Jurisprudentie

Twee keer één getuige is twee keer geen getuige

Het strafrecht verandert continu. Er komen steeds nieuwe misdrijven en ook nieuwe regels voor de opsporing. Gelukkig zijn er ook nog een paar stokoude beginselen die nog steeds van kracht zijn. Een daarvan is de regel die kort kan worden samengevat als ‘één getuige is geen getuige’. Dat stond al in de Bijbel, in 1927 is het in ons Wetboek van Strafvordering beland en ook in het nieuwe wetboek zal deze ‘één getuige’- regel behouden blijven.

Dat het allerminst een dode letter is, bewees de Hoge Raad in twee recente arresten. Bij de eerste daarvan ging het om tumult rondom het Kabinet van de gevolmachtigd Minister van Curaçao in Den Haag. Verdachte was veroordeeld omdat hij door de telefoon tegen de receptioniste van het Kabinet zou hebben gezegd “ik ga jullie gebouw in de fik steken.” Dat is bedreiging met brandstichting. Volgens de verdediging was het bewijs gebaseerd op slechts één bewijsmiddel, namelijk de verklaring van de receptioniste. Eén getuige, dus geen getuige, dus vrijspraak, zo redeneerde de advocaat.

Beeld: © OM

Juriaan Simonis, onderzoeker bij het Wetenschappelijk Bureau OM

Steunbewijs

De Hoge Raad legt sinds 2009 de één getuige-regel zo uit dat iemand niet op basis van een enkele getuigenverklaring veroordeeld mag worden wanneer de belastende verklaring van de getuige op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. In de praktijk blijkt dat best een moeilijke regel te zijn, want wat is steunbewijs? Is dat bijvoorbeeld ook de emotie die een slachtoffer toont wanneer hij iemand anders vertelt wat er gebeurd is? Maar in de zaak van het Kabinet van de gevolmachtigd Minister kon de regel helder toegepast worden. Het gerechtshof had naast de verklaring van de receptioniste over het telefoongesprek als steunbewijs gebruikt een aangifte van de Minister waarin hij zei dat verdachte de receptionist had gebeld en had gezegd dat hij het gebouw in de fik zou steken. Verder was er een proces-verbaal van de politie. De telefoniste had het door de beller gebruikte nummer opgeslagen. Toen de politie dat belde, ging de door de politie bij verdachte in beslag genomen telefoon over.

De Hoge Raad vond deze bewijsconstructie te mager. Uit de aangifte van de Minister bleek niet of hij zelf de telefonische bedreiging had gehoord of dat hij alleen herhaalde wat de receptioniste hem had verteld. Zo was er onvoldoende steunbewijs.

Geslagen

Een maand later deed de één getuige-regel haar werk bij een burenruzie. Een vrouw was door het gerechtshof veroordeeld, omdat ze haar buurvrouw zou hebben mishandeld. Volgens de aangifte was verdachte ‘met ferme stappen’ naar haar buurvrouw gelopen, had geroepen “Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige!,” had vervolgens de emmer van haar buurvrouw gepakt en deze daarmee hard tegen het hoofd geslagen met letsel als gevolg. Het overige bewijs bestond uit de verklaring van verdachte dat zij haar buurvrouw met haar emmer had gezien, naar haar toe was gelopen en ‘heey dat is mijn emmer’ had gezegd. De Hoge Raad begreep niet hoe het gerechtshof had kunnen vinden dat de aangifte in voldoende mate steun vond in de andere gebruikte bewijsmiddelen.

Dit waren twee veroordelingen die sneuvelden op de één getuige-regel. Het duidelijkste doel van die regel is om te voorkomen dat een onschuldige er door een ander bij wordt gelapt. In deze twee zaken leidt de regel er misschien toe dat gerechtshoven iets uitvoeriger onderbouwen waarom iemand schuldig is. Bij de emmerruzie was de veroordeling bijvoorbeeld waarschijnlijk gered als er een verklaring over het letsel van het slachtoffer tussen de bewijsmiddelen was opgenomen.