Beslissing: 13 juli 2024 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Overig
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Demonstratie met een kleine modelraket op een basisschool leidt tot een ongeval waarbij een minderjarige gewond raakt. Niet voldaan aan de geldende voorschriften voor het gebruik van modelraketten. Organisatie was niet bekend met de regelgeving, heeft aansprakelijkheid geregeld, veiligheidsmaatregelen getroffen, afspraken gemaakt met de ILT en volledig meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Het onderzoek is daarom beëindigd.
Beslissing OM
in de zaak tegen een NN-persoon, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het strafrechtelijk onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) op [datum in het jaar] 2024. De melding betrof een ongeval waarbij een minderjarige gewond raakte tijdens een demonstratie met een modelraket op een basisschool. Op verzoek van de ILT is de luchtvaartpolitie een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Juridisch kader
De grondslag van het strafrechtelijk onderzoek wordt gevormd door art. 1.2a Wet luchtvaart en de Regeling modelraketten. Art. 1.2a lid 1 Wet luchtvaart verbiedt het gebruik van toestellen die geen luchtvaartuig in het luchtruim; een modelraket is een dergelijk toestel.
De minister van Infrastructuur en Milieu heeft voor modelraketten gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om bij ministeriële regeling een vrijstelling van dit verbod te verlenen.[1] Die regeling is de Regeling modelraketten, waarin is bepaald dat de vrijstelling geldt voor het gebruik van een kleine of grote modelraket door ‘een lid van een vereniging die zich bezig houdt met het ontwikkelen en het gebruik van een kleine of grote modelraket’.[2] Aan deze vrijstelling zijn voorschriften en beperkingen verbonden, onder meer met betrekking tot het ontwerp en de constructie van de modelraket, het gebruik van de modelraket in nabijheid van luchtverkeersleidinggebieden en voorafgaand overleg met de minister.[3] Art. 1.2a lid 2 Wet luchtvaart verbiedt het handelen in strijd met deze voorschriften of beperkingen. Handelen in strijd met art. 1.2a lid 1 of 2 Wet luchtvaart is als misdrijf strafbaar gesteld in art. 11.10 lid 1 aanhef onder a en 1° Wet luchtvaart.
Daarnaast dient degene die verantwoordelijk is voor het lanceren van de modelraket, zich houden aan de verplichtingen voor luchtverkeer bij of krachtens de Wet luchtvaart.
Een modelraket is weliswaar geen luchtvaartuig, maar maakt door de lancering wel deel uit van het luchtverkeer. Een basisregel is het verbod in art. 5.3 Wet luchtvaart om op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht.[4] Handelen in strijd met art. 5.3 Wet luchtvaart is als overtreding strafbaar gesteld in art. 11.9 lid 1 aanhef onder a en 5° Wet luchtvaart.
Feiten en omstandigheden
Uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie komt naar voren dat [rechtspersoon] een internationale organisatie is die cursussen, workshops en evenementen organiseert om kinderen kennis te laten maken met wetenschap en techniek. Onderdeel van deze activiteiten is het geven van demonstraties op basisscholen, waaronder demonstraties waarbij kleine modelraketten worden gelanceerd.
Op [datum in het jaar] 2024 vond een dergelijke demonstratie plaats op basisschool [naam basisschool] in [plaats], waarbij naar verluidt circa 200 kinderen aanwezig waren. Tijdens de lancering van een modelraket van het type Skyblazer II raakte de achtjarige zoon van [A] gewond.[5] De modelraket, die normaal gesproken na lancering op circa 75 voet een remparachute opent, daalde in dit geval ongecontroleerd neer doordat de parachute niet functioneerde en kwam op het hoofd van het kind terecht.
De ernst van het incident werd ter plaatse onvoldoende onderkend. De demonstratie werd niet direct beëindigd en er is nog een tweede modelraket gelanceerd.
Het slachtoffer bleek naast een oppervlakkige hoofdwond een hersenschudding te hebben opgelopen en was hevig geschrokken. Het slachtoffer gaf aan dat het letsel ernstiger had kunnen zijn, als de modelraket hem in het oog had geraakt. Dat gevoel leefde ook bij de directeur van de basisschool, die mede daarom andere schooldirecteuren heeft gewaarschuwd voor demonstraties met modelraketten.
Uit het onderzoek blijkt dat [rechtspersoon] niet bekend was met de Regeling modelraketten. Informatie in open bronnen wijst erop dat bredere onbekendheid bestaat met betrekking tot deze regelgeving. Op basis van de bevindingen van de luchtvaartpolitie is niet gebleken van opzettelijke overtreding van de regels. Mede gelet op het feit dat [A] geen aangifte heeft willen doen, is ervoor gekozen eerst in gesprek te gaan met de leiding van [rechtspersoon] in plaats van het verhoren van de medewerkers die betrokken waren bij het lanceren van de modelraket.
Op 3 juni 2024 heeft [B], hoofd operatie van de betrokken afdeling van [rechtspersoon], verklaard dat men binnen de organisatie is geschrokken van het incident. Vrijwillig zijn videobeelden van het incident, alsmede interne en externe communicatie en notities, aan de luchtvaartpolitie verstrekt.
Uit deze informatie blijkt dat direct na het incident maatregelen zijn genomen. De aansprakelijkheid is geregeld en besloten is de activiteit tijdelijk stop te zetten in afwachting van het onderzoek en het aanscherpen van veiligheidsprocedures. Daarbij is onderkend dat verbeteringen nodig waren, onder meer ten aanzien van de positionering van leerlingen en het gebruik van afzettingen. Tevens is besloten veiligheidsprocedures centraler te borgen en actief te controleren op naleving. [B] heeft aangegeven zich na het incident te hebben verdiept in de Regeling modelraketten en met de ILT in overleg te zijn getreden.
Van de ILT heeft het OM begrepen dat op 11 juli 2024 overleg heeft plaatsgevonden en dat daarbij onder meer de volgende afspraken zijn gemaakt:
- [rechtspersoon] wordt lid van een vereniging of richt een vereniging op;
- [rechtspersoon] stelt een veiligheidsreglement op voor het lanceren van modelraketten;
- [rechtspersoon] stelt een huishoudelijk reglement vast voor demonstraties op scholen;
- [rechtspersoon] voert een risicoanalyse uit voor de gebruikte modelraket;
- [rechtspersoon] draagt er zorg voor dat betrokkenen bekend zijn met en handelen conform de Regeling Modelraketten.
Beslissing
Gelet op alle feiten en omstandigheden acht het OM voortzetting van het strafrechtelijk onderzoek niet opportuun. Het onderzoek is daarom beëindigd. Het OM zal deze beslissing in geanonimiseerde vorm publiceren ter bevordering van de naleving van de geldende regelgeving.
Het OM heeft begrepen dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) naar aanleiding van het incident inmiddels eveneens een veiligheidsonderzoek is gestart. De stukken uit het strafrechtelijk onderzoek zijn ten behoeve van dit onderzoek aan de OvV verstrekt.
[1] De grondslag voor deze bevoegdheid is eveneens in art. 1.2a lid 1 Wet luchtvaart opgenomen.
[2] Art. 2 lid 1 Regeling modelraketten. Een definitie van een grote en kleine modelraket wordt gegeven in art. 1 Regeling modelraketten.
[3] Art. 2 lid 2 juncto art. 3 tot en met 5 Regeling modelraketten.
[4] Dit is expliciet opgenomen in de toelichting bij de Regeling modelraketten. Zie Staatscourant 5 december 2006, nr. 237 / pag. 23.
[5] De modelraket is door de zoon van [A] meegegeven en vrijwillig voor onderzoek afgestaan aan de luchtvaartpolitie. Het betrof een modelraket van karton en kunststof, met een lengte van 43 cm en een diameter van 2 cm. Het gewicht na ontbranding van de motor bedroeg 55,5 gram. In de punt van de raket bevond zich een kleine parachute. De motor was deels verbrand en de binnenzijde van de raket was volledig ontbrand.