Overige vragen over het strafrecht

Kruimelpad

Inhoud pagina: Overige vragen over het strafrecht

Zoeken in de index

Zoeken binnen de index
20 items (10 getoond)

Wanneer u slachtoffer wordt van een misdrijf kunt u daarvan aangifte doen bij de politie. Met de aangifte doet u een verzoek tot strafvervolging van de verantwoordelijken. De politie is verplicht om uw aangifte op te nemen en zal u op de hoogte houden van wat er met uw aangifte gebeurt.

De politie zal naar aanleiding van uw aangifte in de meeste gevallen onderzoek doen om de waarheid boven tafel te krijgen en verdachten van een misdrijf op te sporen. Toch kan het voorkomen dat de politie besluit om geen onderzoek in te stellen, naar aanleiding van de aangifte. Dit kan om verschillende redenen: het belang ervan is te gering, er is geen opsporingsindicatie (te weinig zicht op de dader(s)) of er is al te veel verlopen sinds het strafbare feit gepleegd is.

Wanneer u het niet eens bent deze beslissing kunt u een gesprek aanvragen over het nemen van deze beslissing of een brief schrijven naar de betreffende districtschef. Ook kunt u de Officier van Justitie vragen de politie opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar aanleiding van uw aangifte.

Het kan ook gebeuren dat de politie besluit de zaak 'op te leggen' nadat eerst een onderzoek is ingesteld naar aanleiding van uw aangifte. Bijvoorbeeld omdat de politie vindt dat er onvoldoende bewijs is om de verdachte met succes te kunnen vervolgen. Als u daarvan bericht krijgt, dan hoeft u het ook hier niet mee eens te zijn. In dit geval kunt u een brief schrijven aan de Officier van Justitie en deze vragen de politie opdracht te geven het proces-verbaal in te sturen naar het openbaar ministerie.

Voor een aantal relatief lichte feiten kunt u bij de meeste politiekorpsen ook digitaal aangifte doen.  lees verder 

Wilt u anoniem aangifte doen kijk dan op www.meldmisdaad.nl/

De Wet openbaarheid van bestuur vormt de grondslag voor de voorlichting door het Openbaar Ministerie. Dat betekent dat in beginsel alles openbaar wordt gemaakt en dat alleen bij uitzondering informatie niet openbaar wordt gemaakt. Eén van die uitzonderingen komt voort uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van 1 september 2001.
In verband met de Wet bescherming persoonsgegevens mogen het OM en de politie de persoonsgegevens van verdachten niet verstrekken wanneer deze verstrekking kan leiden tot de identificatie van de persoon.

Door de Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling komen veroordeelden met een tijdelijke gevangenisstraf van minimaal 1 jaar alleen nog onder voorwaarden in aanmerking voor vrijlating. De wet is op 1 juli 2008 ingevoerd en kent een overgangsfase van 5 jaar.

Algemene en bijzondere voorwaarden

Veroordeelden krijgen bij voorwaardelijke invrijheidsstelling een aantal voorwaarden en een proeftijd opgelegd. Zo mogen veroordeelden tijdens hun proeftijd niet opnieuw een strafbaar pleit plegen. Doen zij dat wel, dan kan de vervroegde vrijlating worden teruggedraaid. Naast de algemene voorwaarde zijn er bijzondere voorwaarden. Deze worden afgestemd op de persoon, het gepleegde strafbare feit en de kans dat de veroordeelde opnieuw de fout in gaat (recidivekans). De volgende bijzondere voorwaarden zijn mogelijk:

  • Vrijheidsbeperkende voorwaarden, zoals een contactverbod, locatieverbod, drugs- of alcoholverbod of een meldingsplicht.
  • Gedragsbeïnvloedende voorwaarden, zoals deelname aan een training.
  • Voorwaarden gericht op zorg, zoals een behandeling bij een instelling van geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg.

De proeftijd gaat in op de dag van de vrijlating. De duur van de proeftijd varieert:

  • Proeftijd algemene voorwaarde
    De proeftijd voor de algemene voorwaarde duurt net zolang als het restant van de straf. Behalve als het restant minder is dan 1 jaar, dan geldt het minimum van 1 jaar.
  • Proeftijd bijzondere voorwaarden
    Het Openbaar Ministerie (OM) bepaalt de proeftijd voor de bijzondere voorwaarden. Deze duurt nooit langer dan het restant van de straf.

Lees meer op www.rijksoverheid.nl

Nadat de totale duur dat een verdachte in voorarrest mag vast worden vastgehouden is verstreken, zal de zaak op zitting moeten worden gebracht. Wanneer het onderzoek tegen verdachte echter nog niet is afgerond wordt de zaak op zitting pro forma behandeld. Er vindt dan nog geen inhoudelijke behandeling plaats.

Wanneer een veroordeelde of de openbare aanklager het niet eens is met een uitspraak van de rechtbank kan deze binnen twee weken na de uitspraak hogerberoep aantekenen bij het gerechtshof.

De rechters die het hoger beroep behandelen heten raadsheren. Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door de advocaat generaal, ook wel AG genoemd. Feitelijk heeft de advocaat generaal dezelfde rol als de officier van justitie (openbare aanklager).

In hoger beroep wordt de zaak opnieuw bekeken. De raadsheren bekijken nog eens wat er precies is gebeurd en luisteren opnieuw naar de verhalen van het openbaar ministerie en de verdachte. Het gerechtshof hoeft geen rekening te houden met de uitspraak van de rechtbank. Iemand die in eerste instantie is veroordeeld, kan dus worden vrijgesproken, maar ook een hogere straf krijgen.

Een slachtoffer/benadeelde kan niet in beroep tegen de uitspraak van de rechter in een strafzaak.
In het geval de benadeelde zich gevoegd heeft in een strafzaak kan indien de rechter geen schadevergoeding toekent hiertegen beroep worden aangetekend.

Zie ook de rubriek 'Slachtoffer'

Als de Rechtbank van mening is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de terechtzitting bevelen dat er nader onderzoek moet plaatsvinden.

Het tussenvonnis behoeft niet te betekenen, dat de rechter het reeds verkregen bewijsmateriaal voor een veroordeling onvoldoende acht, maar kan er op gericht zijn dat hij zeker punt nader belicht wil zien.

Noodweer
Volgens de wet is noodweer het plegen van een strafbaar feit om jezelf of een ander te verdedigen tegen een onmiddellijke bedreiging. De verdediging mag niet verder gaan dan noodzakelijk is. Als noodweer is vastgesteld, is er geen sprake van een strafbaar feit.

Noodweer-exces.
Als iemand de grens overschrijdt van de noodzakelijke verdediging (noodweer), bijvoorbeeld omdat hij in paniek raakt, kan sprake zijn van noodweer-exces. De dader is dan niet strafbaar.

art 41 Wetboek van Strafrecht

lid 1. Niet strafbaar is hij die die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wedererchtelijke aanranding
lid 2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddelijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsoverweging, door de aanranding veroorzaakt.

Met ingang van 1 januari 2005 moet iedereen vanaf 14 jaar zich kunnen identificeren. Zorg er dus voor dat je altijd een geldig identiteitsbewijs bij je hebt. Dat is de boodschap van de publiekscampagne van het ministerie van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die op 1 november 2004 is begonnen. De campagne waarschuwt mensen op tijd een identiteitsbewijs aan te schaffen als ze die nog niet hebben. Dit geldt met name voor jongeren tussen de 14 en 18 jaar.

De uitbreiding van de identificatieplicht is één van de maatregelen die de overheid neemt om de veiligheid te vergroten, de aanpak van criminaliteit te versterken en overlast te verminderen. Omdat met de identificatieplicht eenvoudig kan worden gecontroleerd of de gegevens die iemand opgeeft juist zijn, kan de politie makkelijker en sneller haar werk doen.

Soms besluit de officier van justitie niet te vervolgen: we zeggen dan dat hij de zaak seponeert. Zo'n beslissing heet een sepot. Er zijn verschillende redenen om niet te vervolgen. Bijvoorbeeld als de politie niet voldoende bewijs heeft kunnen verzamelen. In zo'n geval is sprake van een `technisch sepot'.
Daarnaast is er het zogenaamde `beleidssepot'. In zo'n geval is er voldoende bewijs, maar besluit het Openbaar Ministerie bewust om iemand niet te vervolgen, bijvoorbeeld als er sprake is van een klein vergrijp en de dader de schade aan het slachtoffer heeft vergoed.
Wie het er niet mee eens is dat een zaak wordt geseponeerd, kan daartegen in het geweer komen. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het gerechtshof. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.

Klacht niet vervolging (art.12 Sv)

Een verdachte is niet verplicht om zijn naam te geven als deze wordt aangehouden. De politie kan een verdachte voor verhoor meenemen naar het politiebureau zodat onderzoek gedaan kan worden naar de identiteit van de verdachte. De verdachte hoeft hier echter niet aan mee te werken.
Het ontbreken van de identiteit van de verdachte kan echter wel een reden zijn om deze langer in verzekering te stellen dan de zes uur die staan voor het politieverhoor. Dit om te voorkomen dat de verdachte strafvervolging ontloopt. Na de drie dagen van de inverzekeringstelling wordt de verdachte voorgeleid aan de rechter commissaris deze moet beoordelen of voorlopige hechtenis van de verdachte gerechtvaardigd is.
Als de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig vindt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Tegen deze beschikking staat voor de officier van justitie binnen 14 dagen hoger beroep bij de rechtbank open
(Wetsbepalingen Artt. 50, 57 t/m 59c WvSv)

Overigens heeft de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht (2009A024) geen invloed op deze regel. Als een verdachte geen identiteitsbewijs kan laten zien, is deze niet verplicht zijn naam te geven.

Naar boven

Zoeken