Beslissing: 12 juli 2021 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Sepot voor aanbrengen ander kenmerk op paramotortrike.
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een paramotortrike, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een controle van de luchtvaartpolitie.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding art. 3.1 lid 2 aanhef onder a Wet luchtvaart (aanbrengen van een ander kenmerk dan het geldig nationaliteits- en inschrijvingskenmerk) en art. 3.1 lid 2 aanhef onder b Wet luchtvaart (gebruiken van een luchtvaartuig dat is voorzien van een ander kenmerk, met het oogmerk het te doen voorkomen dat het luchtvaartuig is voorzien van een geldig kenmerk).
Feiten en omstandigheden
Op grond van het onderzoek van de luchtvaartpolitie kan worden vastgesteld dat de verdachte op [datum in het jaar] 2020 heeft gevlogen met zijn in Duitsland ingeschreven paramotortrike (D-[XXXX]), terwijl daarop een scherm met een Nederlandse registratie (PH-[YYY]) was aangebracht.
Beslissing
Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie een ander kenmerk op de paramotortrike aangebracht dan het daarop betrekking hebbende nationaliteits- en inschrijvingskenmerk, zoals bedoeld in art. 3.1 lid 2 onder a Wet luchtvaart.
De luchtvaartofficier van justitie is er niet van overtuigd dat de verdachte daarnaast ook art. 3.1 lid 2 onder b Wet luchtvaart heeft overtreden. Daarvoor is namelijk vereist dat de verdachte het scherm heeft aangebracht met het oogmerk om het erop te laten lijken dat de paramotortrike een geldig kenmerk had. Op zichzelf is de gedachte aan deze overtreding niet vreemd omdat met een in Duitsland geregistreerde paramotortrike niet onbeperkt in Nederland kan worden gevlogen (daarvoor moet immers zijn voldaan aan de criteria voor tijdelijk gebruik). Het enkele feit dat de verdachte met een Nederlands scherm heeft gevlogen, is echter onvoldoende om bedoeld oogmerk vast te stellen.
Hoewel de verdachte naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie art. 3.1 lid 2 onder a Wet luchtvaart heeft overtreden, heeft zij besloten de zaak ter zake daarvan te seponeren. De reden daarvoor is gelegen in een tweetal omstandigheden. De eerste omstandigheid is dat de luchtvaartpolitie al te kennen had gegeven dat met betrekking tot onder meer het gebruik van zijn Duitse paramotortrike zou worden volstaan met een waarschuwing. De luchtvaartofficier van justitie hecht eraan die waarschuwing te onderstrepen. De uitzondering van het ‘tijdelijk gebruik van het Nederlandse luchtruim’ is namelijk niet van toepassing op in het buitenland geregistreerde luchtvaartuigen die in Nederland zijn gestationeerd.[1]
De tweede omstandigheid is dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich (achteraf gezien) bewust is van het feit dat het aankoppelen van een scherm met een andere registratie een overtreding van de luchtvaartwetgeving oplevert. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij voornemens is om de registratie van dit scherm aan te passen.
Tegen de achtergrond van de gegeven waarschuwing en gezien verdachtes houding meent de luchtvaartofficier van justitie dat strafrechtelijk ingrijpen niet opportuun is. Daarbij gaat zij ervan uit dat hij alle maatregelen zal treffen om toekomstige overtredingen te voorkomen. Ten aanzien van het tijdelijk gebruik van een Duitse paramotortrike is de verdachte immers gewaarschuwd. Datzelfde geldt voor het verrichten van luchtwerk met een paramotortrike en het vliegen met een paramotortrike tegen een vergoeding, met baat of voor commerciële doeleinden. Ook daarvoor is de verdachte gewaarschuwd door de luchtvaartpolitie.[2]
[1] Art. 50 lid 2 van de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen, die met ingang van 1 oktober 2020 de Regeling MLA’s MLH’s en Schermvliegtuigen heeft vervangen, verduidelijkt dit: de toestemming om tijdelijk met een buitenlands luchtvaartuig in Nederland te verblijven, is beperkt tot een verblijf van maximaal 28 (al dan niet opeenvolgende) dagen per kalenderjaar.
[2] Het verrichten van luchtwerk op zichzelf bewijsbaar. Voldoende daarvoor is dat fotografie een (van de) doelstelling(en) van de vlucht is. Dat dit het geval was, maakt de luchtvaartofficier van justitie op uit het feit dat de verdachte een vlucht maakte met een plaatselijke journalist, die een fotocamera met een zeer grote lens bij zich droeg, en het feit dat de betreffende journalist in een nieuwsbericht heeft opgemerkt dat hij deze vlucht met de verdachte heeft gemaakt ‘met het idee om mooie luchtfoto’s te schieten’. De verdachte heeft bovendien verklaard dat een tijdens de vlucht gemaakte foto in de krant is geplaatst.
Voor het gebruik van de paramotortrike tegen een vergoeding, met baat of voor commerciële doeleinden was naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie te weinig bewijs aanwezig. De verdenking komt voort uit de vraag van de journalist na de landing of de verdachte hem een tikkie zou sturen. De verdachte heeft echter verklaard dat hij de journalist geen tikkie heeft verstuurd. De journalist zou naar verdachtes zeggen de brandstof hebben willen vergoeden, maar dat hoefde van de verdachte niet omdat hij het gewoon leuk vindt om mensen rond te vliegen en daarvoor geen geld wil vragen. Het tegendeel blijkt niet uit het dossier.