Beslissing: 13 april 2022 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: ELOM:2022:006

Inhoudsindicatie: Transactie voor exploitant voor uitlokking helikopterpiloot.

Beslissing OM

in de zaak tegen een exploitant van een helikopter, hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding van de afdeling toezicht van de ILT op [datum in het jaar] 2021.

Verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 8.1a Wet luchtvaart juncto art. 47 lid 1 aanhef onder 2° Wetboek van Strafrecht (uitlokking van met een luchtvaartuig opstijgen van en landen op een niet-luchthaven).

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat [medewerker van exploitant] op [een datum in december] 2020, in het kader van de kerstspecial van het televisieprogramma ‘All You Need Is Love’, als gezagvoerder van een helikopter is geland bij [een kasteel], terwijl daarvoor geen ontheffing bestond.

Weliswaar was [exploitant] in het bezit van een generieke ontheffing om in de provincie [provincie] te landen op andere terreinen dan luchthavens, maar deze ontheffing was voor het terrein bij [kasteel] niet geldig. De vergunning is namelijk aan voorschriften gebonden en voorschrift 2 beperkt het toepassingsgebied van de vergunning. Dat voorschrift houdt in: ‘Er mag niet worden geland of opgestegen binnen de directe omgeving van woningen dan wel natuurgebieden, zoals weergegeven op de bij Beleidsregels behorende kaarten’. Het terrein bij [kasteel] was (en is nog steeds) een gebied dat op die grond is uitgesloten. Dat betekent dat het verbod om op een dergelijk terrein onverkort geldt.

De gezagvoerder van de helikopter heeft deze overtreding gepleegd, maar ging af op de informatie die door [exploitant] was aangeleverd. De helikoptervluchten maakte hij voor [exploitant, waar hij (als ZZP-er) 50% van zijn tijd werkt.

Van [exploitant] had hij een zgn. ‘Flight Planning Form’ gekregen, waarop stond aangevinkt dat de ontheffing in orde was, dat de grondeigenaar geen bezwaar had en dat de melding bij de provincie en de politie was gedaan. Hij twijfelde niet aan deze opdracht, omdat het in het verleden ook altijd goed is gegaan. Strikt genomen had hij de door [exploitant] aangeleverde informatie moeten controleren, maar de luchtvaartofficier van justitie houdt rekening met de werkcontext.

[Exploitant] heeft naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie een grotere rol en verantwoordelijkheid. Om die reden heeft zij hiernaar aanvullend onderzoek laten doen en heeft zij de zaak met de vertegenwoordiger van [exploitant] besproken op het parket. Deze vertegenwoordiger heeft bij die gelegenheid andermaal verklaard dat er sprake was van een vergissing, omdat in het verleden op grond van de ontheffing wel bij [kasteel] mocht worden geland. De luchtvaartofficier van justitie gelooft hem wanneer hij zegt dat er geen sprake is van ‘boos opzet’. Maar dat er (slechts) sprake is van een vergissing, kan de luchtvaartofficier van justitie op grond van de stukken niet volgen.

Uit de mailcorrespondentie komt het volgende beeld naar voren.

  • Op [datum, vijf dagen voor de overtreding] is door [collega van de vertegenwoordiger van exploitant] per mail, met de vertegenwoordiger in de cc, melding gemaakt van een voorgenomen landing bij [locatie 1] en [kasteel] in [plaats].
  • Op [datum, drie dagen voor de overtreding] wordt in reactie daarop door een vergunningverlener van de provincie [provincie] medegedeeld dat ‘beide locaties in het uitsluitingsgebied vallen’, dat ze (daarom) ‘niet voldoen aan de Beleidsregels ontheffingen tug’ en dat als desondanks gebruik wordt gemaakt van de locaties ‘waarschijnlijk handhavend opgetreden zal worden’.
  • Op [datum, twee dagen voor de overtreding] heeft de vertegenwoordiger daarop melding gemaakt van een voorgenomen landing op een weiland aan [locatie 2] in [plaats].
  • Op [datum, vier dagen na overtreding] heeft de vertegenwoordiger melding gemaakt dat er op maandag [datum van de overtreding] op het weiland aan [locatie 2] een landing is gemaakt.

Uit deze mailcorrespondentie maakt de luchtvaartofficier van justitie op dat [exploitant] kort voor de opnames van het televisieprogramma het bericht kreeg dat er bij [locatie 1] en [kasteel] niet mocht worden geland. Dat de vertegenwoordiger van de exploitant in de veronderstelling verkeerde dat alleen bij het casino niet mocht worden geland, is op basis van het onderzoek niet aannemelijk geworden. Als dat zo zou zijn, had het in de rede gelegen dat nadien ook melding was gemaakt van de landing bij [kasteel]. Dat was tenslotte ook gedaan bij de landing op het weiland aan [locatie 2].

De luchtvaartofficier van justitie heeft geen reden om eraan te twijfelen dat het eerder wel was toegestaan om bij [kasteel] te landen. De mailcorrespondentie lijkt er echter op te wijzen dat de vertegenwoordiger van [exploitant] dit – in het weekend voor de maandag waarop de vluchten moesten plaatsvinden – niet heeft willen navragen. In plaats daarvan heeft de vertegenwoordiger een melding gemaakt voor een andere locatie, zonder daarbij te vermelden dat tevens werd vastgehouden aan het voornemen om bij het [kasteel] te landen. Hiermee is willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat de landing bij [kasteel] verboden zou zijn. Dit wordt in juridische zin voorwaardelijk opzet genoemd.

Beslissing

Het voorgaande brengt de luchtvaartofficier van justitie tot het oordeel dat de gezagvoerder van de helikopter is uitgelokt om zonder ontheffing te landen op een terrein dat geen luchthaven is. Dat is redelijkerwijs toe te rekenen aan de rechtspersoon [exploitant]. De uitlokking van de verboden landing heeft in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden.

De Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwetgeving (Stcrt. 2018, 341420) formuleert als uitgangspunt voor het met een helikopter overtreden van art. 8.1a van de Wet luchtvaart, een geldboete van € 1.600,--. Dat is een uitgangspunt voor de gezagvoerder die (zonder ontheffing) landt op een verboden terrein.

In dit geval is een zwaarder feit aan de orde, nu door de organisatie de aanmerkelijke kans op deze overtreding op de koop toe is genomen en de gezagvoerder daartoe is uitgelokt. [Exploitant] is een professionele partij, waarvan meer zorgvuldigheid mag worden verwacht. Om die reden is de luchtvaartofficier van justitie van oordeel dat op zichzelf een verhoging van het uitgangspunt met 50% op zijn plaats is. Dat zou neerkomen op een geldboete van € 2.400,--.

De luchtvaartofficier van justitie ziet ook omstandigheden waarvan een strafverlagende werking uitgaan. Daarbij doelt zij op het feit dat [exploitant] voor het jaar 2021 geen ontheffing heeft gekregen van de provincie [provincie] en dat uit dit voorval lering lijkt te zijn getrokken. Wat de vertegenwoordiger van [exploitant] daarover heeft verklaard tijdens het onderhoud, kwam op haar oprecht over.  

Alles afwegende acht de luchtvaartofficier van justitie in dit geval een bedrag van € 2.000,-- passend. Dit transactievoorstel is aan [exploitant] gedaan, die dat ook heeft aanvaard.