Beslissing: 25 maart 2025 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: ELOM:2025:017; ELOM:2025:020

Inhoudsindicatie: Vluchtuitvoering tegen vergoeding. Geen geldig bewijs van bevoegdheid voor commerciële vluchtuitvoering. Zaak geseponeerd omdat initiatief van medeverdachte uitging en verdachte, ondanks het ontvangen van gratis vlieguren, niet wist van de vergoeding voor de vluchtuitvoering.

Beslissing OM

in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig propellervliegtuig, hierna de verdachte [B].

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van twee voorvalmeldingen, die het Analyse Bureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) overeenkomstig samenwerkingsafspraken op het gebied van Just Culture aan het OM heeft doorgegeven.[1] De meldingen zien op gedragingen van de verdachte [B].

De eerste melding dateert van [datum in het jaar] 2024 en houdt onder meer in dat [B] diverse keren is gewaarschuwd dat met een PPL-brevet (Private Pilot License) geen rondvluchten met betalende passagiers mogen worden uitgevoerd en dat hij desondanks op [datum 1 in het jaar] 2024 een dergelijke vlucht heeft uitgevoerd met het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX]. In de melding worden verder zorgen geuit over het vliegerschap van [B].

Ongeveer een maand later volgde een tweede melding van een andere melder. Deze melding ziet eveneens op de vlucht van [datum 1 in het jaar] 2024 die [B] zou hebben uitgevoerd. Ook in deze melding komt naar voren dat herhaaldelijk is gewaarschuwd voor het commercieel vliegen met een PPL-brevet. De melding spreekt naast het commercieel vliegen over ‘onveilige voorvallen’ en ‘conflicten’, die tot dat moment niet hebben geleid tot ernstige schade. Volgens de melder is ingrijpen nodig om te voorkomen dat er slachtoffers vallen.

Het ABL heeft deze meldingen [ongeveer drieënhalve maand na het voorval] doorgegeven, omdat het ABL op basis daarvan een vermoeden had van opzettelijke overtredingen.

In opdracht van de luchtvaartofficier van justitie heeft de luchtvaartpolitie een onderzoek ingesteld.

Verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 21 lid 1 van de Basisverordening (bedienen van een luchtvaartuig zonder geldig bewijs van bevoegdheid).

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte [B] op [datum 1 in het jaar] 2024 als gezagvoerder van het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX] vanaf vliegveld [vliegveld] een vlucht heeft uitgevoerd. Uit de genoemde voorvalmeldingen komt naar voren dat dit een vlucht met betalende passagiers is geweest.

Tegenover de luchtvaartpolitie heeft de verdachte [B] verklaard dat hij incidenteel vluchten uitvoerde met passagiers voor [medeverdachte A], maar niet wist dat die passagiers daarvoor betaalden. De verdachte [B] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de passagiers in zulke gevallen gratis meevlogen.

Tegelijkertijd heeft de verdachte [B] ook verklaard dat hij bij die vluchten zelf geen kosten maakte en dus kosteloos vloog. De verdachte beschikt over een PPL-brevet.

[Medeverdachte A] heeft tegenover de politie verklaard dat hij voorheen van passagiers in totaal € 280,-- vroeg en dat deze prijs later is verhoogd vanwege de gestegen kosten. Aan het eind van ieder jaar werd berekend of het gebruik van het vliegtuig kostendekkend is geweest; als dat niet zo was, dan werd het bedrag bijgesteld. In deze berekening zat volgens [medeverdachte A]  ‘het hele pakket’, waaronder de kosten van het onderhoud, de brandstof, de landingsgelden en de btw. De kosten van de huur van het vliegtuig bedroegen volgens de website van [stichting] € 190,-- per uur inclusief btw en voor een proefvliegles € 270,-- per uur inclusief instructie, landingsgelden en btw. Andere luchtvaartbedrijven hanteren vergelijkbare prijzen, zo bleek uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie. [Medeverdachte A] verklaarde op [datum 2 in het jaar] 2024 dat de kosten voor het huren van een vliegtuig op dat moment € 225,-- per uur waren. De prijzen op de website van [stichting] waren volgens hem niet meer actueel.

Overwegingen omtrent het bewijs

De kern van de tegen de verdachte [B] gerezen verdenking is dat sprake is geweest van een commerciële vluchtuitvoering. Art. 2 aanhef onder 1 quinquies van Verordening 965/2012 verstaat daaronder het volgende: ‘elke vluchtuitvoering met een luchtvaartuig, tegen vergoeding of andere beloning, die voor het publiek beschikbaar is of, wanneer deze niet voor het publiek beschikbaar is, die wordt verricht krachtens een overeenkomst tussen een exploitant en een klant, waarbij de klant geen controle over de exploitant uitoefent’.

In dit geval was sprake van een vluchtuitvoering tegen vergoeding die bovendien voor publiek beschikbaar was. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat (ook) voor de vluchtuitvoering op [datum 1 in het jaar] 2024 door passagiers een vergoeding is betaald. De verdachte [B] was daarvan naar zijn zeggen niet op de hoogte, maar had dat kunnen vermoeden omdat hij voor vluchten met passagiers gratis vlieguren ontving. Zijn PPL(A) is geen geldig bewijs van bevoegdheid voor commerciële vluchtuitvoeringen, zoals ook blijkt uit FCL.205.A van bijlage I van Verordening 1178/2011.

Beslissing

Hoewel de verdachte hiermee een overtreding heeft begaan, meent de luchtvaartofficier van justitie dat een sanctie achterwege kan blijven. Daarmee wordt afgeweken van de uitgangspunten in de strafvorderingsrichtlijn. Aanleiding daarvoor is dat het initiatief niet van de verdachte [B] uitging, de verdachte [B] op dat moment niet wist dat de passagiers betaalden voor de vlucht en zijn voordeel uitsluitend heeft bestaan uit het ontvangen van gratis vlieguren. De luchtvaartofficier van justitie gaat ervan uit dat de verdachte [B] met dit strafrechtelijke onderzoek voldoende is gewaarschuwd en dat hij in de toekomst zal voorkomen dat hij onbevoegd commerciële vluchtuitvoeringen verricht. De zaak is geseponeerd.

[1] Deze doorgifte vloeit voort uit de samenwerkingsafspraken die het OM en het ABL in het kader van Just Culture hebben gemaakt. Het OM heeft in principe geen toegang tot voorvalmeldingen die overeenkomstig Verordening 376/2014 zijn gedaan. Het ABL zet dergelijke meldingen alleen door, als het vermoedt dat de grenzen van Just Culture zijn overtreden, dat wil zeggen bij een vermoeden van opzet of grove nalatigheid. Het OM kan dan vervolgens onderzoeken of daarvan al dan niet sprake is. Zie in dit verband onderdeel 3.1 van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart.