJ-RR aan het lokale OM de inzet van de Rijksrecherche bevestigen.
Deze Aanwijzing heeft onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
[1]Hierbij wordt gedacht aan
bijvoorbeeld burgemeesters, gedeputeerden en Kamerleden,
gemeenteraadsleden, hogere ambtenaren van de centrale
overheid en decentrale overheden, zoals kabinetschefs en
gemeentesecretarissen.
[2] Zie de Aanwijzing handelwijze bij
geweldsaanwending (politie)ambtenaar.
[3] Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld
burgemeesters, gedeputeerden en Kamerleden,
gemeenteraadsleden, hogere ambtenaren van de centrale
overheid en decentrale overheden, zoals kabinetschefs en
gemeentesecretarissen.
[4] Zie de Aanwijzing opsporing en
vervolging ambtelijke corruptie in het buitenland.
[5] Melden aan de COvJ-RR.
[6] Veelal aangeduid met de afkorting BIO
dan wel BIZ (Bureau Interne Zaken).
[7] Het Zaaksformulier CCR is te vinden op
OMtranet/JKS/Kennisdomeinen/Rijksrecherche/formulieren.
[8] Van vonnissen in Rijksrecherchezaken
(zeker bij corruptiefeiten) gelieve afschriften te zenden
aan de CovJ-RR.
[9] OESO: Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (VN); Greco: Groupe d'Etats
contre la corruption (Raad van Europa).
[10] Het telefoonnummer van de COvJ-RR is
te vinden op OMtranet en in de Landelijke Piketmap.
[11] Zie hiervoor ook de Aanwijzing
handelwijze bij geweldsaanwending (politie)ambtenaar.