Beslissing: 2 april 2025 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: ELOM:2025:017; ELOM:2025:018

Inhoudsindicatie: Vluchtuitvoering tegen vergoeding, geen kostendeling. Geen geldig bewijs van bevoegdheid voor commerciële vluchtuitvoering. Sepot vanwege tijdsverloop, het uitblijven van nieuwe overtredingen en het offline halen van de website waarop rondvluchten werden aangeboden.

Beslissing OM

in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig propellervliegtuig, hierna de verdachte [C].

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van twee voorvalmeldingen, die het Analyse Bureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) overeenkomstig samenwerkingsafspraken op het gebied van Just Culture aan het OM heeft doorgegeven.[1]

De meldingen zien op een vlieger die ondanks waarschuwingen (opnieuw) met een PPL-brevet een rondvlucht met betalende passagiers zou hebben uitgevoerd vanaf vliegveld [vliegveld]. Het ABL heeft de meldingen op [datum in het jaar] 2024 doorgegeven, omdat het ABL op basis daarvan een vermoeden had van opzettelijke overtredingen.

In opdracht van de luchtvaartofficier van justitie heeft de luchtvaartpolitie een onderzoek ingesteld. Bij dat onderzoek is ook de verdachte [C] in beeld gekomen.

Verdenking strafbaar feit

Overtreding van art. 21 lid 1 van de Basisverordening (bedienen van een luchtvaartuig zonder geldig bewijs van bevoegdheid).

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte [C] een openbare website had waarop hij rondvluchten aanbood tegen tarieven die vergelijkbaar zijn met die van commerciële bedrijven. De website vermeldde dat de rondvluchten door hem worden uitgevoerd. Op de website waren blogs geplaatst waarin verslag werd gedaan van reeds uitgevoerde rondvluchten, met verwijzing naar bijbehorende videobeelden.

De beschrijving van vier in 2023 uitgevoerde vluchten heeft de luchtvaartpolitie kunnen koppelen aan historische vluchtgegevens. De verdachte [C] beschikte ten tijde van de vluchten niet over een CPL (Commercial Pilot License). Hij beschikte wel over een LAPL (Light Aircraft Pilot License).

Tegenover de luchtvaartpolitie heeft de verdachte [C] verklaard dat hij met deze LAPL ongeveer 200 uur heeft gevlogen. Voor de vluchten huurde hij vliegtuigen van [stichting]. De verdachte [C] heeft verklaard dat hij niet wist dat hij niet commercieel mag vliegen. De verdachte [C] heeft verklaard dat de kosten per vlucht voor hem € 365,-- bedroegen. Dat zou onder andere de kosten van de landingsgelden, zijn medical, software licenties en het rijden naar het vliegveld betreffen. Ook de afschrijving van een aangeschafte headset was daarin meegenomen. Ieder jaar berekende de verdachte [C] wat de gemiddelde kosten per vlieguur zijn. 

Overwegingen omtrent het bewijs

De kern van de verdenking is dat sprake is geweest van een commerciële vluchtuitvoering. Art. 2 aanhef onder 1 quinquies van Verordening 965/2012 verstaat daaronder het volgende: ‘elke vluchtuitvoering met een luchtvaartuig, tegen vergoeding of andere beloning, die voor het publiek beschikbaar is of, wanneer deze niet voor het publiek beschikbaar is, die wordt verricht krachtens een overeenkomst tussen een exploitant en een klant, waarbij de klant geen controle over de exploitant uitoefent’.

In dit geval is sprake van vluchtuitvoeringen tegen vergoeding. Steeds is een vergoeding afgesproken die de kosten van de huur van een vliegtuig ruimschoots overschrijdt. De tarieven zijn vergelijkbaar met de tarieven van commerciële bedrijven. Het gaat daarom om commerciële vluchtuitvoeringen.

De mogelijkheid van art. 6 lid 4bis onder a van Verordening 965/2012 om bij kostendeling de regels voor niet-commerciële vluchtuitvoeringen te volgen, is niet van toepassing. Deze mogelijkheid bestaat slechts indien ‘de rechtstreekse kosten worden gedeeld door alle inzittenden van het luchtvaartuig, met inbegrip van de piloot’. In een richtsnoer van EASA worden deze rechtstreekse kosten uitgelegd als kosten die direct verband houden met een vlucht, zoals brandstof, landingsgelden en de huurkosten van het vliegtuig, en geen winstelement bevatten.[2] Daargelaten dat het erop lijkt dat de verdachte [C] de volledige kosten verdeelde over de passagiers, is duidelijk dat hij ook indirecte kosten in de berekening meenam.

Een LAPL is geen geldig bewijs van bevoegdheid voor commerciële vluchtuitvoeringen, zoals ook blijkt uit FCL.105 van bijlage I van Verordening 1178/2011.

Beslissing

Op grond van het voorgaande stelt de luchtvaartofficier van justitie vast dat de verdachte [C] bij vier vluchten een overtreding heeft begaan. Als uitgangspunt voor een dergelijke overtreding gaat de luchtvaartofficier van justitie, op basis van de strafvorderingsrichtlijn, uit van een boete van € 800,--.

In strafverminderende zin houdt de luchtvaartofficier van justitie er rekening mee dat de overtredingen bijna twee jaar geleden zijn gepleegd en dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [C] nadien soortgelijke overtredingen heeft begaan. De verdachte [C] heeft verklaard dat hij het afgelopen jaar te druk had en dat hij zeker niet alle aanvragen accepteert. Het was voor de verdachte [C] niet meer dan een hobby; hij wilde het vliegen bereikbaar maken voor mensen.

Het voorgaande neemt niet weg dat de verdachte [C] op zijn website nog steeds de indruk wekte dat rondvluchten waren te boeken, terwijl hij niet bevoegd is dergelijke vluchten uit te voeren met zijn brevet. Op deze manier is bovendien sprake van een vorm van oneerlijke concurrentie.

Op zichzelf is een hoge boete naar het oordeel van de luchtvaartofficier op zijn plaats. Alles afwegende meende zij echter dat het in dit geval het belangrijkste is dat de verdachte [C] zijn website, in elk geval in deze vorm, uit de lucht zou halen. Aan de verdachte [C] is te kennen gegeven dat de zaak zal worden geseponeerd, als de website in deze vorm uit de lucht wordt gehaald. Daartoe is de verdachte [C] overgegaan. De zaak is daarna geseponeerd.

[1] Deze doorgifte vloeit voort uit de samenwerkingsafspraken die het OM en het ABL in het kader van Just Culture hebben gemaakt. Het OM heeft in principe geen toegang tot voorvalmeldingen die overeenkomstig Verordening 376/2014 zijn gedaan. Het ABL zet dergelijke meldingen alleen door, als het vermoedt dat de grenzen van Just Culture zijn overtreden, dat wil zeggen bij een vermoeden van opzet of grove nalatigheid. Het OM kan dan vervolgens onderzoeken of daarvan al dan niet sprake is. Zie in dit verband onderdeel 3.1 van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart.

[2] Zie GM2 Article 6.4a(a);(b), vastgesteld bij besluit 2014/019/R.