Beslissing OM n.a.v. RTE oordeel 2022-040

Samenvatting

Deze casus betrof de euthanasie van een patiënt, een man tussen de 70 en 80 jaar, die al vele jaren leed aan progressief hartfalen en vaatlijden. Hij had hiervoor meerdere operaties ondergaan en hij had een Implanteerbare Cardioverter Defibrillator (hierna: ICD). Vier jaar voor het overlijden had patiënt een maagresectie ondergaan vanwege een maagcarcinoom. Sindsdien kon hij niet goed meer eten en viel hij ruim 20 kilo af. Patiënt leed ook aan COPD, jicht in diverse gewrichten en had functiestoornissen in enkele organen.

Het lijden van patiënt bestond uit het lichamelijk niets meer kunnen doen. Hij voelde zich uitgeput, verzwakt en afhankelijk. De patiënt had altijd gevochten om zich beter en fitter te voelen, maar hij kon het niet meer opbrengen. Er waren geen oplossingen meer voor het hartfalen, anders dan medicatie ter ondersteuning. Hij leed onder het vooruitzicht op blijvende, toenemende afhankelijkheid van anderen en complicaties. De arts stemde toe in uitvoering van de euthanasie, maar bij de uitvoering maakte hij een vergissing. Per ongeluk wisselde de arts de injecties natriumchloride (een middel om het infuus door te spoelen) en de rocuronium (het dodelijk middel) om. Daardoor werd abusievelijk eerst de rocuronium toegediend aan de patiënt en overleed de patiënt vrijwel direct. Dit terwijl vooraf, geen voldoende verlaging van het bewustzijn tot stand was gebracht en was vastgesteld. De arts heeft zich afgevraagd of vanwege het bestaande hartfalen (en het vooraf uitzetten van de ICD) de dood wellicht natuurlijk was ingetreden. Omdat er twijfel over was, besloot de arts het toch te melden als euthanasie bij de RTE.