Jurisprudentie

Tussen de taxi en het hek: recente jurisprudentie over poging

Het is een frisse winternacht. Er stopt een taxi bij het hek van een containerhaven op de Rotterdamse Maasvlakte. Uit de taxi komt een groep geheel in het zwart geklede mannen. Later zal een van hen verklaren dat hij de andere mannen niet kende en dat hij was meegereden om een beetje te wandelen en te chillen. De groep wordt door de douane in de kraag gevat. Een van hen probeert nog snel zijn telefoon kapot slaan. Ze blijken spullen bij zich te hebben, zoals betonscharen en containerzegels, die erop wijzen dat ze van plan waren om het terrein binnen te dringen om drugs uit te halen. Dat beeld wordt bevestigd door het chatverkeer op de telefoons van de groep. Een van hen verklaart bovendien gehoord te hebben dat hij geld zou krijgen om te klimmen.

Beeld: © OM

Juriaan Simonis, onderzoeker bij het Parket-Generaal

Begin van uitvoering

Duidelijk is dat het verhaal over het wandelen en chillen niet geloofwaardig is, maar wat is hier strafrechtelijk precies aan de hand? De mannen worden vervolgd voor poging tot wederrechtelijk verblijf op ‘een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen’, een strafbaarstelling die speciaal tegen uithalers is ingevoerd. De intenties van de groep staan wel vast, maar is hier ook een begin van uitvoering gemaakt? Dat is nodig om poging te kunnen bewijzen.

De wandelaar wordt veroordeeld door het gerechtshof en vecht dat aan bij de Hoge Raad. Zijn raadsman beroept zich onder andere op een arrest uit 1987 waarin het ging om een groep verdachten die met pruiken op en met handboeien en wapens in een auto met valse kentekens wachtten tot een medewerker van een grenswisselkantoor verscheen om ’s ochtends de deur open te doen. Zo ver kwam het niet: ze werden in de auto aangehouden. Volgens de Hoge Raad was er nog geen begin van uitvoering geweest; poging tot overval kon dus niet bewezen worden.

Concrete omstandigheden

Tegenwoordig houdt de Hoge Raad als criterium aan voor het begin van uitvoering dat er gedragingen zijn geweest die ‘naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf’. Of er sprake is van zulke gedragingen hangt dan af van de concrete omstandigheden van het geval. Vooral van belang is dan hoe dicht de gedragingen bij de voltooiing van het misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en plaats en hoe concreet ze daarop waren gericht.

Wat dichtbij in dit verband betekent, hangt van de aard van het delict af. Eerder dit jaar vond de Hoge Raad in een groomingzaak dat er een begin van uitvoering was geweest. Grooming is het online aan iemand onder de 16 een ontmoeting voorstellen om ontuchtige handelingen te plegen. Deze verdachte had de 15-jarige oppas van zijn kinderen per chat verteld dat hij seks met haar wilde en daarbij ook geschreven ‘kom nou maar’ en ‘kom gewoon een keer langs’. Het meisje was daar niet op ingegaan. Volgens de Hoge Raad had de man zich niet beperkt tot seksuele toespelingen, maar ook concreet op een ontmoeting aangestuurd. Dat verdachte (nog) geen specifieke tijd en plaats had voorgesteld, was geen beletsel om poging tot grooming bewezen te achten.

In de zaak van de man op de Maasvlakte oordeelt de Hoge Raad dat het gerechtshof terecht heeft kunnen vinden dat hier een begin van uitvoering was geweest en dat het alleen bij een poging is gebleven omdat de douaneambtenaren op tijd ingrepen. Wel zo verstandig dat de douane even gewacht heeft tot de groep daadwerkelijk was uitgestapt.