
Het mishandelde pleegmeisje uit Vlaardingen
Uitgelichte strafzaak
In de nacht van 20 op 21 mei 2024 wordt een 10-jarig meisje in zeer zorgwekkende toestand opgenomen op de intensive care in een ziekenhuis. Ze heeft meerdere botbreuken, hoofd- en hersenletsel en is zwaar ondervoed. Een vertrouwensarts maakt een melding dat mogelijk sprake is van toegebracht letsel. Meteen wordt een strafrechtelijk onderzoek gestart en op basis van de eerste bevindingen worden de 38-jarige pleegouders, een man en vrouw uit Vlaardingen, aangemerkt als verdachte.
De pleegouders worden verdacht van vier strafbare feiten ten aanzien van het meisje. Zo worden ze verdacht van het opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen door het toepassen van uitwendig geweld en het vastbinden en mishandelen van het meisje waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Volgens het OM staat vast dat de pleegouders daar verantwoordelijk voor zijn. De pleegmoeder gaf bijvoorbeeld aan dat de pleegvader het meisje strafte door haar te laten squaten en daarbij hard op haar bovenbenen te slaan.
De pleegouders worden ook verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Op inbeslaggenomen telefoons van de verdachten treffen rechercheurs foto’s aan waarop het meisje bruut is vastgeketend. Eerst wordt het meisje met handboeien vastgebonden aan een speeltoestel in haar kamer. Maar het wordt steeds extremer. Verdachten plaatsen haar in een kooiconstructie, waarbij het lijkt of deze onder stroom kan worden gezet. De officier: “De wijze waarop het meisje van haar vrijheid werd beroofd is een vorm van martelen.”
De pleegvader erkende eerder in de rechtszaal dat hij veel te ver was gegaan. "Dit had nooit mogen gebeuren." Zijn partner zei dat ze wilde ingrijpen toen haar man het pleegmeisje in een kooi zette, maar dat ze dat niet durfde. Nadat de pleegouders er ruzie over kregen, zou hij zijn partner hebben geslagen.
Ook hebben de verdachten aan het meisje onvoldoende lichamelijke en medische verzorging en voeding gegeven en haar onvoldoende de mogelijkheid geboden om naar de wc te gaan. Het meisje moest haar behoeften in een emmer doen op de momenten dat er niemand thuis was en zij alleen op haar kamer was opgesloten. Uit rapporten blijkt dat het meisje ernstig ondervoed is.
Het zusje van het pleegmeisje verbleef eveneens een tijd bij verdachten. Zij is daar stelselmatig mishandeld. Die mishandeling bestond onder andere uit stompen en slaan en het aan één arm omhoog trekken van het meisje.
Eerder verbleven twee Syrische broertjes in het gezin van de pleegouders. Het OM verdenkt de pleegouders ervan dat zij hen ook hebben mishandeld door hen meermalen te slaan, te schoppen, voorwerpen naar hen te gooien en hen eten te hebben onthouden. Het oudste broertje zouden ze in een hondenhok hebben laten verblijven.
Op 7 november 2025 eist het OM elf jaar cel en tbs tegen beide ouders. Wat het OM betreft is deze zaak uniek in zijn gruwelijkheid. Er zijn geen vergelijkbare gevallen, waardoor de strafmaat niet kan worden beoordeeld op basis van eerdere OM-richtlijnen of oriëntatiepunten in de rechtspraak. De officier van justitie: “Deze zaak vraagt om vergelding voor het leed dat het meisje en de andere kinderen is aangedaan, maar het gaat niet alleen om vergelding, het gaat ook om het voorkomen van recidive in de toekomst. Het is met het meisje en de andere kinderen in dit pleeggezin verschrikkelijk misgegaan. Iedereen zal het er over eens zijn dat dit niet nogmaals mag gebeuren. Hoewel met een op te leggen straf of maatregel – hoe hoog of lang dan ook – nooit voor 100% gedrag van anderen in de toekomst kan worden voorkomen, moet er wel alles aan worden gedaan dat deze twee verdachten nooit meer in een situatie kunnen komen waarvan kinderen het slachtoffer zijn.”
Dit houdt dan ook in dat het OM van oordeel is dat niet alleen kan worden volstaan met straffen, maar dat tevens een maatregel moet worden opgelegd die de kans op herhaling zo klein mogelijk maakt. Dat is in lijn met de bevindingen van de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum, die tbs met dwangverpleging noodzakelijk achten. Zij hebben bij beide verdachten stoornissen vastgesteld die ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Deze stoornissen hebben een grote rol gespeeld in de wijze waarop met de kinderen werd omgegaan en de wijze waarop het zo uit de hand kon lopen. Vanwege die stoornissen zijn beide verdachten dan ook verminderd toerekeningsvatbaar. Zij blijven wel verantwoordelijk.
In de geëiste straf is rekening gehouden met de stelselmatigheid van de daden, gepleegd over langere periode en gericht op zeer kwetsbare kinderen, waarbij de kinderen systematisch werden ontmenselijkt.
Twee weken later doet de rechtbank Rotterdam uitspraak en veroordeelt de verdachten tot acht jaar cel zonder tbs. Volgens de rechtbank kan niet worden bewezen dat al het letsel dat het meisje had door de pleegouders is toegebracht.
Tbs is volgens de rechter niet nodig, omdat het niet waarschijnlijk is dat ze ooit nog pleegkinderen krijgen. Wel krijgen de twee een maatregel opgelegd die ervoor zorgt dat de pleegouders na hun vrijlating onder toezicht komen te staan. Dat zou ook kunnen betekenen dat ze na hun straf een behandeling moeten ondergaan.
Het OM en de verdachten zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.