
Jurisprudentie
Onderzoek onderzocht
Eerst wordt een huisnummer getoond. Dan is te zien hoe een linkerhand vuurwerk in een brievenbus aansteekt. Alles bij elkaar zeven seconden. Een filmpje van niks dus, maar het is wel het bewijsmiddel dat het verschil tussen veroordeling en vrijspraak bepaalt. Het verhaal begon in 2020 in het dorpje Achterberg bij Rhenen. Een echtpaar hoort ’s nachts buiten voetstappen, gevolgd door een sissend geluid en een harde knal. De politie komt ter plaatse en ziet daar behalve een krater binnen onder de brievenbus, glasscherven en scheuren in de muren, ook de resten van aan elkaar getapet Cobra-6-vuurwerk.
Beeld: © OM
Juriaan Simonis is onderzoeker bij het Parket-Generaal
Een paar maanden later wordt in het kader van een onderzoek naar een ander strafbaar feit bij iemand een telefoon in beslag genomen waar het filmpje op staat. Digitale experts van de politie oordelen dat het filmpje gemaakt moet zijn met de inbeslaggenomen telefoon en wel rond het tijdstip van de explosie in Achterberg. Voor de rechtbank Midden-Nederland was dit het doorslaggevende bewijs dat de bezitter van de telefoon verantwoordelijk was voor de explosie. Hij werd veroordeeld tot jeugddetentie.
In hoger beroep zaaide de verdediging twijfel over het digitale onderzoek. Zij vroeg het gerechtshof om het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) nog eens naar de telefoon te laten kijken. Het hof ging daarin mee. Het NFI kwam in feite tot dezelfde conclusie als de politie. In het NFI-rapport staat bovendien dat op de telefoon in Google Maps naar het adres is gezocht waar de cobra’s geëxplodeerd zijn en dat de telefoon kort voor de explosie bij dat adres in de buurt is geweest. De advocaat vroeg het gerechtshof vervolgens om, in het geval het hof overwoog de verdachte te veroordelen, eerst nog het rapport van het NFI door een deskundige van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau te laten beoordelen. Als argument werd gegeven dat de resultaten van het NFI niet konden kloppen, omdat verdachte zei dat het filmpje niet met zijn telefoon gemaakt was. Het gerechtshof wees het verzoek af, omdat het geen reden zag om aan het NFI-rapport te twijfelen en daarom de noodzaak van verder onderzoek niet zag.
Verdachte gaat in cassatie en beroept zich op de Keskin-rechtspraak van het EHRM. Kort samengevat komt dat erop neer dat het EHRM heeft bepaald dat wanneer de verdediging verzoekt een belastende getuige te laten horen, de rechter dat verzoek niet mag afwijzen omdat het onvoldoende is onderbouwd. De Hoge Raad heeft dat uitgangspunt in verschillende arresten uitgewerkt, ook voor het geval dat het niet om getuigen gaat, maar om deskundigen die voor de verdachte belastende rapportages gemaakt hebben.
In de zaak van de Achterbergse cobra’s vindt de Hoge Raad dat het gerechtshof wel degelijk de eis mocht stellen dat de verdediging motiveert waarom het nodig zou zijn dat het rapport van het NFI nog eens door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau wordt bekeken. Was het NFI-onderzoek bijvoorbeeld wetenschappelijk onder de maat? Nu de verdediging niet verder kwam dan dat ze het met de uitkomsten van het NFI-rapport niet eens waren, mocht het verzoek om het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau in te schakelen worden afgewezen. Er is in beginsel wel recht op tegenonderzoek, maar niet zonder meer op tegenonderzoek naar tegenonderzoek.