Beslissing: 13 februari 2025 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Onbemande luchtvaart

Formele relaties: -/-

Inhoudsindicatie: Vlucht met drone bij attractiepark aan de rand van, maar niet in de CTR. Verdenking van overtreding van artikel 5.3 Wet luchtvaart ziet op een algemene gedragsnorm, die mede wordt ingevuld door de specifieke dronewet- en regelgeving, maar ook door wat redelijkerwijs van een exploitant en piloot op afstand mag worden verwacht. Ondanks zorgvuldige voorbereiding heeft de verdachte een risico genomen door over een in gebruik zijnd parkeerterrein te vliegen. Niet is gebleken dat daadwerkelijk boven niet-betrokken personen is gevlogen of dat sprake was van (mogelijk) gevaar voor personen of zaken. De zaak is geseponeerd.

Beslissing OM

in de zaak tegen een exploitant en bestuurder van een drone, hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een melding van de beveiliging van attractiepark [attractiepark].

Verdenking strafbaar feit

Overtreding art. 5.3 Wet luchtvaart (zodanig deelnemen aan het luchtverkeer dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht).

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte op [datum in het jaar] 2024 [gedurende ongeveer een half uur] vanaf [straat 1] te [plaats], aan de overzijde van de bushalte van [attractiepark], met een drone heeft gevlogen. De drone is over [straat 1], de toegangsweg naar het parkeerterrein van [attractiepark], een deel van het parkeerterrein en de bushalte gevlogen, maar ook langs de boulevard en bij de bouw van het nieuwe [hotel]. Deze locaties bevinden zich tegen de rand van, maar niet in de [aanduiding] CTR.

Op de beelden die met de drone zijn vastgelegd is te zien dat bezoekers van [attractiepark] met hun auto’s richting het parkeerterrein rijden en dat er bezoekers naar de hoofdingang van [attractiepark] lopen. Op de boulevard lopen mensen en op de bouwplaats van het nieuwe hotel zijn twee bouwvakkers te zien.

In het dossier is gerelateerd dat de gemiddelde vlieghoogte ongeveer 60 meter was. De drone betreft een DJI Mavic 3 (klasse C1, 895 gram). De verdachte is de eigenaar van de drone en heeft zich als exploitant geregistreerd bij de RDW.

Overwegingen omtrent het bewijs

De invulling van de algemene gedragsnorm van art. 5.3 Wet luchtvaart begint in een dronezaak bij hetgeen van de exploitant en piloot op afstand wordt verwacht op grond van de specifieke dronewet- en regelgeving. Zo is een (voorgenomen) vlucht in de open categorie, waarvan in dit geval sprake is geweest, aan diverse voorwaarden verbonden. Niet alleen de specifieke wet- en regelgeving is echter van belang. Niet alles wat redelijkerwijs van een piloot op afstand mag worden verwacht, is immers in voorschriften gevat. Denk aan bijzondere manoeuvres (zoals laag over een weg vliegen, vlak langs mensen of een plotselinge duikbeweging) of aan het vliegen onder barre weesomstandigheden waardoor de controle over de drone kan worden verloren. Doorslaggevend is of door de gedragingen, in het licht van alle omstandigheden, een reële mogelijkheid voor schade aan personen en/of goederen is gecreëerd.

De specifieke droneregels vragen in een geval als dit bijzondere aandacht voor de locatie. Een van de voorwaarden voor het uitvoeren van een vlucht in de open categorie is namelijk dat de drone ‘op een veilige afstand van mensen wordt gehouden’ en dat er ‘niet wordt gevlogen boven bijeenkomsten van mensen’ (art. 4 lid 1 aanhef onder c Verordening 2019/947). Bij [attractiepark] is de aanwezigheid van (bijeenkomsten van) mensen te verwachten en daarmee moet in de vluchtvoorbereiding en vluchtuitvoering rekening worden gehouden.[1] Op de drone-exploitant en de piloot op afstand rust de verantwoordelijkheid om passende maatregelen te treffen

Meer in het bijzonder geldt in dit geval dat moet worden voldaan aan voorschrift UAS.OPEN.020 uit Verordening 2019/947, dat onder 1 onder andere voorschrijft dat ‘redelijkerwijs [wordt] verwacht dat geen enkele persoon die niet bij de vluchtuitvoering is betrokken, wordt overvlogen’ en dat als dit ‘onverwacht’ toch gebeurt (bijvoorbeeld omdat een niet-betrokken persoon plots onder de drone doorloopt), ‘zo veel mogelijk de duur van dergelijke overvluchten’ moet worden beperkt.[2] EASA heeft hierover het volgende in een aanvaardbare wijze van naleving opgenomen:

‘(…) For UAS in class C1, before starting the UAS operation, the remote pilot should assess the area and should reasonably expect that no uninvolved person will be overflown. This evaluation should be made taking into account the configuration of the site of operation (e.g. the existence of roads, streets, pedestrian or bicycle paths), and the possibility to secure the site and the time of the day. In case of an unexpected overflight, the remote pilot should reduce as much as possible the duration of the overflight, for example, by flying the UAS in such a way that the distance between the UA and the uninvolved people increases, or by positioning the UAS over a place where there are no uninvolved people. (…)’

Uit de verklaring die de verdachte tegenover de politie heeft afgelegd, begrijpt het OM dat de verdachte de vlucht bij [attractiepark] zorgvuldig heeft voorbereid. De verdachte heeft verklaard dat hij een vluchtplan heeft gemaakt, naar het weerbericht heeft gekeken, de omgeving heeft gescand en ook de drone heeft geïnspecteerd op eventuele gebreken. Desondanks heeft de verdachte, bezien in het licht van UAS.OPEN.020 onder 1, een risico genomen door de drone vanaf zijn locatie over een in gebruik zijnd parkeerterrein van het attractiepark te laten vliegen. Als op dat moment een of meer niet-betrokken personen uit een geparkeerde auto stappen en onder zijn drone doorlopen, kan dat naar het oordeel van het OM bezwaarlijk als een onverwachte gebeurtenis worden aangemerkt. Dit verschilt wezenlijk van een vlucht boven een leeg terrein, waar pas later niet-betrokken personen arriveren. Het onderzoek heeft overigens geen bewijs opgeleverd dat de verdachte boven niet-betrokken personen of boven een bijeenkomst van mensen heeft gevlogen. Op de bij het dossier gevoegde beelden zijn weliswaar (contouren van) niet-betrokken personen te zien, maar die beelden zijn niet recht van boven genomen. De beelden zijn vanaf een zijkant genomen (vanaf een hoogte dat de personen niet herkenbaar in beeld komen).

Ook overigens ziet het OM onvoldoende bewijs dat de verdachte zodanig met de drone heeft deelgenomen aan het luchtverkeer, dat daardoor personen of zaken in gevaar zijn of konden worden gebracht. Weliswaar is gerelateerd dat de drone boven de bushalte diverse manoeuvres heeft gemaakt, maar die manoeuvres zijn niet te zien op de beelden en evenmin nader omschreven. Bovendien blijkt niet dat er personen aanwezig waren en in hoeverre die manoeuvres voor die personen of voor zaken gevaar hebben veroorzaakt of konden veroorzaken.

Beslissing

Het voorgaande brengt het OM tot de slotsom dat niet kan worden bewezen dat de verdachte een overtreding heeft gepleegd. De zaak is dan ook geseponeerd.

[1] Vgl. richtsnoer ‘GM1 Article 2(3) Definitions’ van EASA, bijlage bij besluit 2019/021/R. Als voorbeelden van bijeenkomsten van mensen in art. 2 lid 3 Uitvoeringsverordening 2019/947 worden daar genoemd: ‘a) sport, cultural, religious or political events; (b) beaches or parks on a sunny day; (c) commercial streets during the opening hours of the shops; and (d) ski resorts/tracks/lanes’.

[2] Dit betreft een vluchtuitvoeringsbeperking in de zin van art. 7 lid 1 Verordening 2019/947. Dit voorschrift is bij art. 3.1 lid 1 Regeling uitvoering en handhaving luchtvaartveiligheid aangewezen als een voorschrift in de zin van art. 1.6 Wet luchtvaart, dat als overtreding is strafbaar gesteld in 11.9 lid 1 aanhef onder c Wet luchtvaart.