
Voorwoord
Door Collegevoorzitter Rinus Otte
In 2025 was het dertig jaar geleden dat de procureurs-generaal bij de (toen nog) vijf gerechtshoven samen gingen werken als collegiaal bestuur van het Openbaar Ministerie (OM). Hoewel de wet die dit regelde uiteindelijk pas op 1 juni 1999 in werking trad, leidden de vijf procureurs-generaal sinds januari 1995 als College het Openbaar Ministerie. Illustere voorgangers als Arthur Docters van Leeuwen, Dato Steenhuis, René Ficq, Rolph Gonsalves en Rutger van Randwijck – inderdaad allemaal mannen – moesten het OM klaar maken voor de uitdagingen in de toen nog komende eeuw.
Als gevolg van de toenemende problemen op het terrein van de rechtshandhaving, alsmede de – relatief gezien – schaarse voor de rechtshandhaving beschikbare middelen, zijn aan het functioneren van het OM gedurende de afgelopen jaren steeds hogere eisen gesteld. Het belang van prioriteitsstelling, sturing en afstemming door het OM is sterk toegenomen. Gebleken is dat het OM in dit opzicht in het verleden niet altijd aan de gestelde verwachtingen heeft kunnen voldoen.[1] Dertig jaar later past deze beschrijving in een geheel andere tijd en context verrassend goed bij de huidige opgaven van het OM.
2025 was om een andere reden een buitengewoon jaar. Als gevolg van een ICT-inbreuk, was het OM genoodzaakt zich van het internet af te sluiten. Een groot deel van ons werk verloopt normaal geautomatiseerd en gedigitaliseerd. Aan de ICT van het OM zijn meer dan zestig andere organisaties geknoopt en via die knooppunten wordt informatie uitgewisseld. Zo komen processen-verbaal van de politie via het OM uiteindelijk bij de rechter terecht, wordt informatie automatisch verstuurd voor opname in het ‘strafblad’ en worden strafrechtelijke beslissingen ter uitvoering aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) of de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) overgedragen. Van het ene op het andere moment werd het OM teruggeworpen op een manier van werken die dertig jaar geleden nog heel gewoon was. In plaats van met een muisklik informatie beschikbaar te hebben, kostte dat weer uren, of dagen, en vele handmatige handelingen. Dossiers moesten worden geprint. Onze medewerkers konden hun werk alleen nog op kantoor verrichten. En informatie werd weer via post, koerier of gewoon door medewerkers van OM en de ketenpartners zelf naar elkaar gebracht, en daarna weer in een systeem ‘ingeklopt’. Dankzij de grote inzet van vele medewerkers van het OM en alle andere ketenpartners is het gelukt de effecten voor verdachten en slachtoffers beperkt te houden. Voor die inzet zijn we onze medewerkers en onze partners zeer dankbaar.
Het plotseling dertig jaar terug in de tijd geworpen zijn, maakte heel zichtbaar hoeveel ontwikkeling het werk in de strafrechtketen heeft doorgemaakt. Hoe snel we aan automatisering en innovaties gewend zijn geraakt en hoe op basis daarvan ook logischerwijs nieuwe eisen en verwachtingen aan het werk van de strafrechtketen zijn ontstaan. De tijdelijke terugkeer in de tijd maakte ook duidelijk waar het OM in het huidige tijdsgewricht nog niet aan de gestelde verwachtingen voldoet. De meest in het oog springende boosdoener is de verouderde ICT van het OM. Maar daaronder werd zichtbaar hoe in de manier van werken ook binnen het OM nog veel verschillen bestaan. Die verschillen zijn verklaarbaar en laten ons dilemma zien. Bij het OM werken gedreven, intelligente en creatieve mensen die met overtuiging werken aan de zaken van het OM en alles wat daarbij komt kijken. En zij proberen daarbij oplossingen voor maatschappelijke problemen te vinden. Eigen manieren van werken om daarmee meer maatwerk te kunnen bieden, of meer aandacht te kunnen geven aan een bepaalde categorie misdrijven. Dat doen zij in een context waarin de Europese, nationale, regionale en lokale wetgevers, beleidsbepalers en bestuurders met de beste bedoelingen de hang naar maatwerk regelmatig aanjagen. Keerzijde daarvan is dat het werk van de strafrechtketen complexer is geworden, de onderlinge afhankelijkheden groter, en dat alle ontwikkelingen ICT-matig haast niet meer te ondersteunen zijn. Daarmee komen de voorspelbaarheid van het strafrecht en daarmee de rechtszekerheid en de geloofwaardigheid van de strafrechtelijke handhaving onder druk te staan.
Het blijft onze ambitie om meer en zwaardere criminaliteit aan te pakken en om dat ook sneller te doen, waarbij we ook de kwaliteit van de behandeling van die zaken willen verhogen. De opdracht van de wetgever aan het College uit de jaren 90 is nog onverminderd actueel. Het OM moet bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden – met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde als kerntaak – voldoen aan stringente eisen van samenhang, consistentie en kwaliteit. Die moeten terug te vinden zijn in de wijze waarop het OM is georganiseerd en daadwerkelijk opereert. Om dat te realiseren, zet het OM de komende jaren in op vereenvoudiging en standaardisatie van het werk. Om op die manier te zorgen dat ook in de toekomst het recht zijn loop blijft krijgen en we zo onze rechtsstaat veerkrachtig houden en bijdragen aan een rechtvaardige samenleving.
Het College van procureurs-generaal,
Rinus Otte, voorzitter
[1] Dit citaat komt uit de Memorie van Toelichting bij de wet die de reorganisatie van het Openbaar Ministerie in de jaren 90 wettelijk vorm gaf. Kamerstukken II 1996/97, 25 392, p.1.