Straffen

Kruimelpad

Inhoud pagina: Straffen

Zoeken in de index

Zoeken binnen de index

Het OM treft tienduizenden schikkingen per jaar. Mensen die te snel hebben gereden of een winkeldiefstal hebben begaan krijgen bijvoorbeeld een schikking. Gaan zij hierop in dan besparen zij zichzelf een gang naar de rechter.

Ook bij grotere zaken wordt, zij het in beperktere mate, getracht tot een schikking te komen. Een schikking (ook wel transactievoorstel) is voor het OM een manier om strafzaken op een economische manier af te doen. Het OM mag alleen een schikking aanbieden als op zichzelf bewijstechnisch en beleidsmatig voldoende grond is om met succes te vervolgen.

Meestal wordt voor een schikking gekozen als het bewijs voorhanden is, maar wordt gevreesd voor een langdurige, complexe rechtszaak. Zeker als de sanctie die de rechter mogelijk oplegt lager is dan het bedrag van de schikking is dit een welkome weg. Voor de overheid betekent dit een even snelle als rechtvaardige afdoening, voor de verdachte een mogelijkheid een moeizame rechtsgang af te kopen.

Het OM kent als beleid dat in gevoelige zaken waarbij een hoge schikking ter sprake komt altijd als voorwaarde wordt gesteld dat een persbericht wordt uitgegeven. Ook in de zaak rond de Schipholspoortunnel was dit aan de hand: er was genoeg bewijs, de schikking was voor het maximumbedrag en de zaak werd openbaar gemaakt via een persbericht. De toenmalige Minister Korthals heeft in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat hij wil dat het OM in de toekomst terughoudender omgaat met hoge transacties.

Transacties boven de 100.000 gulden moeten aan de minister worden voorgelegd, zodat hij kan bepalen of het OM in redelijkheid kan besluiten de zaak niet aan de rechter voor te leggen. Kern van de zaak is dat bepaalde gevallen niet zomaar met een transactie worden afgedaan maar ter toetsing worden voorgelegd: zij moeten uit de reguliere stroom van min of meer routinematig af te handelen zaken worden gelicht en bijzondere aandacht krijgen.

Behalve transacties van boven de ton verdienen bijzondere aandacht de zaken waarin juridisch of beleidsmatige principiële vragen aan de orde zijn en de gevoelige zaken. De gevoeligheid wordt bepaald door de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd, de gevolgen ervan of de persoon van de verdachte. Een transactie is bijvoorbeeld gevoelig wanneer bij een zaak de integriteit van het openbaar bestuur in het geding is. In de periode juli 2000 tot en met juni 2001 zijn door het OM negentien transacties boven de 100.000 gulden afgesloten.

Als de rechter een vrijheidsstraf van maximaal drie jaar oplegt kan hij daarvan een bepaald gedeelte als voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen. Het gedeelte dat voorwaardelijk wordt opgelegd, kan nooit langer zijn dan één jaar. De veroordeelde hoeft dan dat gedeelte van de straf niet uit te zitten, tenzij hij tijdens een proeftijd weer nieuwe strafbare feiten pleegt.

De zwaarste straf die in Nederland opgelegd kan worden, sinds in 1870 de doodstraf werd afgeschaft, is levenslange gevangenisstraf. Levenslang betekent voor het leven. Aan een levenslang gestrafte kan door de Koningin gratie worden verleend. Dit kan tot gevolg hebben dat een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf op jaren worden gesteld. In dat geval mag de veroordeelde eerder uit de gevangenis.

Het OM mag sinds de inwerkingtreding van de wet OM-afdoening in 2008 voor een aantal veel voorkomende strafbare feiten zelf straffen opleggen. Voorheen mocht het OM alleen een schikkingsvoorstel (transactie) aanbieden. Nu het OM ook zelf kan straffen, heeft de rechter meer tijd voor de zwaardere strafzaken. Als het OM een straf oplegt, dan heet dan een strafbeschikking.
De officier van justitie kan met een strafbeschikking een straf, een maatregel of een aanwijzing opleggen. Dit kan alleen bij misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en bij overtredingen. En alleen indien de schuld aan het feit is vastgesteld.
Het OM kan geen gevangenisstraf opleggen, dat blijft een taak van de rechter.
Lees meer over de strafbeschikking en de Wet OM-afdoening in het dossier: www.om.nl/onderwerpen/strafbeschikking

De taakstraf is niet meer weg te denken uit het Nederlandse strafrecht. Een taakstraf bestaat uit onbetaalde arbeid (werkstraf) of een verplicht programma (leerstraf). Een combinatie van beide is ook mogelijk. De werkstraf werd in 1989 geïntroduceerd in het Wetboek van Strafrecht na een proefperiode die goede resultaten opleverde.

Tot 1 februari 2001 was de taakstraf voor volwassenen vooral een alternatief voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 6 maanden. Sindsdien is de taakstraf als zelfstandige hoofdstraf opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Voor jeugdigen (12-18 jaar) bestaat de taakstraf al als zelfstandige hoofdstraf vanaf 1995. Omdat de taakstraf een effectieve en humane vorm van straffen blijkt te zijn, wil het ministerie van Justitie dat de taakstraf in meer situaties wordt opgelegd. Voordelen van taakstraffen Zowel voor de samenleving als voor de gestrafte heeft de taakstraf voordelen. De voordelen van een taakstraf zijn onder meer: -de gestrafte heeft betere kansen op een succesvolle 'terugkeer' in de maatschappij; door het werk of het programma houdt hij contact met de maatschappij en wordt zelfdiscipline van hem verwacht; -taakstraffen zijn relatief snel uitvoerbaar; -de gestrafte maakt zich nuttig voor de samenleving die hij door zijn handelen schade heeft toegebracht; -de gestrafte gaat minder snel opnieuw de fout in na een taakstraf; het verschil is niet groot, maar wel aanwezig; -er is minder kans op 'criminele besmetting' van jeugdigen dan in een (jeugd)gevangenis; -taakstraffen zijn goedkoper dan gevangenisstraf en jeugddetentie.

Taakstraffen volwassenen
Taakstraf is zelfstandige straf Een taakstraf kan worden opgelegd voor ieder misdrijf of iedere overtreding waar een vrijheidsstraf (gevangenisstraf of hechtenis) op staat. Qua zwaarte zit de taakstraf tussen de geldboete en de vrijheidsstraf in. Werkstraf en/of leerstraf Een taakstaf kan een werkstraf inhouden of een leerproject omvatten. Een combinatie van beide is ook mogelijk.
Met een werkstraf moet de gestrafte arbeid verrichten waarvoor hij niet wordt betaald. Met een leerstraf moet de gestrafte een cursus volgen die hem confronteert met de gevolgen van zijn gedrag. Sinds 1994 bekijkt het ministerie van Justitie de effecten van de leerstraf voor volwassenen. Deze effecten zijn positief. Geen instemming nodig/taakstraf bij verstek De rechter mag een taakstraf opleggen, ook als de verdachte daar niet om heeft gevraagd.
De rechter kan zelfs een taakstraf opleggen als de verdachte niet op de terechtzitting aanwezig is (taakstraf bij verstek). Natuurlijk is het wel zo dat de rechter, als de verdachte aanwezig is, een betere inschatting kan maken of de taakstraf succesvol zal zijn. Een en ander geldt ook bij de taakstraf voor jeugdigen. Een niet (goed) uitgevoerde taakstraf Als een gestrafte (dit geldt zowel voor volwassenen als jeugdigen) zijn taakstraf niet (goed) uitvoert, moet hij een vervangende vrijheidsstraf ondergaan. De rechter geeft bij het vonnis taakstraf al aan hoe lang die vervangende vrijheidsstraf zal duren. In de wet is daarvoor een rekenregel opgenomen.

Zo staat een werkstraf van 240 uur ongeveer gelijk aan 4 maanden vrijheidsstraf. Een taakstraf van 480 uur kan door maximaal 8 maanden vrijheidsstraf vervangen worden. De officier van justitie mag beslissen of de vervangende hechtenis ten uitvoer wordt gelegd. Tegen deze beslissing kan de gestrafte bezwaar maken bij de rechter. Dit hoeft overigens de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis niet op te schorten. Rechter bepaalt de soort taakstraf en het aantal uren De rechter hoeft alleen aan te geven wat hem voor ogen staat: een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide. Voorts bepaalt hij het aantal uren dat de taakstraf zal duren. Hij is niet verplicht precies te bepalen wat voor werkzaamheden of welke cursus de verdachte gaat doen. De rechter mag wel aanwijzingen geven over de inhoud van de taakstraf. Dit geldt precies zo bij jeugdigen.
Maximum taakstraf Het maximum aantal uren werkstraf is 240 uur, een leerstraf kan 480 uur duren. Een combinatie van een leerstraf en een werkstraf mag eveneens 480 uur duren. Voorwaarde bij zo'n combinatie is dat het werkgedeelte niet meer dan 240 uur bedraagt. Combinatie met onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is mogelijk Een taakstraf kan gecombineerd worden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van maximaal 6 maanden. Voor jeugdigen is dat maximaal 3 maanden onvoorwaardelijke jeugddetentie. Er gelden geen specifieke beperkingen voor een voorwaardelijk opgelegd deel. De combinatie van taakstraf en geldboete is ook mogelijk.

Openbaar ministerie kan taakstraf voorstellen
Het openbaar ministerie (de officier van justitie) kan zowel volwassen verdachten als minderjarigen voorstellen om een werkstraf te doen of een leerproject te volgen. Het maximum aantal uren dat het openbaar ministerie mag voorstellen is 120 uur. De verdachte kan hiermee strafvervolging voorkomen.

Taakstraffen jeugdigen De taakstraf voor jeugdigen is voor het grootste deel hetzelfde geregeld als die voor volwassenen. Op een aantal punten zijn er verschillen. De werkstraf bij jeugdigen wordt onderverdeeld in onbetaalde arbeid en arbeid ter herstel van de aangerichte schade. Ook de duur van de taakstraf voor jeugdigen wijkt af van het volwassenen recht. Een werkstraf voor jeugdigen kan maximaal 200 uur duren, een leerstraf kent hetzelfde maximum. Als een combinatie van werk- en leerstraf wordt opgelegd, duurt dit niet langer dan 240 uur. De vervangende hechtenis die kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste 4 maanden.

Jongeren die zich schuldig maken aan vandalisme of winkeldiefstal kunnen door de politie worden doorverwezen naar een Halt-bureau. Dat bureau kan met de jongere een HALT-procedure afspreken. Dat betekent normaal dat hij een aantal uren moet werken en de veroorzaakte schade moet vergoeden.

Zie ook: www.halt.nl

Als de jongere alle afspraken met bureau HALT is nagekomen stuurt bureau HALT een positief advies naar de officier van justitie. De zaak is hiermee afgedaan.
Justitie stelt geen vervolging in en de jongere wordt niet geregistreerd in de justitionele documentatie.
Als de jongere de gemaakte afspraken niet nakomt stuurt bureau HALT een negatief advies naar de officier van justitie waarna een strafrechtelijke procedure gestart zal worden.

Zie ook: www.halt.nl

Jongeren in de leeftijd tussen de 12 en 18 jaar die zich schuldig maken aan vandalisme of winkeldiefstal kunnen door de officier van justitie worden verzocht om deel te nemen aan een HALT-afdoening. Het schadebedrag mag dan niet hoger zijn dan € 900 per persoon of € 4500 per zaak. Bij diefstal mag de waarde van het gestolen goed niet hoger zijn dan € 150. Bij groepsdelicten kan de officier van justitie ook jongeren van 18 tot 21 jaar aan HALT laten deelnemen.
De jongere moet voor deelneming het strafbare feit bekennen en instemmen met de HALT-procedure.

Zie ook: www.halt.nl

Voor het vaststellen van de straf voor een zelfde delict mag het niet uitmaken of de dader in Leeuwarden dan wel in Maastricht voor de rechter moet verschijnen. Strafverzwarende dan wel strafverminderende omstandigheden moeten daarbij op vergelijkbare wijze invloed hebben op de strafmaat.

In de richtlijnen voor strafvordering wordt door middel van een punten systeem aangegeven welke straf bij welk delict passend is. Deze richtlijnen worden samengesteld door het college van procureurs generaal en aan de parket hoofden verstuurd.

Bij veel delicten komt de strafeis tot stand aan de hand van richtlijnen van het Openbaar Ministerie. In een richtlijn wordt aan de hand van een puntensysteem berekend welke straf passend is bij dat delict. In de tweede fase beslist de officier van justitie op basis van ervaring en inzicht of deze straf ook past in de specifieke zaak.

De beoordeling van een strafzaak geschiedt in twee fasen. Tijdens de eerste fase bepaalt de officier van justitie aan de hand van de richtlijnen welke sanctie passend zou zijn in soortgelijke strafzaken. De tweede fase van de beoordeling vergt het inzicht en de ervaring van de officier van justitie om te bepalen of het gevonden uitgangspunt passend is in de specifieke strafzaak die ter beoordeling voorligt. Hierbij kan in voorkomende gevallen gemotiveerd van de richtlijnen worden afgeweken.

Voor levensdelicten zoals moord en doodslag zijn er geen richtlijnen. Hierbij zijn het voorafgaande onderzoek, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en he onderzoek ter terechtzitting bepalend voor de strafeis. In moeilijke of gevoelige zaken wordt de hoogte van de strafeis vaak ook besproken met collega's binnen het OM.
Het onderzoek, de bewijzen, de wettelijke maximumstraf, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte; dit zijn allemaal factoren die van invloed zijn op de uiteindelijke strafeis. Dat is ook de reden waarom een officier van justitie nooit vooraf kan vertellen wat hij gaat eisen. Ook het onderzoek ter terechtzitting kan de eis nog beïnvloeden.
De wettelijke maximimumstraf voor zowel moord als doodslag (onder bepaalde omstandigheden) is levenslang.

Een overzicht van alle richtlijnen van strafvordering kunt u vinden onder beleid

Naar boven

Zoeken