Een officier houdt zich bezig met de volgende zaken:
Als ergens een strafbaar feit is gepleegd, zoals bijvoorbeeld een inbraak, is het opsporingswerk een taak van de politie. Politiemensen zoeken naar sporen, horen getuigen en slachtoffers, houden verdachten aan en leggen alle gegevens vast in een proces-verbaal.
De eindverantwoordelijkheid voor de opsporing ligt bij het Openbaar Ministerie. De officieren van justitie hebben het gezag over de onderzoeken van de politie. Vooral als het om zware misdrijven gaat, geeft de officier van justitie direct leiding aan het onderzoek. De officier van justitie houdt daarbij in de gaten of de opsporing zorgvuldig en eerlijk verloopt. Dat wil zeggen: volgens de regels die in de wet zijn vastgelegd.
Om het opsporingswerk goed te kunnen doen, kan de officier van justitie opdracht geven bepaalde dwangmiddelen te gebruiken. Bijvoorbeeld het in beslag laten nemen van gestolen voorwerpen of het aanhouden van een verdachte die niet op heterdaad is betrapt. Het Openbaar Ministerie is niet vrij om tijdens de opsporing te doen en laten wat het wil. Als het zware dwangmiddelen wil gebruiken, moet eerst toestemming aan de rechter-commissaris worden gevraagd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij huiszoeking of het afluisteren van de telefoon.
Zodra het Openbaar Ministerie de rechter in een strafzaak betrekt, is de vervolging begonnen. Soms is dat al voordat iemand in de rechtszaal verschijnt. De rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld opdracht geven iemand in voorlopige hechtenis te nemen, als deze ervan wordt verdacht een ernstig misdrijf te hebben gepleegd. We spreken dan ook wel van voorarrest.
Niet alle strafbare feiten die worden onderzocht, komen voor de rechter. Soms besluit de officier van justitie niet te vervolgen. We zeggen dan dat hij de zaak seponeert, bijvoorbeeld als de politie te weinig bewijs heeft kunnen verzamelen. Rechtstreeks belanghebbenden die het niet eens zijn met een sepot kunnen een klacht indienen bij het gerechtshof. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.
De officier van justitie kan ook besluiten tot een transactie. Dit betreffen vaak eenvoudige vergrijpen zoals winkeldiefstal of een kleine vernieling. Bij een transactie betaalt de verdachte een bepaald bedrag aan het Openbaar Ministerie en hoeft hij niet voor de rechter te verschijnen. Ook kan de officier van justitie zelfstandig 120 uur taakstraf aanbieden. De betrokkene hoeft dan niet voor de rechter te verschijnen.
Als een sepot of een transactie niet aan de orde is, volgt de gang naar de strafrechter. Het Openbaar Ministerie zorgt ervoor dat de verdachte een dagvaarding krijgt: een brief waarin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt verdacht. De opsomming van de feiten waarvoor een verdachte terecht moet staan, heet tenlastelegging. Jaarlijks stuurt het parket Amsterdam ongeveer 18.000 dagvaardingen de deur uit.
In de rechtszaal ziet de verdachte de officier van justitie in zijn rol van openbare aanklager. In zwarte toga met witte bef. De officier van justitie vertelt tijdens de zitting waarvoor iemand terecht moet staan. Vervolgens ondervraagt de rechter de verdachte over de zaak. Ook de officier krijgt de gelegenheid om vragen te stellen, net als trouwens de advocaat van de verdachte. Daarna houdt de officier van justitie zijn requisitoir: een betoog waarin hij de rechter vertelt wat hij van de zaak vindt en een straf eist. Dat kan een geldstraf zijn, een taakstraf of een celstraf.
Als de officier van justitie in de rechtszaal het woord voert, staat hij altijd. De rechter, die recht tegenover de verdachte zit, blijft altijd zitten. Om die reden worden leden van het Openbaar Ministerie ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters maken deel uit van de zittende magistratuur.