Jurisprudentie

Ooit geschoten is soms mis: recente jurisprudentie over voorwaardelijk opzet bij poging

Een Rotterdammer valt met drie anderen ’s nachts een woning aan. Eerst gooien ze stenen naar het slaapkamerraam op de eerste verdieping. Daarna volgt een handgranaat en ten slotte probeert een van de mannen met een machinegeweer op het slaapkamerraam te schieten, maar het wapen weigert dienst. De schutter wordt aangehouden en vervolgd voor medeplegen van poging tot moord. Het gerechtshof Den Haag veroordeelt hem en hij gaat daartegen in cassatie. Daar voert de verdediging aan dat het vereiste voorwaardelijk opzet voor een bewezenverklaring ontbreekt. Immers, aldus de verdediging, vaststaat dat ten tijde van de aanval de bewoners beneden in de woonkamer waren, omdat ze die avond bezoek hadden gehad. Er was dus, zoals de rechtspraak vereist, geen aanmerkelijke kans geweest dat door het tegen de slaapkamer boven gerichte geweld iemand om het leven zou komen.

Beeld: © OM

Juriaan Simonis, onderzoeker bij het Parket-Generaal

Louter toeval

De verdediging legt hiermee een moeilijke juridische kwestie op tafel: gaat het bij het bepalen van die aanmerkelijke kans om wat de verdachte ten tijde van het plegen kon weten of tellen ook omstandigheden mee die achteraf pas bekend zijn geworden? Kan de strafrechter iemand bijvoorbeeld voor poging doodslag met een messteek veroordelen als het slachtoffer later een steekwerend vest bleek te dragen? En in de sfeer van deze zaak: hoe zit het met het schieten op een voordeur, tien seconden nadat je ’s nachts hebt aangebeld? Is er dan een aanmerkelijke kans dat de bewoner achter de deur staat en getroffen wordt? De lijn in de rechtspraak is niet altijd even helder; veel lijkt af te hangen van de precieze omstandigheden van de zaak. Hier haalt de Hoge Raad de overwegingen van het gerechtshof aan dat het louter toeval was dat de slachtoffers niet in hun slaapkamer waren en dat ervaringsregels leren dat een in een slaapkamer ontploffende granaat dodelijk kan zijn voor degenen die zich op dat moment in die slaapkamer zouden bevinden. Volgens de Hoge Raad kon het gerechtshof daarom het voor poging tot moord vereiste opzet aanwezig achten.

Men kan zich afvragen of het hof de rechtspraak van de Hoge Raad niet wat kort door de bocht weergeeft

Precies een week na het arrest van de Hoge Raad doet het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden uitspraak in een op het eerste gezicht vergelijkbare zaak. Nu was er vervolgd voor poging tot doodslag. Verdachte had op een zomeravond om half negen ’s avonds gericht geschoten op de woonkamer, maar er was niemand getroffen. De slachtoffers, een vrouw en haar drie kinderen, waren namelijk toen al een uur boven in de slaapkamer. Had deze schutter voorwaardelijk opzet op het doden van de bewoners van de woning?

Geen aanmerkelijke kans

Het gerechtshof overweegt dat het bekend is met de uitspraak van de Hoge Raad over de Rotterdammer. Maar, zo schrijft het hof, uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt nog altijd dat uit de bewijsmiddelen moet volgen dat een mogelijk slachtoffer zich in de betreffende kamer bevond. Nu vaststaat dat de slachtoffers boven in de slaapkamer waren, was er geen aanmerkelijke kans dat zij door de op de woonkamer afgevuurde kogels geraakt zouden worden. Het hof spreekt de verdachte vrij van poging doodslag. Men kan zich afvragen of het hof de rechtspraak van de Hoge Raad niet wat kort door de bocht weergeeft. Maar los daarvan, misschien zit het verschil tussen de Rotterdamse en de andere zaak hem erin dat het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden vindt dat het minder voor de hand ligt dat iemand op een zomeravond in de woonkamer aanwezig is, dan dat de Hoge Raad en het Hof Den Haag het vinden dat iemand op een winternacht in de slaapkamer is. Ondertussen is het er niet makkelijker op geworden te bepalen wanneer iemand die op een woning schiet een aanmerkelijke kans loopt veroordeeld te worden voor poging doodslag.