Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS)

Kruimelpad

Inhoud pagina: Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS)

De commissie Evaluatie afgesloten strafzaken - in de volksmond wel de commissie Posthumus II genoemd - reageert op signalen van misstanden. Aan die signalen worden eisen gesteld: schriftelijk ingediend, betrekking hebbend op een concrete strafzaak [met een aanduiding van het delict in kwestie], op naam waarbij ook de betrokkenheid bij de zaak wordt aangegeven, en met een concrete beschrijving van wat naar het oordeel van de indiener is misgegaan in de betreffende zaak. Op grond daarvan beoordeelt een zogenoemde "toegangscommissie" of het signaal zich leent voor nader onderzoek, dan wel dat het valt buiten de bevoegdheden van de commissie Evaluatie afgesloten strafzaken. Indien besloten wordt geen onderzoek in te stellen, zal het verzoek gemotiveerd afgewezen worden.

Zaken kunnen schriftelijk aangemeld worden, bij het volgende adres:

Commissie evaluatie afgesloten strafzaken
Secretariaat Toegangscommissie
Postbus 20305
2500 EH DEN HAAG

Het moet gaan om ernstige strafzaken, die juist vanwege hun emotionele lading en de daaruit voortkomende psychologische druk in het bijzonder vatbaar zijn voor fenomenen als tunnelvisie en de wens tot (snelle) oplossing van de zaak. Voor een omschrijving van 'ernstige zaken' wordt in beginsel aangesloten bij de formulering van artikel 67a, tweede lid sub 1 Wetboek van Strafvordering: feiten waarop 12 jaar of meer gevangenisstraf is gesteld en/of waarbij de rechtsorde ernstig is geschokt. Dus verkrachting, doodslag, moord, roofovervallen met slachtoffers e.d.

Bij signalen die zich lenen voor onderzoek door de commissie, stelt deze een plan van aanpak op waarin - afhankelijk van de aard en het gewicht van het signaal - een onderzoeksmethode wordt bepaald. De omvang en diepgang van het onderzoek is uiteraard afhankelijk van de aard van de gemelde zaken: het ingediende signaal bepaalt in beginsel de omvang en bandbreedte van het onderzoek.

Over het algemeen zullen gesprekken met betrokkenen nodig zijn. Ook zal het noodzakelijk zijn kennis te nemen van het dossier en interne stukken om het verhaal van de melder te kunnen toetsen en om de andere kant van het verhaal te horen. De commissie krijgt toegang tot alle relevante personen en stukken bij politie en Openbaar Ministerie. Om staatsrechtelijke redenen zal de zittende magistratuur (de rechtbank) buiten de onderzoeken blijven.

Er is een 'pool' samengesteld, bestaande uit een aantal advocaten-generaal, oud-politiemensen, (oud-)advocaten en strafrechtswetenschappers. Zij vormen de commissie Evaluatie afgesloten strafzaken. Het College van procureurs-generaal heeft drie leden uit de commissie benoemd die samen de zogeheten toegangscommissie vormen.

Deze toegangscommissie kent een vaste samenstelling en bestaat uit: Prof. mr. Y. Buruma (hoogleraar strafrecht) als voorzitter, Mr. M. Wladimiroff (advocaat) en Mr. F. Posthumus (advocaat-generaal). De onderzoeken worden uitgevoerd door een niet bij de zaak betrokken advocaat-generaal als onderzoeker, die bijgestaan wordt door twee externe deskundigen: een deskundige op het terrein van de politie en een (strafrechts)wetenschapper of een (oud-)advocaat. De beide laatsten dienen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het onderzoek te waarborgen. De rapportage wordt vervaardigd door de onderzoeker. Als een externe deskundige zich niet kan vinden in (delen van) de rapportage, dan worden zijn bemerkingen als apart onderdeel toegevoegd aan de rapportage. De externe deskundigen kunnen dus met een 'dissenting opinion' komen die evenals de rapportage, openbaar gemaakt wordt. Het College van procureurs-generaal verplicht zich om in zijn reactie op de uitkomsten van een onderzoek, expliciet aandacht te besteden aan een eventuele dissenting opinion.

De commissie heeft tot doel na te gaan of zich in de opsporing van strafbare feiten en/of in de behandeling van daaruit voortgekomen strafzaken ernstige manco's hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan.

Het gaat om signalen van professioneel bij de zaak betrokken (oud)functionarissen (politieambtenaren, OM'ers, medewerkers van het NFI) en wetenschappers. Dit betreft wetenschappers die de zaak geanalyseerd hebben en daaraan een (wetenschappelijke) publicatie hebben gewijd.

Om te vermijden dat er naast de gang naar de rechter een 'alternatieve rechtsgang' wordt gecreëerd, kunnen verdachten of hun advocaten zich niet tot de commissie wenden; de commissie is geen instantie in plaats van of naast de wettelijke herzieningsprocedure bij de Hoge Raad. Verder is de commissie niet bevoegd om zich te buigen over zaken die nog niet geleid hebben tot een onherroepelijke veroordeling; lopende opsporingsonderzoeken en zaken die nog onder de rechter zijn worden dus niet onderzocht. De aandacht wordt geconcentreerd op mogelijke onterechte schuldigverklaringen, waarbij de veroordeelde zijn straf of maatregel nog ondergaat.

De CEAS rapporteert aan het College van procureurs-generaal, de formele opdrachtgever. De resultaten van de ingestelde onderzoeken zijn openbaar. Een onderzoek zal over het algemeen uitmonden in een advies aan het College. Dat kan het advies zijn om een een nieuw opsporingsonderzoek te (doen) starten wanneer er aantoonbaar fouten gemaakt zijn tijdens het opsporingsonderzoek. Het kan ook het advies zijn, een herzieningsprocedure te entameren via de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Het College beslist op basis van het advies over eventueel te nemen vervolgstappen.

Naar boven

Zoeken