Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130, lid 4 Wet RO
Art. 11.7 Wet luchtvaart (WLv)
Deze aanwijzing geeft een regeling voor de invordering van bewijzen van bevoegdheid of gelijkstelling in het kader van de Wet luchtvaart.
Bij een wijziging van de Wet luchtvaart (hierna: WLv), in werking getreden op 1 juli 1999, is de invorderingsbevoegdheid van bewijzen van bevoegdheid en/of gelijkstelling opgenomen. Deze mogelijkheid is gekoppeld aan het bovenmatig gebruik van alcohol-, drugs- en/of psychotrope stoffen in de luchtvaart.
In deze aanwijzing wordt verstaan onder:
a. Bewijs van bevoegdheid: |
|
b. Ontzegging | het (tijdelijk) krachtens een rechterlijke uitspraak niet meer mogen verrichten van werkzaamheden in de zin van art. 11.11 eerste lid, onder a, b en c Wet luchtvaart. |
c. Register: | het register van in Nederland afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, ondergebracht bij de Directie Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst. |
d. Alcoholdelict: | een overtreding van de artt. 2.12, eerste, tweede, derde en zesde lid, 2.11 tweede lid, 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid en 11.8a WLv. |
e. Po e: Politie | algemeen opsporingsambtenaren in de zin van art. 141 WvSv. |
1. Vordering krachtens art. 11.7 WLv
1.1. Algemeen
Op grond van art. 11.7, eerste lid onder a WLv, kan de opsporingsambtenaar het bewijs van bevoegdheid (of het bewijs van gelijkstelling) invorderen indien uit het onderzoek van de uitgeademde lucht of de bloedanalyse blijkt (of bij gebreke van deze onderzoeken, een ernstig vermoeden bestaat) dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan 270 µg/l resp. 0,6‰. [1] Dit geldt op grond van art. 11.8a WLv eveneens voor luchtverkeersdienstverleners. Art. 11.7, eerste lid WLv, is afgeleid van het eerste en tweede lid van art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het verschil is echter, dat art. 164 WVW 1994 aan de opsporingsambtenaar de invordering bij de daar omschreven overtredingen verplicht voorschrijft, terwijl art. 11.7 WLv slechts een bevoegdheid tot invorderen creëert. De wetgever heeft deze afwijking van de Wegenverkeerswet niet gemotiveerd.
Gelet op het feit dat art. 164 WVW 1994 model heeft gestaan
voor art. 11.7 WLv [2] en gelet op de hoge mate van
verantwoordelijkheid van de groep tot wie deze bepaling zich
richt, concludeert het openbaar ministerie (hierna: OM) dat
hier niet zozeer sprake is van een bevoegdheid tot
invordering, maar van een invorderingsplicht, zoals deze ook
geldt in art. 164 WVW 1994. Dat betekent concreet dat de
opsporingsambtenaar in de gevallen zoals vermeld in art. 11.7,
eerste lid onder a (en b) WLv, altijd gehouden is het bewijs
van bevoegdheid in te vorderen.
Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid dient (tegelijk met het
proces-verbaal van invordering) onverwijld verstuurd te worden
aan de officier van justitie, die vervolgens over de verdere
inhouding beslist (art. 11.7, tweede lid WLv). In de WVW 1994 is
de inhoudingsgrens sinds 1 juni 2011 gelijkgesteld aan de
invorderingsgrens. In tegenstelling tot de Wegenverkeerswet 1994
kent de Wet luchtvaart echter geen inhoudingsgrens. Nu de
wetgever geen inhoudingsgrens heeft geformuleerd en dus sprake is
van een discretionaire bevoegdheid van het OM, stelt het OM naar
analogie van de systematiek van de Wegenverkeerswet 1994 zelf een
inhoudingsgrens vast: deze inhoudingsgrens is gelijk aan de
invorderingsgrens. De grens vanaf welke de officier van justitie
wordt geacht het bewijs van bevoegdheid in te houden, is daarmee
bepaald op 0,6‰, oftewel 270 m g/l. Bij het bepalen van die grens
- die tegelijkertijd aangeeft bij welk bloed- of
ademalcoholgehalte het OM een onvoorwaardelijke ontzegging gaat
vorderen - wordt aangesloten bij de gedachte van de wetgever. De
wetgever heeft reeds in 1995 aangegeven dat alcoholmisbruik in de
luchtvaart een grotere gevaarzetting kent, aangezien de gevolgen
van een ongeval met een luchtvaartuig veelal aanmerkelijk
ernstiger zijn dan die van een ongeval op de weg. 33333 De
wetgever heeft om die reden ook de alcohollimieten in de artt.
2.12 en 11.7 WLv lager gesteld dan in de Wegenverkeerswet 1994.
Per 1 juni 2011 heeft de wetgever de voor de officier van
justitie in de Wegenverkeerswet 1994 geldende inhoudingsgrens
zodanig verlaagd, dat deze gelijk is geworden aan de
invorderingsgrens. Deze gelijkschakeling heeft plaatsgehad om
strenger te kunnen optreden tegen ernstige verkeersovertredingen
en een einde te maken aan de onevenwichtige en onwenselijke
situatie waarbij de politie moest invorderen, terwijl de officier
van justitie niet de bevoegdheid toekwam tot inhouding
[4]. Het is gelet op het bovenstaande
passend om ook in het voor de Wet Luchtvaart geldende
strafvorderingsbeleid de inhoudingsgrens gelijk te stellen aan
de invorderingsgrens.
Door het doen van de vordering krachtens art. 11.7, eerste lid WLv (vordering tot overgifte) wordt voor de betrokken leden van het boord- en cockpitpersoneel, en - via art. 8a Wet Luchtvaart - de luchtverkeersbeveiliging de verplichting in het leven geroepen tot overgifte [5] van het aan hen afgegeven bewijs van bevoegdheid.
Het is van belang onderscheid te maken tussen "de vordering tot overgifte" enerzijds en de "invordering" anderzijds. De invordering is namelijk pas voltooid indien na de vordering tot overgifte het bewijs van bevoegdheid in handen is gekomen van een van de in art. 141 WvSv bedoelde personen. Eerst bij een voltooide invordering kan de aftrek ex art. 11.13, tweede lid WLv worden toegepast.
1.2. Procedure met betrekking tot de invordering
De politie moet nadrukkelijk de overgifte van het bewijs van bevoegdheid vorderen. Tevens wordt de verdachte er op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan de overtreding van art. 11.7, eerste lid Wet Luchtvaart indien hij geen gevolg geeft aan deze vordering. [6]
De vordering tot overgifte is niet beperkt tot het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is aan- of staandegehouden, maar kan ook daarna nog worden gedaan. [7] Nadat het proces-verbaal van overtreding/misdrijf is voorzien van een datum van sluiting vervalt echter de bevoegdheid tot het doen van de vordering tot overgifte. [8]
Indien het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, wint de politie op de kortst mogelijke termijn inlichtingen in over eventueel recidivegevaar ten aanzien van de verdachte wiens bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, zoals:
Deze of andere relevante informatie dient te worden vermeld in het proces-verbaal van invordering (zie bijlage 1). De politie verstrekt de recente recidivegegevens aan de officier van justitie. Na invordering dient het bewijs van bevoegdheid alsmede het proces-verbaal van invordering en zo mogelijk ook het proces-verbaal van de overtreding onverwijld, zijnde uiterlijk de derde dag na de dag waarop het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd in het bezit te zijn van de officier van justitie. Het proces-verbaal van invordering dient in tweevoud te worden aangeboden.
Door de politie wordt zowel van de vordering tot overgifte als van de invordering onverwijld melding gemaakt in het betreffende register. Dit is met name van belang in verband met de controle op de naleving van het verbod gesteld in art. 11.12, tweede lid WLv.
Indien de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering van het bewijs van bevoegdheid [11], wordt het proces-verbaal in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk, maar niet later dan zes weken na deze vordering, ingezonden aan de officier van justitie met een aanbiedingsbrief waarin op duidelijke wijze melding wordt gemaakt van het feit dat de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering.
Deze regeling is getroffen teneinde de officier van justitie er attent op te maken dat wel de vordering tot overgifte heeft plaatsgevonden, maar de invordering van het bewijs van bevoegdheid achterwege is gebleven en om de verwijdering van de registratie uit het register bij de afdoening van deze zaken te kunnen bewaken.
De officier van justitie is er verantwoordelijk voor dat onverwijld de registratie in het register wordt beëindigd of de teruggave van het bewijs van bevoegdheid wordt geregistreerd in de hierna onder 1.4 te noemen gevallen, alsmede in de gevallen waarin de zaak om andere redenen niet verder zal worden vervolgd.
1.3. Inhouding bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie
De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding van het bewijs van bevoegdheid. E.e.a. met inachtneming van de Algemene termijnenwet. [12] De beslissing wordt aangetekend en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximum termijn aangegeven gedurende welke het bewijs van bevoegdheid kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van de ontzegging.
Ten aanzien van het verkrijgen van recidivegegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie, alsmede van actuele gegevens van het register. Van de beslissing tot inhouding wordt door een medewerker van het parket onverwijld melding gemaakt in het register.
Voor de criteria op grond waarvan de officier van justitie tot inhouding van het bewijs van bevoegdheid kan besluiten, zie paragraaf 2.4.
1.4. Teruggave van het bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie
Het bewijs van bevoegdheid wordt onverwijld teruggegeven indien:
a. het bewijs van bevoegdheid ten onrechte is ingevorderd,
of
b. de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van
invordering omtrent de inhouding heeft beslist (met inachtneming
van de Algemene termijnenwet), of
c. na een beslissing tot inhouding het onderzoek van de zaak op
de terechtzitting niet tijdig is aangevangen (waarbij moet worden
aangetekend dat die misdrijven zoals genoemd in art. 11.7 WLv
uiterlijk zes maanden na de dag van invordering op de
terechtzitting moeten zijn aangebracht. [13]), of
d. ernstig rekening dient te worden gehouden met de
mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging wordt
opgelegd, of
e. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid
dat een kortere onvoorwaardelijke ontzegging dan de tijd dat het
bewijs van bevoegdheid ingevorderd of ingehouden is geweest, zal
worden opgelegd, dan wel
f. de vastgestelde inhoudingtermijn is verstreken.
Bij het onder d. en e. genoemde moet met name worden gedacht aan bewijzen van bevoegdheid van verdachten die nooit eerder een ontzegging opgelegd hebben gekregen en die om klemmende redenen van persoonlijke aard hun bewijs van bevoegdheid niet kunnen missen.
Het bewijs van bevoegdheid blijft ingehouden totdat de door de officier van justitie bepaalde inhoudingstermijn verstreken is. De officier van justitie dient in ieder geval het bewijs van bevoegdheid terug te geven na het verstrijken van de termijn als aangegeven bij de beslissing tot inhouding, ook in die gevallen dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting wel binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, doch nog niet heeft geleid tot een vonnis. Indien de rechter in eerste aanleg een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd, dient bij het instellen van hoger beroep het bewijs van bevoegdheid pas te worden teruggegeven als de termijn van deze ontzegging is verstreken.
De beslissing omtrent de teruggave wordt namens de officier van justitie door de bewijs van bevoegdheid- medewerker op het parket onverwijld gemeld aan de beheerder van het register.
De houder van het bewijs van bevoegdheid wordt ten spoedigste van de beslissing tot teruggave en van de mogelijkheid het bewijs van bevoegdheid ten parkette in ontvangst te nemen, in kennis gesteld.
1.5. Vermiste en gestolen bewijzen van bevoegdheid
Sommige verdachten kunnen in de problemen komen doordat zij - nadat de politie de vordering tot overgifte heeft gedaan - moeten constateren dat hun bewijs van bevoegdheid ofwel vermist dan wel gestolen is.
Zouden zij hun bewijs van bevoegdheid hebben overgegeven, dan zou de officier van justitie binnen tien dagen na de invordering tot inhouding of teruggave van het bewijs van bevoegdheid hebben beslist. Nu echter geen overgifte van het bewijs van bevoegdheid heeft plaatsgevonden, is er ook geen officier van justitie die zich over deze zaken buigt voordat het proces-verbaal in de hoofdzaak binnen de uiterste inzendtermijn (maximaal zes weken, zie 1.2) de officier van justitie bereikt.
Voor deze gevallen geldt daarom de volgende procedure:
Bij de categorie "inhouding bewijs van bevoegdheid" moet er naar worden gestreefd, dat de zaken met een zelfde voortvarendheid worden afgedaan als bij een voltooide vordering tot overgifte.
1.6. Afstemming tussen het ressortsparket en het arrondissementsparket
Na de uitspraak in eerste aanleg en dus ook in geval van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie of de veroordeelde past het arrondissementsparket de inhoudingstermijn aan, aan de in eerste aanleg opgelegde (on-)voorwaardelijke ontzegging. Het bewijs van bevoegdheid van veroordeelde blijft onder de officier van justitie [15]. Indien door het verloop van de tijd de aangepaste inhoudingstermijn verstrijkt, wordt het bewijs van bevoegdheid namens de advocaat--generaal [16] door de officier van justitie teruggegeven. Deze beslissing moet worden gemeld aan het ressortsparket.
Na een onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof verstrekt het ressortsparket een extract van het arrest aan het (regio)parket. De aanpassing van het register geschiedt door het (regio)parket.
De berekende begin- en einddatum van de ontzegging worden door het (regio)parket aan het ressortsparket medegedeeld teneinde aan de executie van de (on-)voorwaardelijke ontzegging uitvoering te kunnen geven. In afwijking van de in 1998 ingevoerde procedure omtrent de inwerkingtreding van de ontzegging van de rijbevoegdheid, is in de Wet luchtvaart aansluiting gezocht bij de oude werkwijze waarbij de ontzegging ingaat op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis.
In voorkomende gevallen worden - naar aanleiding van de beslissing op het gratieverzoek - herberekende begin- en einddatum van een ontzegging door het arrondissementsparket aan de beheerder van het register en aan het ressortsparket doorgegeven.
2. Verrichten van werkzaamheden onder invloed (art. 11.7, eerste lid WLv (boordpersoneel) en art. 11.7, eerste lid WLv jo. art. 11.8a WLv (luchtverkeersdienstverleners)
2.1. Criteria aangaande de vordering tot overgifte.
De overgifte van het bewijs van bevoegdheid wordt gevorderd door een van de in artt. 141 en 142 WvSv bedoelde personen wanneer deze tegen de houder van dat bewijs van bevoegdheid een proces-verbaal opmaakt ter zake van een verdenking van een gepleegde overtreding van:
2.2. Ontbreken van een resultaat van ademanalyse.
Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 m g/l wordt onder meer aanwezig geacht, indien ten tijde van de ademtest het selectieapparaat de waarde 'fail' [17]aangeeft.
Bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek kan een zodanig vermoeden worden gebaseerd op de toestand en het gedrag van verdachte [18] alsmede op verklaringen omtrent de door hem/haar genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank. De politie dient de bevindingen omtrent het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 270 m g/l duidelijk in het invorderingsproces-verbaal te omschrijven.
2.3. Bloed- c.q. urineproef
Indien er sprake is van een bloed- of urineonderzoek, doet de politie het monster terstond per post toekomen aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het monster zal begeleid moeten worden door een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid. De uitslag van het onderzoek wordt door het NFI binnen zeven dagen na datum van de bloed- of urineafname bij voorkeur per fax doorgegeven aan de officier van justitie onder vermelding van het nummer van het proces-verbaal, naam, geboortedatum en -plaats van de verdachte, opdat de officier van justitie binnen tien dagen kan beslissen tot inhouding dan wel teruggave van het bewijs van bevoegdheid. Daarnaast geeft het NFI de uitslag schriftelijk door aan de politie. De politie voegt een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid bij het bloed- of urineblok. Deze procedure geldt niet voor de bloedproef als tegenonderzoek op verzoek van de verdachte.
2.4. Beslissing tot inhouding van het bewijs van bevoegdheid
De officier van justitie kan het bewijs van bevoegdheid inhouden indien:
Het enkele weigeren van medewerking aan de ademanalyse, de bloedproef of de urineproef is onvoldoende grond om het bewijs van bevoegdheid in te houden.
Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 270 m g/l, kan worden onderbouwd met de uitslag van het bloed- of urineonderzoek (met een bloedalcoholgehalte van meer dan 0,6‰) en met de omschrijving van de toestand van verdachte in het invorderingsproces-verbaal.
Aan het recidivecriterium wordt geacht te zijn voldaan indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering:
1 | a. verdachte (on)herroepelijk is veroordeeld ter zake
van een alcoholdelict uit de Wegenverkeerswet b. een aan hem uitgereikte strafbeschikking ter zake
van een alcoholdelict uit de Wegenverkeerswet |
2. | de verdachte bekend staat als een frequent gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de vaardigheden die hij op grond van zijn bewijs van bevoegdheid mag verrichten, kunnen verminderen |
Alle feiten gepleegd na de inwerkingtreding van deze aanwijzing dienen conform deze aanwijzing te worden afgedaan.
Model proces-verbaal van invordering
[ ] Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nr.
(proces-verbaalnummer)
[ ] Regiopolitie (naam
Regiokorps),
District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)
[ ] Koninklijke Marechaussee
District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)
P R O C E S - V E R B A A L
Ik, (naam opsporingsambtenaar) van het Korps landelijke politiediensten / Regiokorps (naam Regiokorps) / Koninklijke Marechaussee relateer het volgende.
Op (dag), (datum), omstreeks (tijdstip) uur is, naar aanleiding van overtreding van
[ ] art. 2.12/11.6 WLv,
[ ] anders, namelijk (art.)
gepleegd op (dag),(pleegdatum), te (pleegplaats), het bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling ingevorderd van:
(naam verdachte)
(adres)
(woonplaats)
(geboorteplaats/-datum)
(beroep)
Het betreft een op naam van verdachte gesteld bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling met nummer (Licencenumber), dat voor de categorie(n) (Title), op (datum) is afgegeven door
[ ]de Minister van Verkeer en Waterstaat / de Minister van infrastructuur en Milieu.
[ ](andere instantie).
Het bewijs van bevoegdheid werd ingevorderd omdat bovengenoemd persoon verdacht wordt van overtreding van art. 2.12/11.6 WLv.
[ ] ik, verbalisant en/of getuigen heb(ben) verdachte daadwerkelijk werkzaamheden in de zin van art. 2.12 WLv zien verrichten: (omschrijf de werkzaamheden)
[ ] andere omstandigheden waaruit bleek dat verdachte bovengenoemde werkzaamheden heeft verricht:
[ ] naar aanleiding van de ademanalyse bleek dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 m g/l., namelijk (aantal) m g/l.
[ ] de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 11.6 tweede, zesde, achtste of negende lid van de WLv, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 m g/l., hetgeen bleek uit:
[ ] (omschrijf de omstandigheden)
[ ] het resultaat van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Na beëindigen van de test verscheen op het apparaat de indicatie "fail" (+ 270 m g/l).
[ ] omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte: (omschrijf de omstandigheden)
[ ] De ademanalyse heeft, ondanks de medewerking van de verdachte, niet geleid tot een voltooid ademonderzoek waarna is overgegaan tot een
[ ] bloedonderzoek.
[ ] urineonderzoek.
Het bloed- of urinemonster is overeenkomstig het bepaalde in de Regeling
bloed- en urineonderzoek verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut
te Rijswijk. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd bij het
bloed- of urineblok
[ ] Bij navraag bleek dat tegen de verdachte wel/niet eerder proces-verbaal is opgemaakt terzake overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv, art. 8/163 WVW 1994 en/of art. 27/28a van de Scheepvaartverkeerswet, namelijk: (beschrijf de recidive)
[ ] Verder zijn er ten aanzien het alcohol- c.q. drugsgebruik van de verdachte wel/geen andere relevante gegevens bekend. (Zo ja, welke?)
[ ] Het bewijs van bevoegdheid wordt tezamen met dit proces-verbaal onverwijld overgedragen aan c.q. opgestuurd naar de officier van justitie te (naam arrondissement).
[ ] Van de invordering is melding gemaakt in het Register te Hoofddorp.
Indien een passage met een [ ] is aangeduid maakt deze deel uit van dit proces-verbaal indien daarin een kruis is gezet.
Hiervan heb ik, (naam verbalisant) op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt dit proces-verbaal te (plaats), op (datum).
Handtekening verbalisant
===========================================================================
BESLISSING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
[ ] INHOUDEN (art. 11.7 tweede lid WLv)
Uiterlijk tot………………………………………………………
[ ] TERUGGEVEN / DOEN TOEKOMEN
[ ] AAN VERDACHTE
[ ] ANDERS DAN AAN VERDACHTE, namelijk
…………………………………………………………
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Datum beslissing:…………………………………………
De Officier van Justitie
(handtekening)
DIT PROCES-VERBAAL IN TWEEVOUD INDIENEN BIJ DE OFFICIER VAN JUSTITIE.
Model proces-verbaal van een vordering tot overgifte (zonder overgifte van het bewijs van bevoegdheid)
[ ] Korps landelijke politiediensten, proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)
[ ] Regiopolitie (naam Regiokorps),
District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)
[ ] Koninklijke. Marechaussee
District (naam district), proces-verbaal nr. (proces-verbaalnummer)
P R O C E S - V E R B A A L
Ik, (naam opsporingsambtenaar) van het Korps landelijke politiediensten / Regiokorps (naam Regiokorps) / Koninklijke Marechaussee relateer het volgende.
Op (dag), (datum), omstreeks (tijdstip) uur is, naar aanleiding van overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv gepleegd op (dag),(pleegdatum), te (pleegplaats) aan:
(naam verdachte)
(adres)
(woonplaats)
(geboorteplaats/-datum)
(beroep)
de overgifte van het op zijn naam staand bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling gevorderd. Het betreft een bewijs van bevoegdheid / bewijs van gelijkstelling met nummer (Licence number), dat voor de categorie(n) (Title), op (datum) is afgegeven door
[ ]de Minister van Verkeer en Waterstaat / de Minister van Infrastructuur en Milieu
[ ](andere instantie)
De vordering tot overgifte werd gedaan omdat bovengenoemd persoon verdacht wordt van overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv:
[ ] ik/wij, verbalisant(en) en/of getuige(n) heeft/hebben verdachte daadwerkelijk werkzaamheden in de zin van art. 2.12 WLv zien verrichten: (omschrijf de werkzaamheden)
[ ] andere omstandigheden waaruit bleek dat verdachte bovengenoemde werkzaamheden heeft verricht:
[ ] naar aanleiding van de ademanalyse bleek dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 m g/l., namelijk (aantal) m g/l.
[ ] de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 11.6 tweede, zesde, achtste of negende lid van de WLv, waarbij een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 270 m g/l., hetgeen bleek uit:
[ ] (omschrijf de omstandigheden)
[ ] het resultaat van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Na beëindigen van de test verscheen op het apparaat de indicatie "fail" (+ 270 m g/l).
[ ] omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte: (omschrijf de omstandigheden)
[ ] De ademanalyse heeft, ondanks de medewerking van de verdachte, niet geleid tot een voltooid ademonderzoek waarna is overgegaan tot een
[ ] bloedonderzoek.
[ ] urineonderzoek.
Het bloed- of urinemonster is overeenkomstig het bepaalde in de Regeling
Bloed- en urineonderzoek verzonden aan het Nederlands Forensisch Instituut
te Rijswijk. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd bij het
bloed- of urineblok
[ ] Bij navraag bleek dat tegen de verdachte wel/niet eerder proces-verbaal is opgemaakt terzake overtreding van art. 2.12/11.6 van de WLv, art. 8/163 WVW 1994 en/of art. 27/28a van de Scheepvaartverkeerswet, namelijk: (beschrijf de recidive)
[ ] Verder zijn er ten aanzien het alcohol- c.q. drugsgebruik van de verdachte wel/geen andere relevante gegevens bekend. (Zo ja, welke?)
[ ] Verdachte verklaart niet in staat te zijn het bewijs van bevoegdheid over te geven, immers
[ ] hij/zij had reeds aangifte gedaan van verlies/diefstal van het bewijs van bevoegdheid
[ ] hij/zij heeft ter plekke aangifte gedaan van verlies/diefstal van het bewijs van bevoegdheid
[ ] hij/zij heeft geen aangifte gedaan en wil dat ook niet ter plekke doen
[ ] Van de vordering tot overgifte is melding gemaakt in het Register te Hoofddorp.
Indien een passage met een [ ] is aangeduid maakt deze deel uit van dit proces-verbaal indien daarin een kruis is gezet.
Hiervan heb ik, (naam verbalisant) op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt dit proces-verbaal te (plaats), op (datum).
Handtekening verbalisant
=============================================================================
BESLISSING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
[ ] MELDING HANDHAVEN
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
[ ] MELDING VERWIJDEREN
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Datum beslissing:…………………………………………
De Officier van Justitie
(handtekening)
DIT PROCES-VERBAAL IN TWEEVOUD INDIENEN BIJ DE OFFICIER VAN JUSTITIE
F A X B E R I C H T
Van:
Aan:
Rijksluchtvaardienst
Afdeling Luchtvaartinspectie
Bureau BB
Faxnummer: 023 - 5663015
Betreft:
Naam: <*>
Voornamen: <*>
Geboortedatum: <*>
Licence number: <*>
Title: <*>
Geldigheidsduur: <*>
Hiermee verzoekt de officier van justitie te <*> de beheerder van het register van bewijzen van bevoegdheid en gelijkstelling, in het kader van strafrechtelijke maatregelen de volgende gegevens in het register te muteren:
De officier van justitie
namens deze
[1]De bevoegdheid tot invordering geldt op
grond van art. 11.7, eerste lid onder b eveneens voor de
overtredingen genoemd in art. 11.6, tweede, zesde, achtste en
negende lid.
[2] Kamerstukken II1995/96, 24 513, nr. 3, p.
19 (MvT).
[3] Kamerstukken II 1995/96, 24 513, nr. 3,
p. 11 (MvT).
[4] Kamerstukken II 2005/06, 30 3024, nr. 3,
p. 4 en 37 (MvT).
[5] De woorden "Op de eerste
vordering.........verplicht tot overgifte" impliceren dat er
sprake moet zijn van een contact tussen de persoon die de
overgifte van het bewijs van bevoegdheid vordert en de
verdachte zodat de vordering niet mogelijk is, indien en
zolang de bestuurder buiten bewustzijn is (HR 13 november
1962, NJ 1963, 26).
[6] Zie ook paragraaf 1.5.
[7] Vgl. HR 31 januari 1961, NJ 1961,
207.
[8] Vgl. HR 21 oktober 1958, NJ 1959,
5.
[9] Daaronder dient ook te worden verstaan de
via de strafbeschikking opgelegde straf.
[10] Hierbij kan worden gedacht aan de artt.
2.12 en 11.6 van de WLv, de artt. 8 en 163 WVW 1994 en artt.
27 en 28a van de Scheepvaartverkeerswet en de artt. 426 en 453
WvSr.
[11] Zie ook paragraaf 1.5.
[12] Artikel 1, lid 1 Algemene Termijnenwet:
Een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of
algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met
de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen
erkende feestdag is.
Artikel 3, lid 1 Algemene Termijnenwet: Algemeen erkende
feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de
Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de
Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt
gevierd en de vijfde mei.
Artikel 3, lid 2 Algemene Termijnenwet: Voor de toepassing van
deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde
dagen gelijkgesteld.
[13] De termijn waarbinnen zaken op de zitting
moeten staan, is afhankelijk van de lengte van de
minimumontzegging die standaard voor een dergelijk delict
staat.
[14] Vgl. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10
maart 2004, LJN: AO5324.
[15] De ressortsparketten zijn niet voorzien
van een aansluiting op het register. Bovendien kan in dit
register slechts één parketnummer per zaak worden
geregistreerd.
[16] De advocaat-genraal blijft echter wel
verantwoordelijk voor de executie van de (on)voorwaardelijke
ontzegging.
[17] Dit komt overeen met een BAG van 0,6
promille.
[18] Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan een constatering van dranklucht, onzekere gang en
belemmerde spraak.