Beslissing: 27 maart 2025 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Onbemande luchtvaart

Formele relaties: -/-

Inhoudsindicatie: Transactie voor veroorzaken mogelijk gevaar voor een kustwachthelikopter en het niet registeren als exploitant van een drone.

Beslissing OM

in de zaak tegen een exploitant en bestuurder van een drone, hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een melding van de Nederlandse Kustwacht.

Verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 8 lid 1 juncto UAS.OPEN.060 van bijlage I bij Verordening 2019/947 (vluchtuitvoering in de nabijheid van actieve noodhulpdiensten), art. 5.3 Wet luchtvaart (zodanig deelnemen aan het luchtverkeer dat personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht) en art. 14 lid 5 en 8 Verordening 2019/947 (respectievelijk niet registreren als exploitant en niet het exploitantennummer aanbrengen op de drone).

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte op [datum in het jaar] 2024 tijdens [evenement] in [plaats] heeft gevlogen met een drone, terwijl de Kustwacht op dat moment met een helikopter bezig was om een demonstratie te geven.

De bemanning van de helikopter heeft de drone van de verdachte niet opgemerkt, maar heeft het voorval gemeld bij de luchtvaartpolitie na het zien van een video op Instagram die met een drone is gemaakt. De Flight Operations Manager van de Kustwacht wees erop dat de Kustwacht niet was geïnformeerd over de aanwezigheid van de drone en dat de bemanning van de helikopter daardoor was blootgesteld aan ongecontroleerde risico’s.

De video op Instagram duurt 43 seconden en betreft een aaneenschakeling van meerdere opnames. Te zien is dat de Kustwacht een demonstratie uitvoerde met een helikopter en een aantal schepen. De helikopter vliegt daarbij op een lage hoogte.

De verdachte is degene die de video heeft gemaakt en op Instagram heeft geplaatst. Tegenover de luchtvaartpolitie heeft hij verklaard dat hij de beelden heeft gemaakt met een drone van het merk DJI, type Mini 4, en dat de beelden sterk zijn ingezoomd. De onbewerkte beelden heeft hij aan de luchtvaartpolitie laten zien. Door de luchtvaartpolitie is vastgesteld dat de onbewerkte beelden inderdaad van grotere afstand zijn gemaakt en dat de video in zoverre een vertekend beeld geeft. De luchtvaartpolitie constateerde echter ook dat er een moment is waarop de helikopter van de Kustwacht daadwerkelijk op de drone afvloog. De drone bevond zich toen op ongeveer dezelfde hoogte als de helikopter en bovendien in het vliegpad daarvan. De drone is niet uitgeweken, maar bleef enige tijd in het vliegpad van de helikopter. De helikopter heeft vervolgens een bocht ingezet en daarmee een mogelijke botsing vermeden. Dit was geen bewuste uitwijkmanoeuvre, aangezien de bemanning de drone niet had opgemerkt.

In zijn verklaring brengt de verdachte naar voren dat hij tijdens [evenement] bij toeval is gaan vliegen met de drone en dat hij plots de helikopter zag aankomen. De verdachte wist niet dat er zou worden gevlogen met een helikopter. Het maakte bij hem enthousiasme los, waarna hij beelden wilde maken. De verdachte denkt ongeveer 10 à 15 minuten te hebben gevlogen, op een afstand van ongeveer 60 meter. Hij ging ervan uit dat dit een gepaste afstand was en was niet op de hoogte van de specifieke regels voor het dronegebruik. Hij was er evenmin van op de hoogte dat hij zich als exploitant had moeten registreren en heeft dat daarom niet gedaan.

Overwegingen omtrent het bewijs

De droneregelgeving legt een grote verantwoordelijkheid bij de dronepiloot om een botsing met bemand luchtverkeer te voorkomen. Voorschrift UAS.OPEN.060 van Verordening 2019/947 bepaalt in lid 2 onder b dat de piloot op afstand de drone voortdurend in het zicht moet houden (met het blote oog, zonder hulpmiddelen) en het luchtruim rond de drone nauwlettend in de gaten moet houden om het risico op botsingen met bemande luchtvaartuigen te vermijden. De piloot op afstand moet volgens dezelfde bepaling de vlucht stopzetten als de vluchtuitvoering gevaar oplevert.

Het Europese Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) merkt in richtsnoer GM1 UAS.OPEN.060(2)(b) op dat de piloot op afstand primair verantwoordelijk is om botsingen met andere luchtvaartuigen te voorkomen, omdat piloten van bemande luchtvaartuigen mogelijk niet in staat zijn om een drone te zien. EASA voegt eraan toe dat van de piloot op afstand mag worden verwacht dat hij de drone op een veilige afstand brengt zodra hij een ander luchtvaartuig, parachute of andere gebruiker van het luchtruim ziet. EASA merkt op dat de piloot op afstand de vlieghoogte van de drone bij een mogelijke interactie met een ander luchtvaartuig zou moeten verminderen tot bijvoorbeeld minder dan 10 meter boven de grond en de drone in een gebied moet houden dat minstens 500 meter verwijderd is van dat andere luchtvaartuig. Als een dergelijke afstand niet kan worden gegarandeerd, moet de piloot op afstand de drone onmiddellijk landen.

De piloot op afstand mag op grond van voorschrift UAS.OPEN.060 lid 3 bovendien niet dichtbij of in gebieden vliegen waar noodhulpdiensten actief zijn, tenzij zij toestemming hebben van de verantwoordelijke noodhulpdiensten. De Kustwacht is zo’n noodhulpdienst, hoewel het in dit geval ging om een demonstratie van hun search and rescue-taken.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden komt naar voren dat de verdachte een veilige afstand zoals hiervoor bedoeld niet heeft gegarandeerd. Hij heeft de afstand zelf ingeschat op 60 meter. Bovendien bevond de drone zich in de baan van de helikopter van de Kustwacht. De bemanning van de helikopter heeft de drone van de verdachte niet gezien en onbewust een mogelijke botsing voorkomen. De luchtvaartofficier van justitie concludeert op basis hiervan dat de verdachte dusdanig aan het luchtverkeer heeft deelgenomen, dat daardoor mogelijk gevaar voor (de inzittenden van) de helikopter is ontstaan.

Beslissing

Hoewel de verdachte geen verkeerde intenties lijkt te hebben gehad, stelt de luchtvaartofficier van justitie vast dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid als exploitant en bestuurder van een drone niet heeft genomen.

De verdachte heeft zich voorafgaand aan het vliegen met de drone niet verdiept in de geldende wet- en regelgeving. Hij heeft er in het politieverhoor op gewezen dat hij zich over de drone heeft laten voorlichten in de winkel en dat de winkelmedewerker hem hierover niet heeft geïnformeerd. Als dat klopt, ontstaat dat de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid. Het is aan de verdachte om zich te verstaan met de geldende wet- en regelgeving. Vanuit de overheid zijn er bovendien voorlichtingscampagnes geweest om de wet- en regelgeving te benadrukken. De verdachte had daarom moeten weten dat hij zich ook met een drone van 249 gram moet registreren als exploitant (een vliegbewijs is voor die drone in de open categorie niet vereist) en dat er regels zijn voor het deelnemen aan het vliegverkeer.

De Richtlijn voor strafvordering voor luchtvaartwet- en regelgeving schrijft voor het niet registreren als exploitant een boete van € 100,-- als uitgangspunt voor. Voor het veroorzaken van (mogelijk) gevaar is, vanwege de mogelijke variëteit aan situaties, geen uitgangspunt opgenomen. Voor het vliegen in een gebied waar noodhulpdiensten actief zijn, is als uitgangspunt een boete van € 500,-- geformuleerd.

Enerzijds houdt de luchtvaartofficier van justitie er rekening mee dat de drone waarmee de verdachte heeft gevlogen inmiddels defect is omdat deze in het water is gevallen. Ook houdt zij er rekening mee dat de verdachte zich naar aanleiding van dit voorval alsnog is gaan verdiepen in de geldende wet- en regelgeving. Anderzijds heeft zij geconstateerd dat de bewuste video nog altijd op Instagram staat. De verdachte heeft verklaard dat als hij had geweten dat hij met deze vlucht in overtreding was, de beelden niet online had gezet. Maar nadat dit is voorgehouden aan de verdachte, heeft hij kennelijk geen aanleiding gezien om de video te verwijderen.

Alles afwegende is de luchtvaartofficier van justitie van oordeel dat voor het veroorzaken van mogelijk gevaar een boete van € 500,-- en dat voor het niet registreren als exploitant een boete van € 100,-- passend is.

Deze boetes zijn vertaald naar een transactievoorstel van in totaal € 600,--. De verdachte heeft dit voorstel geaccepteerd.