Beslissing: 27 juni 2022 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: ELOM:2020:012
Inhoudsindicatie: Transactie voor gebrekkige vluchtvoorbereiding, opnieuw verlopen bewijs van luchtwaardigheid
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig vliegtuig, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een reguliere controle van de luchtvaartpolitie.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding art. 3.8 lid 1 onder b Wet luchtvaart (uitvoeren van een vlucht met vliegtuig zonder geldig bewijs van luchtwaardigheid) en art. 5.8 Wet luchtvaart (gebrekkige vluchtvoorbereiding).
Feiten en omstandigheden
Op grond van het onderzoek van de luchtvaartpolitie kan worden vastgesteld dat de verdachte op [datum in het jaar] 2021 met zijn vliegtuig vanaf vliegveld Hilversum een vlucht heeft uitgevoerd, terwijl het Bewijs van Luchtwaardigheid (BvL) op dat moment was verlopen.
Overwegingen omtrent het bewijs
Dat is niet de eerste keer. In het jaar 2020 werd een strafzaak, waarin het ging om elf vluchten zonder geldig bewijs van luchtwaardigheid, afgedaan met een transactie van € 2.000,--. Dat neemt niet weg dat het nu om een andere situatie gaat. Destijds was de verdachte in afwachting van een nieuw BvL, omdat de verdachte de Engelse registratie van zijn vliegtuig vanwege Brexit had overgeschreven naar een Duitse registratie. Uit de stukken van deze strafzaak blijkt dat de verdachte het BvL op [datum in het jaar] 2021 heeft verkregen. Dit betreft een Europees BvL, dat geldig is zolang sprake is van een geldig Airworthiness Review Certificate (ARC). Het ARC van zijn vliegtuig was tot en met [datum in het jaar] 2021 geldig. Dat bekent dat het ARC – en daarmee ook het BvL – tien dagen was verlopen toen de verdachte de vlucht op [datum in het jaar] 2021 maakte.
Dit heeft de verdachte tegenover de luchtvaartpolitie ook erkend. De verdachte verklaarde dat het een ongeplande vlucht was. Hij was net terug uit het buitenland en werd gebeld omdat er iemand met een nieuw in Scandinavië gekocht vliegtuig terug naar Nederland vloog. Er werd toen voorgesteld om deze persoon tegemoet te vliegen ter verwelkoming in Hilversum.
De verdachte is daarop naar Hilversum gegaan, heeft het vliegtuig uit de hangar getrokken, een aantal checks gedaan en de vlucht uitgevoerd. Het controleren van de papieren is erbij ingeschoten. Enerzijds verklaarde de verdachte ten aanzien hiervan dat hij meende dat alles in orde was, maar dat het is misgegaan omdat de reguliere beoordeling van de luchtwaardigheid in de zomer door een brand bij het onderhoudsbedrijf niet had plaatsgevonden. Anderzijds verklaarde hij dat hij ook op [drie dagen een maand eerder in het jaar] 2021 vluchten heeft gemaakt en dat hij toen wel alle papieren had gecontroleerd. Het zou dan moeten zijn opgevallen dat het ARC op korte termijn zou verlopen.
Als het laatste het geval is, zou het kunnen betekenen dat de verdachte (opnieuw) op de koop toe heeft genomen dat hij zonder geldig bewijs van luchtwaardigheid zou gaan vliegen. De luchtvaartofficier van justitie heeft echter besloten de verdachte wat dit betreft het voordeel van de twijfel te geven. Dat houdt in dat zij ervan uitgaat dat de verdachte tijdens die drie eerdere vluchten niet zorgvuldig genoeg naar het ARC heeft gekeken en dat hij daardoor niet op zijn netvlies had dat het ARC zou gaan verlopen. De luchtvaartofficier van justitie laat daarmee de verdenking van het misdrijf van art. 3.8 van de Wet luchtvaart rusten.
Dat doet zij niet met betrekking tot de resterende verdenking van de overtreding van art. 5.8 van de Wet luchtvaart. Een goede vluchtvoorbereiding is, zoals de verdachte weet, essentieel voor een veilige vluchtuitvoering. De manier waarop de verdachte op [datum in het jaar] 2021 aan zijn vlucht is begonnen om iemand in de lucht te kunnen begroeten, baart de luchtvaartofficier van justitie zorgen. Het past in haar ogen niet bij iemand met verdachtes opleiding en ruime ervaring (40 jaar een brevet, 3000 vlieguren en 8000 starts). Op zichzelf kan de luchtvaartofficier van justitie zich voorstellen dat een vluchtvoorbereiding routine is geworden, waarbij ergens overheen wordt gelezen. Maar de verdachte heeft dat dan wel vier keer gedaan (niet alleen op [datum in het jaar] 2021, maar ook op [de drie dagen in de maand ervoor]. Bovendien – en dat vindt de luchtvaartofficier van justitie nog belangrijker – was de verdachte na de transactie in zijn vorige strafzaak een gewaarschuwd man. Dat brengt haar ertoe het belang van een goede vluchtvoorbereiding extra te onderstrepen, in de hoop dat de voorbereiding bij toekomstige vluchten niet meer tekort zal schieten.
Beslissing
Het uitgangspunt bij deze overtreding met een type vliegtuig, zoals dat van de verdachte, is volgens de Richtlijn strafvordering voor luchtvaartwetgeving een geldelijke transactie of geldboete van € 425,--. Dat is een uitgangspunt voor iemand die voor het eerst in aanraking komt met politie en justitie, een zogenaamde first offender. Voor de verdachte is het de tweede keer dat hij een luchtvaartregel heeft overtreden. Daarom is een hogere sanctie op zijn plaats. Alles afwegende meent de luchtvaartofficier van justitie dat een transactievoorstel van € 575,-- passend is.