Wijzigingen in de functie

Kruimelpad

Inhoud pagina: Wijzigingen in de functie

In het Rijkspolitiebesluit van 1935 wordt de taak van de fungerend directeur van politie omschreven. Deze wordt in artikel 3 (op vrijwel dezelfde wijze als in artikel 5 van het Rijkspolitiebesluit 1851) omschreven als het waken voor de handhaving der wetten en besluiten, voor de rust en de veiligheid van de staat, voor de bescherming van personen en goederen en ten slotte voor de naleving van de Vreemdelingenwet van 1849. In artikel 3 lid 4 wordt de procureur-generaal, fungerend directeur van politie bovendien, naast de commissaris der koningin en de burgemeester, uitdrukkelijk verantwoordelijk gesteld voor de handhaving van de openbare orde in zijn ressort.

Het Rijkspolitiebesluit van 1935 brengt meer centralisatie. In dit besluit wordt de rijkspolitiezorg omschreven als alle politiezorg, voorzover deze niet bij of krachtens de gemeentewet bij uitsluiting tot gemeentelijke politiezorg is gemaakt.

In 1945 worden de procureurs-generaal van hun openbare ordetaak ontheven en gaat de verantwoordelijkheid hiervoor geheel over op de bestuurlijke autoriteit, de burgemeester. De positie van de procureurgeneraal, fungerend directeur van politie wordt eveneens in dit besluit geregeld (KB van 8 november 1945). De procureur-generaal heeft in zijn ressort het gezag over de rijkspolitie. Hij overtuigt zich van de richtige uitoefening van de rijkspolitiezorg door alle onderdelen van de politie, zowel rijks- als gemeentepolitie.

De Politiewet van 1957 beperkt de bevoegdheden van de procureurgeneraal, fungerend directeur van politie aanzienlijk. Het toezicht heeft namelijk alleen nog maar betrekking op de uitoefening van de justitiële politietaak (artikel 52 Politiewet). De commissaris van de koningin heeft een dergelijke functie ten aanzien van de wijze waarop de politie de openbare orde handhaaft.

Uiteindelijk maakt de nieuwe Politiewet van 1993, in werking getreden op 1 april 1994, een einde aan de tweedeling gemeente- en rijkspolitie. De gemeentelijke politiekorpsen en het Korps rijkspolitie worden opgeheven. Er ontstaat één Nederlandse politie, georganiseerd in 26 korpsen. Deze ene politie is opgedeeld in 25 regionale korpsen en een Korps landelijke politiediensten. Het beheer van de regionale politie berust bij de bestuurlijke autoriteit, doorgaans de burgemeester van de provinciehoofdplaats of de grootste gemeente binnen de politieregio. Maar daarnaast heeft de hoofdofficier van justitie medezeggenschap verkregen over het beheer van het regiokorps.

In de politiewet van 1993 verliezen de procureurs-generaal het directeurschap van politie, maar zij behouden het toezicht op de uitoefening van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie (artikel 19). De hoofdofficieren van justitie krijgen een meer prominente rol, doordat zij beheerstaken erbij krijgen. Maar anders dan de procureurs-generaal, fungerend directeuren van politie vroeger, hebben zij bij de uitoefening van het beheer geen directe band met de minister.

Even geduld aub.
Naar boven

Zoeken