Beslissing: 22 juni 2020 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Grote luchtvaart en kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: -/-

Inhoudsindicatie: Onderzoek naar ongeval door jetblast van zakenjet vroegtijdig beëindigd.

Beslissing OM

in de zaak tegen een NN-verdachte[1], hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding van een ongeval.

Aanvankelijke verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 5.3 Wet luchtvaart (zodanig luchtverkeersleidingsdiensten verlenen dat daardoor personen of zaken in gevaar kunnen worden gebracht).

Feiten en omstandigheden

Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat op [datum] in 2020 om 12:00 uur een incident heeft plaatsgevonden op [luchthaven]. Een zakenjet met registratienummer D-[XXXX] stond geparkeerd op [apron], met de neus richting de toren. Het toestel had een engine start en draaide op idle vermogen. Een klein eenmotorig propellervliegtuig met registratie PH-[YYY] kreeg van de toren toestemming om vanaf [punt] naar het tankeiland te taxiën. Hoewel de zakenjet slechts op idle draaide, veroorzaakte de jetblast dat het propellervliegtuig met de rechtervleugeltip de grond raakte. Hierdoor ontstond schade aan de tip van de rechtervleugel. De gezagvoerder en de andere inzittende verlieten het toestel. Met hulp van een medewerker van de havendienst werd het toestel uit de jetblast geduwd.

Een airside operations officer verklaarde een dag na het ongeval dat hij via de radio had gehoord dat het propellervliegtuig toestemming kreeg om te taxiën, terwijl de zakenjet met de jetblast gericht stond op het tankeiland. De zakenjet had de anti-collision lights aan en stond klaar voor vertrek. Toen het propellervliegtuig achterlangs reed, werd het geraakt door de jetblast en begon te tollen. De officer vroeg zich af of de verkeersleiding had moeten waarschuwen of überhaupt toestemming had moeten geven. Naar zijn zeggen merkte de gezagvoerder van de zakenjet het incident niet op; hij vertrok kort daarna alsnog en bood tijdens de taxi-out zijn excuses aan.

De gezagvoerder van het propellervliegtuig verklaarde dat hij de zakenjet wel had gezien, maar geen geluid hoorde en aan niets merkte dat ze actief waren. Hij reed langzaam op circa 15 meter afstand achterlangs, toen zijn toestel begon te slingeren en de rechtervleugel de grond raakte. Hij had geen waarschuwing ontvangen. Kort na het incident hoorde hij de toren zeggen: “Shut down your engines.”

De betrokken verkeersleider werd een week later gehoord. Hij was in opleiding en werkte onder toezicht van een instructeur. Hij regelde het verkeer op het manoeuvreergebied, maar was niet verantwoordelijk voor het movement area. Beide vliegtuigen bevonden zich op dat moment op het movement area, dat onder de verantwoordelijkheid van de luchthaven viel. De verkeersleider gaf toestemming aan de zakenjet om naar het holding point te taxiën, en kort daarna ook aan het propellervliegtuig om naar het tankeiland te rijden. Toen hij het incident zag gebeuren, vroeg hij via de radio of de zakenjet zijn motoren wilde uitschakelen.

De instructeur van de verkeersleider verklaarde dat een zakenjet op [luchthaven] geen dagelijkse gang van zaken is. Volgens hem hebben ze juist gewacht totdat het propellervliegtuig vrij was van de taxibaan [taxibaan]. Op dat moment is pas de taxiklaring gegeven aan de zakenjet om naar het holding point te gaan, zodat de taxibaan [taxibaan] en het manoeuvreergebied vrij waren. Het moment waarop de jetblast van de zakenjet het propellervliegtuig raakte, was tijdens het wegrijden. Dat deel van het platform viel onder de verantwoordelijkheid van de luchthaven. Volgens de instructeur worden taxiklaringen ook gegeven aan verkeer op delen van het vliegveld die buiten het zicht liggen. In dit geval is de taxiklaring dan ook gegeven, met de aanname dat begeleiding door de havendienst zou plaatsvinden.  

Beslissing

Het voorgaande levert naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie geen overtuigend bewijs op van een overtreding van art. 5.3 Wet luchtvaart. Daarom is besloten het onderzoek vroegtijdig te beëindigen en niemand als verdachte te horen. Dit neemt niet weg dat de luchtvaartofficier van justitie verwacht dat LVNL en de luchthaven een veiligheidsonderzoek zullen uitvoeren om lessen te trekken uit het voorval.

[1] Aanvankelijk is naar aanleiding van de eerste bevindingen is de betrokken verkeersleider als verdachte aangemerkt en uitgenodigd voor een verhoor als verdachte. De luchtvaartofficier van justitie heeft de verdachtenstatus teruggedraaid, toen duidelijk werd dat de primaire verantwoordelijkheid voor het verkeer op de ‘movement area’ bij de havendienst en niet bij de verkeersleiding lag. De verkeersleider is daarom als getuige gehoord, waarbij zekerheidshalve de cautie is gegeven.