‘Deze aanpak gaat levens redden’

Nieuwe werkwijze Niet-Fatale Strangulatie

Sinds september vorig jaar werden meer dan honderd vrouwen onderzocht die kort daarvoor melding deden van een verwurgingspoging door hun partner of ex-partner. Een schokkend aantal, zeker als je weet dat dergelijke verwurgingen vaak de voorbode blijken te zijn van latere femicide. Naar deze red flags werd voorheen lang niet altijd forensisch-medisch onderzoek verricht. Met als gevolg dat verdachten hooguit werden veroordeeld voor mishandeling, en niet voor poging doodslag. De nieuwe werkwijze Niet-Fatale Strangulatie moet daar verandering in brengen.

De weg van station Leerdam, waar alleen een boemeltje halthoudt, leidt slingerend tussen uitgestrekte weilanden en over smalle bruggetjes tot aan de voet van de kerktoren van het dorp Leerbroek. Bovenop de toren huist een koppel ooievaars. Hun uitzicht kan niet anders dan oer-Hollands zijn. Terwijl de wijzers van de kerkklok richting het middaguur kruipen is er in de wijde omtrek geen levende ziel te bekennen. Het woord idyllisch dringt zich op. Het is moeilijk voor te stellen dat uitgerekend in deze oase van rust, pal naast de zestiendeeeuwse kerk, zich de voorbije maanden meer dan honderd vrouwen meldden die allemaal één ding gemeen hadden: kort daarvoor deden ze bij de politie melding van verwurging, vaak door hun partner.

Naar aanleiding van een soortgelijke verwurging werd in januari van dit jaar bij de rechtbank Den Bosch een man veroordeeld wegens poging doodslag. Dat was opmerkelijk omdat in veel soortgelijke zaken het wettige en overtuigende bewijs daarvoor ontbreekt. Vaak gebeurt het in huiselijke kring, zonder getuigen. Bovendien heeft het lang niet altijd zichtbaar letsel tot gevolg. En ook als dat wel het geval is, bijvoorbeeld in de vorm van rode striemen in de hals, dan nog valt vaak onmogelijk te zeggen in hoeverre het toegepaste geweld potentieel dodelijk was. Met als gevolg dat veel verdachten hooguit veroordeeld worden voor een mishandeling. Of erger nog: dat de zaak al in een vroeg stadium moet worden geseponeerd.

De Bossche veroordeling was mede het gevolg van de nieuwe werkwijze NFS, waarmee het Openbaar Ministerie, de politie en het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau Forensisch Medisch Onderzoek (LOEF) vorig jaar september startten. De letters NFS staan voor niet-fatale strangulatie. In begrijpelijker Nederlands: verwurgingen zonder dodelijke afloop. Onderzoek leert dat veel femicidezaken vooraf worden gegaan door een dergelijke verwurgingspoging. Daarmee is NFS een van de grootste red flags voor dreigende femicide. Om op die rode vlag in de toekomst beter te kunnen ingrijpen, werd de nieuwe werkwijze NFS ontwikkeld. Daarbij is het van belang dat slachtoffers zich binnen 48 uur na de verwurgingspoging bij LOEF in Leerbroek melden om zich te laten onderzoeken. En hoewel de nieuwe aanpak zich vooralsnog beperkt tot de regio’s Midden-Nederland, Oost-Nederland en Oost-Brabant, doen zij dat nu al in groten getale.

Hoopvol en schrikbarend

“Vanmorgen hebben we hier twee onderzoeken gedaan,” zegt Martin Slot, algemeen directeur van LOEF. “Vanmiddag volgt nog een derde. Bloeduitstortingen of breukjes blijven langer zichtbaar, maar van zwellingen weten we dat ze vrij snel weer verdwijnen. Daarom willen we de slachtoffers het liefst binnen 48 uur zien. Dan is de kans dat we iets vinden het grootst.”

Zelf wordt Slot die middag bij het Openbaar Ministerie in Utrecht verwacht, waar hij ten overstaan van een gezelschap Huiselijk Geweld-officieren de eerste resultaten van de nieuwe onderzoeksmethode zal presenteren. Resultaten die even hoopvol als schrikbarend zijn, zo blijkt wanneer Slot zijn laptop openklapt en zijn bezoek een preview gunt van de presentatie. Sinds het begin van de pilot, half september vorig jaar, voerde LOEF tot nu toe (12 februari 2026) 114 NFS-onderzoeken uit. In 95 procent daarvan was dat naar aanleiding van vermeend partnergeweld. Op enkele uitzonderingen na was het slachtoffer telkens een vrouw, meestal in de leeftijd van 20 tot 40 jaar. Voor het vergaren van medisch bewijs in het strafrechtelijk onderzoek werden alle deelnemers, nadat zij zich met hun verhaal bij de politie meldden, doorverwezen naar LOEF. Daar werden zij in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte onderzocht. Uitwendig met forensisch licht en inwendig door middel van een endoscopie (een cameraatje waarmee via de neus in de keel wordt gekeken). Daarna werd in het ziekenhuis van Amersfoort een MRI-scan gemaakt. De bevindingen van het onderzoek werden vervolgens beoordeeld door KNO-artsen en andere medisch specialisten waarmee LOEF nauw samenwerkt. De letselbeschrijving die daaruit volgde, werd aan politie en OM verstrekt om als (steun)bewijs te kunnen dienen in een strafrechtelijk onderzoek. Indien gewenst aangevuld met een letselinterpretatie, waarbij een deskundige met een formele benoeming duiding geeft aan het aangetroffen letsel en aangeeft bij welke scenario’s dat het best passend is.

Slot: “Bij het merendeel van de mensen bij wie wij dit onderzoek uitvoeren is op het eerste gezicht geen schade waarneembaar. Toch is die er vaak wel degelijk. Kleine bloeduitstortingen en inwendige zwellingen, beschadigde stembanden… Zo zien we bij de MRI bij veel van de onderzoeken afwijkende dingen. Dingen die je niet zou verwachten in een keel waarmee niets is gebeurd. Dat geldt ook voor de endoscopie. Ook daar ligt dat percentage hoog, maar dat zijn niet altijd dezelfde zaken als bij de MRI. Die twee technieken vullen elkaar dus mooi aan.”

Beeld: © OM

In een speciaal daarvoor ingerichte kamer bij LOEF wordt een endoscopie uitgevoerd (de vrouw op de foto is een medewerker van LOEF, en dus geen echt slachtoffer).

‘Een coronatest is vervelender’

Hoewel de aantallen ook voor hem schokkend zijn, is Slot niet verbaasd over de eerste resultaten. “Toen het Openbaar Ministerie ons vroeg of het mogelijk was om meer forensisch bewijs te verkrijgen in dit soort zaken, dachten wij al snel: waarom zou dat niet kunnen? Het is natuurlijk niet onlogisch dat wanneer je uitwendig enige tijd kracht uitoefent op de hals, je inwendig iets beschadigt. Daarom is het eigenlijk best gek dat dit soort onderzoek niet veel eerder is gedaan. Ook niet in het buitenland, althans niet in deze combinatie. Bovendien zijn de technieken die wij hiervoor gebruiken niet nieuw. In de reguliere geneeskunde zijn die al jarenlang gemeengoed.”

Directeur Slot vertelt dat de ervaringen van mensen die aan het onderzoek deelnamen tot nu toe vrijwel uitsluitend positief waren. “Veel deelnemers vertellen ons dat zij zich door deze aanpak echt gehoord en serieus genomen voelen. Bovendien wordt het onderzoek door de meesten niet als vervelend ervaren. ‘Een coronatest is vervelender’, heb ik al meerdere mensen horen zeggen.”

Opvallend is wel dat twintig vrouwen die zich hadden aangemeld voor het onderzoek, uiteindelijk toch afzagen van deelname omdat ze praktisch geen mogelijkheid zagen zich binnen 48 uur, of desnoods 72 uur, bij LOEF te melden. Meestal omdat men niet over een auto of rijbewijs beschikte, of omdat men de zorg over de kinderen niet kon uitbesteden.

Slot: “Ik heb daar alle begrip voor. Leerbroek is met het OV bovendien slecht bereikbaar. Maar dat er mogelijk daders zijn die om die reden hun straf ontlopen, dat vind ik lastig te accepteren. Daarom hebben we zelf al eens iemand uit Nijmegen opgehaald. In andere zaken heeft de politie slachtoffers naar ons toe gebracht. Momenteel wordt er hard gewerkt aan een bus waarin we het hele onderzoek, op de MRI-scan na, kunnen uitvoeren. Naar verwachting is die bus begin april klaar. Voor iedereen die hier niet op eigen gelegenheid naartoe kan komen, is dat een uitkomst.”

Minstens duizend slachtoffers per jaar

Enkele weken later - het aantal door LOEF uitgevoerde NFS-onderzoeken staat inmiddels op 145 - schuiven Mirjam Warnaar, landelijk forensisch officier van justitie, en Judith van Schoonderwoerd den Bezemer, landelijk officier van justitie Huiselijk Geweld, op het Parket- Generaal in Den Haag aan voor een interview over de nieuwe aanpak. De vraag of zij de aantallen tot dan toe ook zo schokkend vinden, beantwoorden zij simultaan met een volmondig ja.

Warnaar: “Het gaat knetterhard. Ook omdat we weten dat het voor veel vrouwen, bijvoorbeeld uit angst voor represailles, al een behoorlijke stap is om hier überhaupt melding van te doen bij de politie.”

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “Je start zo’n pilot niet voor niets. Je weet dat dit gebeurt, en je weet ook dat het veel vaker gebeurt dan het aantal meldingen dat bij de politie binnenkomt. Maar dan is het nog maar de vraag hoeveel van die vrouwen daadwerkelijk meewerken aan zo’n nieuw soort onderzoek. Dat het er zoveel zouden zijn, dat had niemand zien aankomen, denk ik. Het is écht schokkend. Helemaal als je bedenkt dat de pilot zich vooralsnog tot drie regio’s beperkt. Als we deze aanpak landelijk zouden uitrollen, wat nu praktisch nog onmogelijk is, dan zouden het er minstens duizend per jaar zijn. Moet je je voorstellen: meer dan duizend vrouwen per jaar die door hun partner of ex-partner worden gewurgd. Nog afgezien van de slachtoffers die geen aangifte durven te doen. Dat toont wel aan dat we dit niet voor niets doen. Deze aanpak gaat levens redden, daar ben ik van overtuigd.”

Beeld: © OM

Judith van Schoonderwoerd den Bezemer: ‘Dat het er zoveel zouden zijn, dat had niemand zien aankomen’.

De gebruikte technieken bestaan al jaren. Waarom gebeurt dit nu pas?

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “De medische onderzoekstechnieken bestaan al jaren, maar het besef dat zo’n niet-fatale verwurging een van de belangrijkste red flags voor femicide is, is er in de breedte nog maar enkele jaren. Dat maakt dat we die verwurgingspogingen in de opsporing nu veel belangrijker vinden, en daar ook veel alerter op zijn dan voorheen.”

Warnaar: “Vergeet ook niet dat er door de politiek pas vrij recent extra geld beschikbaar is gesteld om de femicidecijfers terug te dringen. Zonder dat geld hadden we dit niet kunnen doen. Daarnaast kun je de medische geneeskunde niet één op één vergelijken met de forensische geneeskunde. Een reguliere arts kijkt naar letsel met het oog op een mogelijke behandeling. Een forensisch arts niet. Die probeert een verband aan te tonen tussen het letsel en een mogelijke strafrechtelijke handeling, in dit geval een mogelijke verwurging. Dat is echt iets anders. Het is bovendien niet zo dat er tot nu toe helemaal geen onderzoek plaatsvond. Ook bijvoorbeeld GGD en FARR (Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond, red.) zien slachtoffers en doen onderzoek. Ook daarop zijn al veroordelingen gebaseerd. Met het NFS-onderzoek breiden we dat forensisch medisch onderzoek uit met andere technieken. Dat maakt het voor de politie ook zinvol om zaken medisch te laten onderzoeken, waar eerst de inschatting werd gemaakt dat dit niet veel meerwaarde had omdat er niet inwendig gekeken kon worden.”

Is het niet opmerkelijk dat in ongeveer de helft van alle NFS-onderzoeken wel een letselbeschrijving wordt aangevraagd, maar geen letselinterpretatie?

Warnaar: “Nee, want als een verdachte naar aanleiding van een letselbeschrijving een bekennende verklaring aflegt, dan ben je er bewijstechnisch ook. Of er is ander ondersteunend bewijs. Een getuigenverklaring bijvoorbeeld, of een opname van het incident. Een letselinterpretatie is dus lang niet altijd nodig.”

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “Toch kan het ook bij een bekennende verdachte goed zijn om een letselinterpretatie aan te vragen. Zeker in zaken waarin je wilt aantonen dat het veel meer was dan een mishandeling, en je eraan denkt om iemand poging doodslag ten laste te leggen. Iemand in een opwelling bij de keel pakken is niet altijd een verwurging die een poging tot doodslag oplevert. Maar waar ligt de grens? Wanneer is het uitgeoefende geweld op de hals en keel potentieel dodelijk? In dat soort vraagstukken kan een letselinterpretatie doorslaggevend zijn.”

Zoals afgelopen januari, in de eerste zaak waarin de LOEF-bevindingen als bewijs werden opgevoerd. Hoe blij waren jullie met dat vonnis?

Warnaar: “Natuurlijk was dat een opsteker, maar het is niet zo dat we elke verdachte in dit soort zaken aan de hoogste boom willen opknopen. Deze aanpak is gericht op waarheidsvinding. Neem bijvoorbeeld de vraag of een verdachte na zijn aanhouding in voorlopige hechtenis moet worden gehouden. Ook daarbij kan een letselbeschrijving van groot belang zijn. Als daaruit blijkt dat de verdenking veel ernstiger is dan de verdenking waarop hij door de rechter-commissaris wordt vastgehouden, dan kan het nog steeds zo zijn dat de verdachte geschorst wordt, maar dan is de kans wel groot dat de rechter-commissaris aan die schorsing veel serieuzere voorwaarden verbindt dan hij aanvankelijk van plan was.”

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “Tot een enkelband aan toe. Dat zou een rechter-commissaris bij een verdenking van eenvoudige mishandeling nooit doen. Terwijl het voor het slachtoffer letterlijk van levensbelang kan zijn. Als we bij een wurgpoging vaker en steviger strafrechtelijk kunnen ingrijpen, voorkom je wellicht nóg ernstiger geweld, zoals femicide.”

Warnaar: “Maar andersom werkt het ook; uit de onderzoeksresultaten kan ook volgen dat er helemaal geen letsel te zien is en dat het gebeurde misschien toch een stuk minder heftig was dan de aangifte deed vermoeden. Nogmaals: het gaat om waarheidsvinding.”

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “In het geval van de Bossche zaak: daarin was de verdachte nooit veroordeeld voor poging doodslag zonder de onderzoeksresultaten van LOEF. Daar ben ik van overtuigd. Hooguit voor mishandeling. Dan had onmogelijk kunnen worden vastgesteld dat het gebruikte geweld potentieel dodelijk was. Dit speelt vaker. Uit onderzoek weten we dat wanneer het slachtoffer tijdens zo’n verwurging het bewustzijn heeft verloren, zij achteraf onmogelijk kan zeggen hoe lang dat heeft geduurd. De politie vraagt dat wel altijd, omdat het een indicatie is voor de ernst van de verwurging, en de potentiële dodelijkheid ervan, maar een slachtoffer kán dat dus niet weten. En al zou ze het weten, dan nog heb je meer bewijs nodig om die verklaring te ondersteunen.”

Beeld: © OM

Mirjam Warnaar: ‘We kijken nu al naar de mogelijkheden om het aantal deelnemende regio's uit te breiden.’

Hoelang is de pilot nog een pilot?

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “We hebben het zo genoemd, maar eigenlijk is het nooit een pilot geweest. De politie, LOEF en het Openbaar Ministerie hebben zich hier voor minimaal vier jaar aan verbonden. Natuurlijk hebben we vooraf duidelijke afspraken gemaakt met elkaar, maar een van die afspraken was ook dat we gaandeweg zouden kijken wat de praktijk ons leerde, en daar de aanpak op zouden aanpassen. Niet alles laat zich voorspellen.”

Warnaar: “Het is ook noodzakelijk dat we dit voor langere tijd doen, want daarmee krijgen de onderzoeksresultaten alleen maar meer waarde. Hoe meer data je verzamelt, hoe beter je cijfermatige onderbouwing. Data zijn van groot belang om de betekenis van bevindingen te kunnen duiden. Daarmee kun je de bewijskracht van bevindingen beter bepalen. Als er iets afwijkends in de keel wordt aangetroffen, dan is het heel verleidelijk te denken dat dit rechtstreeks bewijs is voor een verwurging. Maar dan moet je wel weten of soortgelijke afwijkingen niet ook voorkomen bij niet verwurgde vrouwen. Kan letsel bijvoorbeeld ook anders zijn ontstaan of heeft iemand van nature een bepaalde verdikking in de keel? Doordat steeds meer personen worden onderzocht, is dat nu steeds beter te bepalen. Ook omdat sommigen gevraagd wordt om na het onderzoek terug te komen om te zien of bijvoorbeeld een verdikking nog steeds aanwezig is en misschien dus niets te maken heeft met een vermeende verwurging. KNO-artsen weten natuurlijk hoe kelen er meestal uitzien en kennen afwijkingen die bijvoorbeeld door ziekte zijn ontstaan. Daarnaast heeft LOEF vanuit de ministeries van J&V, VWS en BZK subsidie gekregen om de komende vier jaar wetenschappelijk onderzoek te doen naar niet-fatale verwurgingen. Het wetenschappelijk onderzoek moet ophelderen welke aanvullende technieken voldoende meerwaarde hebben. Ook dient het om preciezer te bepalen in hoeverre bepaalde bevindingen passen bij verwurging of bij een ander scenario.”

En tot die tijd moeten vrouwen buiten de drie pilotregio’s nog even geduld hebben?

Van Schoonderwoerd den Bezemer: “Zo cru is het niet. Ook nu al worden sommige slachtoffers buiten die regio’s door de politie doorverwezen naar LOEF. Zolang de capaciteit het toelaat, kan dat ook.”

Warnaar: “En natuurlijk kijken we nu al naar mogelijkheden om het aantal regio’s uit te breiden, maar daarbij moeten we zorgvuldig te werk gaan. We kijken uit naar een eerste evaluatie. Politiemensen moeten verder goed geïnstrueerd zijn om de juiste meldingen eruit te pikken. LOEF moet de toeloop aankunnen. Het aantal ziekenhuizen waar de MRIscans plaatsvinden zal moeten worden uitgebreid. Er moet voldoende budget voor zijn… Voordat je zo’n stap zet, moet je zeker weten dat iedereen er klaar voor is. Bovendien is dit niet het enige project. In de regio’s Amsterdam en Rotterdam loopt momenteel een andere pilot gericht op de aanpak van femicide. Dat is een initiatief van de GGD en FARR en ook daarbij is het OM nauw betrokken. Die aanpak beperkt zich niet alleen tot het strafrecht en is dus ook niet alleen gericht op het forensisch medisch onderzoek bij slachtoffers. Zo werken zij samen met partijen in het sociaal domein om te kijken of er in bepaalde situaties bijvoorbeeld hulpverlening moet komen of maatregelen ter preventie. Ik denk dat die twee nieuwe werkwijzen elkaar in de toekomst heel mooi kunnen aanvullen.”