Beslissing: 17 juni 2015 AP Limburg
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Dagvaarding na niet-betaling transactievoorstel voor gevaarzetting met ballon bij olietanks. Veroordeling conform eis OM.
Beslissing OM
in de zaak tegen de gezagvoerder van een heteluchtballon, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een voorvalmelding van een medewerker van [bedrijf] over een heteluchtballon in de nabijheid van olie opslagtanks op [datum in het jaar] 2014. Deze melding is bij het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) binnengekomen en heeft de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport aan het OM doorgegeven.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding van art. 45 lid 1 onder a Luchtverkeersreglement, art. 5.3 Wet luchtvaart en art. 5.8 Wet luchtvaart.
Feiten en omstandigheden
Een medewerker van [bedrijf] verklaarde als getuige dat hij op [datum in het jaar] 2014 omstreeks 21.00 uur bij hun grote opslagtanks een controleronde deed. Hij zag toen een grote luchtballon varen in de richting van de opslagtanks. Die ballon maakte hoogte door de vlam (brander) aan te zetten. De mand onder de luchtballon ging rakelings langs een tank op ongeveer 10 meter afstand. De ballon ging na het hek ongeveer 20 meter over het terrein. De getuige hoorde de inzittenden van de heteluchtballon praten en vragen wat dat nou was. Vervolgens hoorde hij een andere inzittende uitleg geven over de brandstof die in de tanks was opgeslagen. De getuige zag dat hij werd gezien en dat men naar hem zwaaide. De ballon is richting Duitsland gevaren. De tanks bevatten ruwe olie die licht ontvlambaar is. In combinatie met de gebruikte brander van de heteluchtballon is dat heel erg gevaarlijk.
De luchtvaartpolitie heeft onderzoek gedaan naar de mate van de gevaarzetting.
Ingevolge art. 45 lid 1 onder a van het Luchtverkeersreglement is het verboden om een VFR-vlucht boven industriegebieden uit te voeren beneden de minimumhoogte van ten minste 300 meter (1000 voet) boven de hoogste hindernis. De opslagtanks lagen op een hoogte van ongeveer 20 meter tot de bovenzijde van de tanks. Gelet op de geringe afstand tot de bovenzijde van de opslagtanks kan worden vastgesteld dat de gezagvoerder van de luchtballon ruim onder de minimum toegestane vlieghoogte heeft gevaren.
Het gevaar van het varen met een heteluchtballon met in gebruik zijnde brander en op geringe hoogte boven opslagtanks, met daarin licht ontvlambare stoffen dan wel de dampen hiervan, bestaat het risico dat dit tot ontbranding komt dan wel dat hierdoor een explosie ontstaat. Daarnaast levert het varen op zeer geringe hoogte langs deze opslagtanks gevaar op voor een mogelijk aanvaring van de heteluchtballon met deze opslagtanks.
Derhalve heeft de gezagvoerder van de heteluchtballon gehandeld in strijd met art 5.3 Wet luchtvaart.
De verdachte heeft verklaard dat hij op [datum in het jaar] 2014 de gezagvoerder was en met vier passagiers vanuit [plaats 1] vertrok met het plan om over [plaats 2] te varen, uiteindelijk was hij geland in [plaats 3]. Hij was bekend met het gebied en met de minimale toegestane vlieghoogte, maar hij dacht dat er in het buitengebied boven de grond en water altijd laag bij de grond mocht worden gevaren. Hij was omstreeks 21.00 uur nabij opslagtanks gaan varen, maar was zich niet bewust dat hij deze tegen zou komen en evenmin dat deze opslagtanks zich daar bevonden. Hij begreep wel dat er brandstof in de tanks moest zitten op het moment dat hij dat zag. Hij zag opeens de opslagtanks, maar ontkende boven de tanks te zijn geweest. Hij zou tussen het hek en de tanks zijn doorgevaren. Hij ontkende gevaar te hebben veroorzaakt en dat hij zich niet kan voorstellen dat er gevaarlijke dampen vrij zouden komen. Dat hij zich bewust was van beneden de minimum vlieghoogte vliegen, maar dat hij niet wist dat dit een strafbaar feit was.
Beslissing
Nadat de verdachte het transactievoorstel van de luchtvaartofficier van justitie ter hoogte van € 800,-- had geweigerd, is het dossier overgedragen aan het parket Limburg. De verdachte is vervolgens op 17 juni 2015 gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter in de rechtbank Limburg. De kantonrechter heeft de verdachte op 18 september 2015 overeenkomstig de eis van de officier van justitie bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 960,-- (subsidiair 19 dagen hechtenis) voor overtreding van art. 5.3 Wet luchtvaart.