Beslissing: 3 mei 2021 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: -/-

Inhoudsindicatie: Voorwaardelijk sepot na fly-by waarmee bijna-botsing werd veroorzaakt. Na goed gesprek tussen verdachte en aangever geen geldelijke sanctie op zijn plaats. Voorstel om informatiebijeenkomst op de vliegclub te organiseren om de geleerde lessen te delen, en zaak daarmee af te doen.

Beslissing OM

in de zaak tegen de gezagvoerder van een sportvliegtuig, hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een voorvalmelding van een andere gezagvoerder. Deze meldende gezagvoerder had op [datum in het jaar] 2019 met een instructeur het standaard circuit voor vliegveld Hilversum gevlogen en steeds zijn posities gemeld via de radio. In de laatste fase van de eindnadering werden de inzittenden verrast door een ander sportvliegtuig, dat hen op korte afstand en met zeer hoge snelheid van rechts inhaalde. Dat vliegtuig maakte vervolgens een low pass over de landingsbaan, gevolgd door een steile bocht en landing.

Deze melding is bij het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) binnengekomen en heeft de Inspecteur-Generaal Leefomgeving en Transport aan het OM doorgegeven. De luchtvaartpolitie heeft in opdracht van de luchtvaartofficier van justitie onderzoek gedaan naar het voorval.

Verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 4 Regeling standaard luchtverkeerscircuits (het inhalen van een ander luchtvaartuig binnen een luchtverkeerscircuit), art. 7 onder c Regeling standaard luchtverkeerscircuits (het invoegen in het luchtverkeerscircuit anders dan op het rugwindbeen tegenover het midden van de landingsbaan) en art. 5.3 Wet luchtvaart (het zodanig deelnemen aan het luchtverkeer dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht).

Feiten en omstandigheden

Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat het vliegtuig met registratienummer D-[XXXX], waarin de verdachte vloog, bij het vliegveld Hilversum een zogenaamde ‘long final’ maakt. Het vliegtuig vloog van buiten het circuit direct op ‘final’ in plaats van het voorgeschreven landingscircuit te volgen.

Op de radarbeelden is te zien dat het vliegtuig met registratienummer PH-[YYY], waarin de melder en de instructeur zich bevonden, op dat moment in een dalende linkerbocht zat en daardoor was voor hen het andere vliegtuig (D-[XXXX]) niet te zien. Volgens een berekening van de luchtvaartpolitie was de afstand tussen beide vliegtuigen niet groter dan 100 meter.[1]

De melder heeft, nadat hij werd uitgenodigd om een getuigenverklaring af te leggen, aangifte tegen de verdachte gedaan. Zijn verklaring als aangever houdt onder andere het volgende in. Toen hij de bocht naar links maakte voor final, was hij in de landingsfase en vloog hij met een snelheid van 75 knopen. Hij bevond zich recht voor de baan voor landing op baan 25, toen zijn passagier (de instructeur) ‘naar links’ schreeuwde. De aangever maakte op dat moment direct een uitwijkmanoeuvre naar links en zag toen een vliegtuig met zeer hoge snelheid aan de rechterkant voorbijvliegen. Dat vliegtuig ging ongeveer twee keer zo snel. Als hij niet was uitgeweken naar links, was de kans volgens hem zeer groot dat zij in botsing waren geraakt gelet op de zeer korte afstand tussen de vliegtuigen. De reden dat hem dit verraste was ook dat het vliegtuig geen radioverkeer had met Hilversum radio, en - in plaats van het circuit te volgen – ‘straight in’ vloog. Het vliegtuig ging met zeer hoge snelheid laag over de landingsbaan om vervolgens weer steil omhoog te vliegen en een bocht naar rechts te maken. De aangever heeft een doorstart gemaakt, omdat hij zelf niet meer stabiel genoeg was om een veilige landing te kunnen maken. Hij was erg geschrokken en zeer emotioneel. Nadat zij alsnog zijn geland, is de instructeur naar de gezagvoerder van het andere vliegtuig gegaan om met hem te praten. De instructeur heeft ook de havendienst verteld wat er was gebeurd.

De instructeur heeft als getuige grotendeels een gelijkluidende verklaring afgelegd, met dien verstande dat hij verklaarde dat door de wijze van inhalen een luchtverplaatsing (vortex) werd gevoeld, dat de aangever daarvan schrok en door de schrik de stick naar zich toe trok en vervolgens naar links waardoor het toestel naar links bewoog. De instructeur heeft op dat moment de controle overgenomen, omdat zij op dat moment in een gevaarlijke bijna stall situatie terecht kwamen. Hij verklaarde dat de verdachte in het gesprek met hem ‘sorry’ zei. Hij heeft hem verteld dat hij dit nooit meer moest doen en teleurgesteld was dat hij niet naar hen is toegekomen voor een uitleg.

De havenmeester van het vliegveld heeft eveneens een getuigenverklaring afgelegd. Volgens hem ging de verdachte ‘met een bloedgang’ over de baan. Hij heeft op de toren een gesprek gehad met de verdachte, die veel spijt toonde. Volgens de havenmeester kent hij de verdachte als een serieuze vlieger, als iemand die zich normaal gesproken aan de afspraken houdt. 

De verdachte heeft verklaard dat hij met een passagier vloog in het kader van een soort uitwisseling van ‘air cadets’. Het was het einde van de dag en hij wilde graag een fly-by maken voor de mensen die nog op de grond stonden. Hij dacht dat dat mooi was voor de bezoekers. Hij had het vliegtuig in zicht en dacht genoeg afstand te hebben. Hij kon niet meer naar rechts uitwijken, omdat er zweefvliegers actief waren. Hij kon zich goed voorstellen dat er aangifte is gedaan tegen hem. Hij begreep dat de aangever en de instructeur erg geschrokken waren en vindt dit geen goed vliegerschap van zichzelf. Hij was zich ervan bewust dat hij gevaar veroorzaakt, erkende de overtredingen en wenste te schikken. Hij vond het heel vervelend; dit was niet zijn bedoeling. Hij heeft ook gesproken met de hoofdinstructeur van de vliegdienst en wilde voor zichzelf weer de puntjes op de i zetten. 

Beslissing

Naar het oordeel van de luchtvaartofficier kunnen de drie genoemde overtredingen worden bewezen, hoewel aan die overtredingen steeds hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. De overtredingen zijn naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie veroorzaakt door grove nalatigheid van de verdachte. Dat is van belang omdat in een zaak als deze op grond van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart (Stcrt. 2020, 7947) opzet of grove nalatigheid een voorwaarde is voor het aanbieden van een transactievoorstel c.q. het instellen van vervolging.[2]

Uitgangspunt volgens Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwetgeving

De Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwetgeving (Stcrt. 2018, 341420) bevat uitgangspunten voor de hierboven genoemde overtredingen van de Regeling standaard luchtverkeerscircuits. Indien de overtredingen gevaar hebben opgeleverd – en dat was naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie het geval – geldt dagvaarden als uitgangspunt in verband met een te vorderen ontzegging van de vliegbevoegdheid.[3]

De luchtvaartofficier van justitie zag op voorhand al aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Afgezien nog van het tijdsverloop in deze zaak (door omstandigheden heeft het completeren van het eindproces-verbaal veel langer geduurd dan normaal),  komt dat in het bijzonder door de schuldbewuste houding en de verantwoording die de verdachte over het gebeuren heeft afgelegd. Een ontzegging van de vliegbevoegdheid is naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie daarom een te zware maatregel.

Aanvullende verklaring aangever en onderhoud met verdachte

Vanwege het hiervoor genoemde tijdsverloop en de schuldbewuste houding van de verdachte is aangever aanvullend gehoord over de impact van het gebeuren, de vraag of de verdachte in de tussentijd contact met hem had opgenomen en naar zijn zienswijze op Just Culture in dit geval. Op 24 maart 2021 verklaarde aangever dat hij, hoewel hij niet bang is aangelegd, angstiger was geworden door het incident. Van de verdachte had hij niets vernomen; dat vond hij ongehoord. Verder was hij geen ‘matennaaier’ – de verdachte is ‘ook gewoon een collega vlieger’ –, maar hij vond in dit geval wel dat een boete en een goed gesprek op zijn plaats waren. Aan de verdachte mag wel worden verteld worden hoe ernstig het was en hoe het had kunnen aflopen, aldus aangever.

De verdachte is vervolgens uitgenodigd voor een onderhoud met de luchtvaartofficier van justitie op 15 april 2021 op het parket in Haarlem. Hij verscheen daar samen met zijn vlieginstructeur. Toen hem de aanvullende verklaring van aangever werd voorgehouden, verklaarde hij het heel vervelend te vinden dat hij dit bij de aangever teweeg heeft gebracht en dat hij daarvan veel spijt heeft. Hij liet weten hem graag alsnog te spreken.

Vanuit het OM is contact opgenomen met aangever om na te gaan of hij open zou staan voor een gesprek, wat het geval bleek te zijn. De luchtvaartofficier van justitie heeft tijdens het onderhoud laten weten dat oplegging van een geldelijke sanctie wat haar betreft wel in de rede ligt, maar dat zij bij de bepaling van de hoogte van die sanctie wilde meewegen hoe het gesprek met aangever was verlopen.

Terugkoppeling gesprek

Het gesprek tussen de verdachte en aangever heeft op 22 april 2021 plaatsgevonden. 

De verdachte heeft vijf dagen later per mail laten weten dat hij met aangever een constructief gesprek heeft gehad. Hij had zijn verontschuldigingen aangeboden, er waren allerlei vliegervaringen uitgewisseld en de wens was uitgesproken om dergelijke ervaringen in de toekomst te blijven uitwisselen. Hij had aangever ook een instructievlucht aangeboden met een bekwame instructeur (een beroepsvlieger). Die vlucht had twee dagen na het gesprek plaatsgevonden.

Dit alles bleek zeer te zijn gewaardeerd door aangever. In een telefoongesprek met de parketsecretaris liet hij weten dat hij heeft gemerkt dat de verdachte zich het gebeuren zeer heeft aangetrokken. Hij vertelde dat hij met de verdachte een goed gesprek heeft gehad en dat de verdachte hem kosteloos een instructievlucht heeft aangeboden. Die vlucht vond hij niet alleen een zeer nuttige, maar ook een zeer plezierige ervaring. Hij vertelde dat hij hiermee het hoofdstuk heeft kunnen afsluiten en dat hij zich weer een stuk zekerder in het vliegtuig voelde. Hij liet weten dat het voor hem zo prima was, dat het als piloten onder elkaar was afgedaan en dat een vriendschappelijke band lijkt te ontstaan.

Voorwaardelijk sepot: een informatiebijeenkomst

Gezien deze stand van zaken heeft de luchtvaartofficier van justitie zich voor de vraag gesteld welke meerwaarde een geldelijke sanctie nog zou hebben. Uit de terugkoppeling van het gesprek maakt zij op dat de verdachte niet alleen zelf lering uit het voorval heeft getrokken, maar ook de veroorzaakte ‘schade’ heeft proberen te herstellen. In die poging lijkt hij bovendien te zijn geslaagd. Die omstandigheden hebben gemaakt dat de luchtvaartofficier van justitie is teruggekomen van haar eerdere oordeel dat een geldelijke sanctie op zijn plaats is.

Ter verdere bevordering van Just Culture heeft de luchtvaartofficier van justitie in plaats daarvan voorgesteld dat de verdachte binnen een jaar na het voorstel op zijn vliegclub een informatiebijeenkomst zou organiseren om met zijn clubleden te delen hoe de verdachte dit gebeuren heeft ervaren en welke lessen hij daaruit heeft getrokken. Nadat de verdachte daarmee akkoord is gegaan, is de zaak onder die voorwaarde geseponeerd.[4]

Aan de te organiseren bijeenkomst zijn geen nadere voorwaarden gesteld: de verdachte mocht deze naar eigen inzicht inkleden en indien andere clubleden de verdachte hierbij wilden ondersteunen, zou dat zonder meer akkoord zijn. De luchtvaartofficier van justitie zou het uiteraard op prijs stellen als het OM voor de bijeenkomst wordt uitgenodigd, maar dat was geen verplichting. De achterliggende gedachte van dit voorstel is puur gelegen in het feit dat andere clubleden hun voordeel kunnen doen met de door de door de verdachte geleerde lessen.

Vanuit het OM is gevraagd om in elk geval twee lessen mee te geven. De eerste les is dat het van belang is om in een eerder stadium contact te zoeken met de gezagvoerder van het andere vliegtuig. Weliswaar kende hij de betrokkene op dat moment nog niet, maar hij had navraag kunnen doen bij diens instructeur, de havenmeester of de vliegclub. Dan had het positieve gesprek dat hij met hem had gehad, eerder plaatsgevonden en was het waarschijnlijk evenmin tot een strafzaak gekomen.

Een tweede les betreft het melden van het voorval bij het ABL, waartoe de verdachte op grond van Verordening 376/2014 verplicht was. Door het niet doen van de melding heeft de verdachte niet alleen een bestuurlijke boete geriskeerd, maar ook het doorzetten van de voorvalmelding bevorderd. Het feit dat de verdachte zelf geen melding heeft gedaan van het voorval, is door het ABL als een van de overwegingen aangedragen om de voorvalmelding naar het OM door te zetten. Dat is in dit geval vermoedelijk slechts een bijkomende overweging geweest, maar wordt ook door het OM als een relevant gegeven gezien voor de uiteindelijke afdoening van de zaak: wanneer daaruit een positieve, lerende grondhouding spreekt, wordt dat in het voordeel van een verdachte meegewogen.

Terugkoppeling informatiebijeenkomst

De verdachte heeft laten weten dat vanwege de nasleep van de Coronacrisis sociale activiteiten en lezingen enige tijd niet werden opgepakt. Op 10 mei 2023 is uiteindelijk een bijeenkomst georganiseerd, waarbij uitvoerig zou zijn ingegaan op ‘de wijze waarop het OM met Just Culture in de Luchtvaart omgaat’.

[1] De posities van de vliegtuigen waren niet op hetzelfde moment ‘geplot’. De positie van de D-[XXXX] was om 20.00.07 vastgelegd en die van de PH-[YYY] om 20.00.10.

[2] Zie par. 4.2 Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart. In een geval in de kleine luchtvaart waarvan het OM alleen maar op de hoogte is omdat daarvan een voorvalmelding is gedaan (dus als het ABL zo’n melding doorzet naar het OM vanwege een vermoeden van opzet of grove nalatigheid), wordt slechts een transactievoorstel aangeboden of vervolging ingesteld wanneer sprake is van opzet of grove nalatigheid.

[3] Zie uitgangspunten nr. 73 en 78.

[4] Aanvankelijk is dit aan de verdachte voorgesteld in de vorm van een transactievoorstel, maar bleek niet in te voeren in het zaaksysteem van het OM. De voorwaarde was alleen in te voeren als ‘strafbeschikking’ met een gedragsaanwijzing of als ‘voorwaardelijk sepot’. Die laatste beslissing sluit het best aan bij de aanvankelijk voorgestelde transactie.