
Backspace
De rode lijn
Een krachtig signaal van de civiele rechter: zo wordt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland[ 1] van eind vorig jaar genoemd, waarin een 14-jarig meisje een contactverbod opgelegd kreeg na online haat en bedreigingen via social media richting een leeftijdsgenoot, wat uiteindelijk uitmondde in fysiek geweld.
Beeld: © OM
Rianne de Back, landelijk jeugdofficier van justitie
De media-aandacht is groot en dat is niet verwonderlijk. De rechter trekt een duidelijke ‘rode lijn’, niet alleen voor deze meisjes maar voor alle jongeren. “Ruzies die normaal niet uit de hand lopen, doen dat online wel, met steeds heftigere reacties op elkaar,” stelt de rechter en dit gedrag gaat “alle grenzen te buiten”. Een contactverbod is daarom volgens de rechtbank zonder twijfel op zijn plaats. Bij overtreding daarvan volgt een dwangsom van 250 euro per keer, tot een maximum van 5.000 euro. “Want als niemand ingrijpt, kunnen de gevolgen groot zijn.”
Dat er in deze casus niet eerder is ingegrepen, lijkt volgens het vonnis het geval te zijn. Want toen het conflict tussen de meisjes escaleerde op straat, grepen omstanders niet in. Wel werd het geweld gefilmd en breed verspreid. Verder blijkt dat dit meisje aangifte heeft gedaan van mishandeling bij de politie, maar uit het civiele vonnis valt niet op te maken wat hiervan de stand van zaken is. Daarnaast wisten de ouders van dit meisje via een advocaat ook de civiele route naar de rechter te vinden om een duidelijke grens te laten stellen met een contactverbod.
Het belang van het kind
Hoewel het trekken van een ‘rode lijn’ op zichzelf te begrijpen is, roept deze gang van zaken voor mij als jeugdofficier vanuit kinderrechtenperspectief vragen op. Hoe is bijvoorbeeld het recht op participatie van beide minderjarigen in een civiele procedure gewaarborgd, nu zij vertegenwoordigd moeten worden door hun ouders? Artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt namelijk dat jongeren zelf gehoord moeten worden in procedures die hen aangaan. Hoe dat in dit geval is gegaan, maakt het vonnis niet duidelijk. Daarnaast rijst de vraag in hoeverre het belang van het kind (art. 3 IVRK) daadwerkelijk voorop heeft gestaan. Dat geldt voor zowel het slachtoffer als voor de dader. De rechter erkent dat ook de dader slachtoffer is van de online dynamiek en het gebrek aan rem daarop. Tegelijkertijd wordt zij, ondanks excuses en de toezegging om hulp te zoeken, naast het contactverbod ook veroordeeld tot het betalen van proceskosten van bijna 1.400 euro. Een bedrag waarvan duidelijk mag zijn dat zij dat niet zelf zal kunnen betalen.
Om te beoordelen of deze civiele route ook vanuit kinderrechtenperspectief voor minderjarigen een gewenste ontwikkeling is, zou wat mij betreft een professionele reflectie over deze casus noodzakelijk zijn. Een volgende vraag zou dan kunnen zijn of het ook anders had gekund. Bijvoorbeeld met een pedagogische en herstelgerichte aanpak die goed aansluit bij de ontwikkelingsfase van beide meisjes. Denk bijvoorbeeld aan een Halt-interventie, gericht op bewustwording en gedragsverandering, of – bij ernstigere feiten – een traject via de kinderrechter, gecombineerd met mediation. Zo kan niet alleen een norm worden gesteld, maar ook gewerkt worden aan herstel tussen betrokkenen. En de dader kan daarbij leren van de gemaakte fouten om herhaling te voorkomen.
Het trekken van een ‘rode lijn’ is belangrijk. Maar de vraag blijft of deze lijn, in de gekozen vorm, ook recht doet aan de belangen en ontwikkeling van de minderjarigen die erdoor worden geraakt. Vandaar de wens naar een professionele reflectie!
[1] ECLI:NL:RBNNE:2025:5704, Rechtbank Noord-Nederland 18 december 2025, gepubliceerd op 13 januari 2026