Beslissing: 26 oktober 2020 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: Persbericht OM d.d. 9 september 2021
Inhoudsindicatie: Dagvaarding na weigering transactievoorstel voor negeren regels luchtvaartcircuit. Verdachte weigert gesprek over vlieggedrag. Bevestiging van Just Culture-norm.
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig propellervliegtuig, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding van de dienstdoende havenmeester van een vliegveld.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding art. 7 aanhef en onder c Regeling standaard luchtverkeerscircuits (niet tegenover het midden van de landingsbaan op het rugwindbeen invoegen in het luchtverkeerscircuit) en art. 5.3 Wet luchtvaart (zodanig deelnemen aan het verkeer dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht).
Feiten en omstandigheden
Op grond van het onderzoek van de luchtvaartpolitie kan worden vastgesteld dat de verdachte in de ochtend van [datum in het jaar] 2019 met zijn luchtvaartuig vanuit [plaats in EU-land] naar [vliegveld A] vloog om daar een vriend op te halen en door te vliegen naar [vliegveld B]. De verdachte sloot niet aan op het vaste invoegpunt van het luchtverkeerscircuit, maar vloog rechtstreeks richting [vliegveld A].
De gezagvoerder van een ander vliegtuig, dat in het luchtverkeerscircuit een training aan het geven was, zag de verdachte op tijd aankomen. Hij nam de besturing van zijn leerling-piloot over, verminderde snelheid en week uit naar links om een botsing te voorkomen.
Overwegingen omtrent het bewijs
Tijdens zijn politieverhoor in [land in EU], waarvoor een Europees onderzoeksbevel is uitgevaardigd en dat vijf maanden na het voorval plaatsvond, ontkende de verdachte de overtreding van de regels van het luchtverkeerscircuit niet. De verdachte beriep zich echter op overmacht en verklaarde dat hij vanwege een vogelaanvaring voor een kortere aanvliegroute had gekozen.
Aan deze verklaring hecht de luchtvaartofficier van justitie om de volgende redenen geen geloof. Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte die dag op geen enkel moment via de radio of anderszins over deze vogelaanvaring heeft gesproken. De verdachte heeft verklaard dat hij is weggedrukt, maar dit acht de luchtvaartofficier van justitie niet aannemelijk nu er slechts één ander luchtvaartuig in het circuit aanwezig was. Bovendien heeft de verdachte kort na de landing in het geheel niet gesproken over de vogelaanvaring of over een in verband daarmee te maken inspectie. Hij sprak toen alleen met de havenmeester over de mogelijkheid om het landingsgeld later te betalen en zijn luchtvaartuig op een bepaalde plek neer te zetten omdat de passagier die aan kwam lopen slecht ter been was. De verdachte is vervolgens snel vertrokken om twee andere vliegvelden te bezoeken.
Toen de verdachte later die middag werd aangesproken door de betreffende havenmeester, wilde hij niet met hem over zijn vlieggedrag spreken. De verdachte gaf aan dat hij een ‘prima circuit’ had gevlogen en dat de luchtvaartpolitie maar moest worden ingeschakeld bij eventuele op- of aanmerkingen. De havenmeester heeft vervolgens de luchtvaartpolitie ingeschakeld.
In het eerste contact met de politieagent die de melding van de havenmeester in behandeling nam, liet de verdachte weten dat ‘er niets was gebeurd’ en dat het ‘een overdreven houding van het vliegveld’ was. Indien er daadwerkelijk sprake was van een vogelaanvaring, dan had het in de rede gelegen dat de verdachte – zeker met zijn ervaring – een serieuze inspectie had laten uitvoeren en dat de verdachte het gesprek hierover naderhand ook niet uit de weg zou gaan. In dat licht plaatst de luchtvaartofficier van justitie ook de verklaring van de verdachte over de inspectie die bij terugkomst in [land in EU] zou zijn uitgevoerd vanwege een schroeiende geur in de hangar en waarbij de vogelaanvaring zou zijn vastgesteld (er zouden bloedspatten op de achtervleugel zichtbaar zijn geweest en vogelresten in het motorcompartiment).
Daar komt nog het volgende bij. De verdachte heeft verklaard bij een (korte) inspectie na de landing op [vliegveld A] geen vogelresten te hebben waargenomen. Uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie komt naar voren dat het zeer onwaarschijnlijk is dat vogelresten niet visueel waarneembaar zijn, wanneer een vogel via de motorinlaat terechtkomt in het motorcompartiment.
Al het voorgaande brengt de luchtvaartofficier van justitie tot de conclusie dat zij geen waarde hecht aan de verklaring van de verdachte over de vogelaanvaring en dat zich dus geen overmachtsituatie heeft voorgedaan.
Beslissing
De Richtlijn strafvordering voor luchtvaartwetgeving hanteert bij deze overtreding en het type luchtvaartuig als uitgangspunt een geldboete van € 800,-- indien sprake is van hinder voor het overige circuitverkeer. Bij gevaar is volgens de richtlijn dagvaarden geïndiceerd om een ontzegging van de vliegbevoegdheid te vorderen. Dankzij het handelen van de andere piloot is geen sprake geweest van gevaar, maar van mogelijk gevaar. De luchtvaartofficier van justitie heeft daarom aansluiting gezocht bij het eerstgenoemde uitgangspunt.
De luchtvaartofficier van justitie heeft voorts in aanmerking genomen hoe de verdachte zich naar aanleiding van dit voorval heeft opgesteld. Dat past in haar optiek niet bij Just Culture. Zij is tot de slotsom gekomen dat een transactievoorstel van € 1.000,-- passend en geboden is.
De verdachte heeft dit transactievoorstel niet aanvaard. Daarom is de verdachte gedagvaard om te verschijnen op een luchtvaartzitting.
Luchtvaartzitting 7 januari 2021: nader onderzoek
Tijdens de zitting heeft de verdachte een nieuw aspect aan zijn lezing toegevoegd. Hij verklaarde dat de vogelaanvaring door twee getuigen kon worden bevestigd. Dat waren havenmeesters van het [vliegveld B], waar de verdachte vanuit [vliegveld A] was heengevlogen. Zij zouden na de landing bloedvlekken van het vliegtuig hebben verwijderd. De verdachte heeft dit aspect eerder niet naar voren gebracht en heeft de havenmeesters kort voor de zitting benaderd.
De verdachte toonde ter zitting twee korte schriftelijke verklaringen van de havenmeesters, waarin naar voren komt:
- dat de verdachte na de landing op [vliegveld B] had gezegd dat hij tijdens de nadering van het vliegveld [vliegveld A] ‘door een zwerm vogels was gevlogen’ (formulering [havenmeester 1]) en dat hij ‘enkele vogels had geraakt’ (formulering [havenmeester 2]), en
- dat zij vervolgens het vliegtuig hebben geïnspecteerd, waarbij zij een aantal bloedspatten van het stabilo van het vliegtuig hebben verwijderd, maar verder geen zichtbare schade hebben geconstateerd.
Op verzoek van de officier van justitie is de behandeling van de zaak aangehouden om de beide havenmeesters als getuige te horen.
Luchtvaartzitting 8 september 2021
Het nadere onderzoek heeft langer geduurd dan was voorzien, onder meer vanwege de beschikbaarheid van een van de getuigen. De getuigen bevestigden stellig de inhoud van hun schriftelijke verklaring. In hun getuigenverhoren kwamen echter aanvullende details naar voren. Zo blijkt uit de verklaring van [havenmeester 1] dat het hem niet bekend was (anders dan in zijn schriftelijke verklaring staat) dat de vogelaanvaring tijdens de nadering van [vliegveld A] had plaatsgevonden. Van belang is voorts dat [havenmeester 1] en [havenmeester 2] ten aanzien van de door hun uitgevoerde inspectie niet hetzelfde verklaren. [Havenmeester 1] verklaarde dat het geen uitgebreide inspectie was, maar alleen een rondje om de kist op zoek naar zichtbare schade. Daarbij zijn enkele bloedspatjes weggeveegd, maar er werd geen schade of bijzondere geur waargenomen. [Havenmeester 2] verklaarde dat hij het vliegtuig goed heeft bekeken. Behalve bloed op het linker stabilo was er niets te zien, ook niet bij de propeller of motorinlaat. Hij heeft het vliegtuig grondig schoongemaakt. Volgens hem was het vliegtuig brandschoon toen het weer vertrok. Als er in [plaats in EU-land] nog bloedspatten zijn aangetroffen, dan zou de verdachte volgens hem na zijn vertrek vanaf [vliegveld B] nog een vogelaanvaring moeten hebben gehad.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat die mogelijkheid niet hoeft te worden onderzocht, nu de verdachte daarover zelf niets had verklaard. Het scenario werd bovendien als onwaarschijnlijk beoordeeld. In dat verband werd onder meer de verklaring van de havenmeester van [vliegveld A] aangehaald. Volgens hem zijn vogelaanvaringen op [vliegveld A] uiterst zeldzaam.
De officier van justitie concludeerde dat de verklaring van de verdachte, dat hij op weg naar het [vliegveld A] een vogelaanvaring heeft gehad en daarom de regels van het luchtverkeerscircuit niet kon volgen, als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.
In zijn requisitoir benadrukte de officier van justitie het belang van een Just Culture, wat de inzet van het OM in deze zaak heeft bepaald. Just Culture heeft twee kanten: een kant waar de betrokkene bescherming verdient en een kant waar bestraffing juist op zijn plaats kan zijn. Afgaand op de definitie van Just Culture liggen de grenzen bij de mate van verwijtbaarheid: bij opzet en grove nalatigheid worden de beschermingsgrenzen overtreden. In Just Culture ligt volgens het OM echter ook besloten dat de betrokkene verantwoordelijkheid neemt, zich aanspreekbaar opstelt en van een voorval probeert te leren. Als daarvan geen sprake is, kan strafrechtelijk optreden aangewezen zijn.
Deze zaak is daarvan een voorbeeld. De circuitovertreding is in de visie van het OM veroorzaakt door grove nalatigheid en de verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen. Door de opstelling van de verdachte is het voorval bij de luchtvaartpolitie en het OM terechtgekomen. De havenmeester en gezagvoerder van het andere vliegtuig wilden het voorval bespreken om ervan te leren. De verdachte stond niet open voor een dergelijk gesprek en verwees in plaats daarvan direct naar de luchtvaartpolitie.
De verdachte heeft pas later een alternatieve verklaring gegeven en het heeft er alle schijn van dat hij een reden voor zijn vlieggedrag heeft verzonnen om van de zaak af te komen. Toen de verdachte het gemotiveerde transactievoorstel kreeg van de luchtvaartofficier van justitie, had hij de kans om daarop terug te komen. In plaats daarvan heeft hij zijn lezing uitgebreid met getuigenverklaringen, wat zijn geloofwaardigheid niet heeft vergroot.
Daar komt bij dat de verdachte de schuld volledig buiten zichzelf heeft gelegd. Hij richtte zich tijdens de zitting van 7 januari 2021 vooral op gedrag van anderen. Zo had de andere vlieger niet via de radio de opmerking ‘Sluiten we voortaan aan op base’ mogen maken. De havenmeester had zich evenmin te bemoeien. Een havenmeester mocht in zijn ogen hooguit meedelen welke landingsbaan in gebruik was en een verzoek doen ergens te parkeren. De verdachte miskent hiermee dat de havenmeester in algemene zin een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van veiligheid op het vliegveld. Niets staat een havenmeester eraan in de weg om een gesprek te initiëren over de wijze waarop iemand is komen aanvliegen. De houding van de verdachte acht het OM kwalijk en mogelijk gevaarlijk. Van enig lerend vermogen is niet gebleken en daarom is strafrechtelijk ingrijpen aangewezen.
Het transactievoorstel van de verdachte bleek niet afdoende en was achteraf gezien naar het oordeel van het OM ook te mild. De officier van justitie vorderde daarom dat de verdachte naast een geldboete van € 1.000,-- zou worden veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de vliegbevoegdheid van zes maanden.
Uitspraak rechter
De rechter verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de regels van het luchtverkeerscircuit had overtreden. Dat sprake is geweest van een noodsituatie door een vogelaanvaring, was volgens de rechter niet aannemelijk geworden. De rechter overwoog in het kader van de straftoemeting dat met name de houding van de verdachte zorgwekkend was. De rechter wees op de ‘mooie cultuur’ in de luchtvaart, waarbij ‘niet elk wissewasje’ tot een strafzaak hoeft te leiden. Van de verdachte mocht volgens hem worden verlangd dat hij op een normale manier het gesprek was aangegaan over de overtreding.
Anders dan de officier van justitie zag de rechter vooralsnog geen aanleiding voor een voorwaardelijke ontzegging van de vliegbevoegdheid. Dat had ermee te maken dat de verdachte al veel vlieguren had gemaakt en niet eerder met politie en justitie in aanraking was gekomen. Herhaling van dergelijk gedrag diende te worden voorkomen. Daarom werd de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-- waarvan € 1.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.