Beslissing: 30 april 2025 AP Noord-Holland

Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart

Formele relaties: Persbericht OM d.d. 10 juli 2025

Inhoudsindicatie: Dagvaarding vanwege de stelselmatige overtreding van het opstijgen van en landen op een niet-luchthaven, en het niet gebruiken van de transponder.

Beslissing OM

in de zaak tegen een gezagvoerder van een helikopter, hierna de verdachte.

Aanleiding onderzoek

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een melding van een inspecteur van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

Verdenking strafbaar feit

Stelselmatige overtreding van art. 8.1a Wet luchtvaart (opstijgen van en/of landen op een terrein dat geen luchthaven is) en SERA.13001 Bijlage Verordening 923/2012 (transponder niet tijdens de volledige vlucht gebruiken).[1] 

Feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek kan worden vastgesteld dat de verdachte de eigenaar is van de helikopter met registratienummer PH-[XXX].

Bij besluit van [datum in het jaar] 2021 is aan de verdachte namens de Gedeputeerde Staten van [provincie 1] een locatiegebonden ontheffing voor Tijdelijk en Uitzonderlijk Gebruik (TUG) verleend voor de periode van drie jaar onder een aantal beperkingen en voorschriften. De ontheffing ziet op het weiland bij [woonadres verdachte]. Dit is een weiland nabij de woning van de verdachte. De beperkingen waren dat er geen vluchten mochten worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen (van half februari tot 1 september). Verder zijn onder meer als voorschriften opgenomen dat de verdachte maximaal 12 dagen per kalenderjaar gebruik mag maken van de ontheffing, dat gebruik uiterlijk 24 uur van tevoren moet worden aangemeld en dat binnen 24 uur na gebruik moet worden gemeld hoeveel starts en landingen hebben plaatsgevonden. In het besluit wordt opgemerkt dat, als de verdachte het gebruik na drie jaar wil voortzetten, hij een nieuwe ontheffing kan aanvragen of kan nagaan of hij in aanmerking komt voor een permanente locatie met luchthavenregeling en daarvoor een aanvraag kan doen.

Bij brief van [datum in het jaar] 2023 is de verdachte namens de Gedeputeerde Staten van [provincie 1] gewaarschuwd voor de overtreding van de voorschriften van de ontheffing. Naar aanleiding van overlastmeldingen is vastgesteld dat de verdachte de voorschriften van de ontheffing had overtreden. Hij is daarom nogmaals op de voorschriften gewezen en gesommeerd om de overtredingen per direct te beëindigen.

De TUG-ontheffing verliep op [datum in het jaar] 2024. Hoewel (nog) geen nieuwe TUG-ontheffing dan wel luchthavenregeling was aangevraagd en verkregen, is de verdachte als gezagvoerder van de helikopter in [aansluitende periode van circa vier maanden] herhaaldelijk opgestegen van en/of geland op het weiland bij [woonadres verdachte]. Dit gebeurde volgens de onderzoeksbevindingen op 32 dagen.

Pas op [datum in het jaar] 2025 heeft de verdachte een nieuwe TUG-ontheffing aangevraagd voor de locatie [woonadres verdachte]. Deze is verleend op [datum in het jaar] 2025 voor een periode van één jaar. Deze ontheffing bevat geen beperkingen tijdens het broedseizoen, maar is wel gebonden aan voorschriften zoals het maximale gebruik van 12 dagen per kalenderjaar (met een maximum van twee vluchten per dag, niet op zondagen en alleen binnen de uniforme daglichtperiode) en zowel een melding voorafgaande als na afloop van het gebruik (minimaal 24 uur van tevoren en binnen 24 uur na het gebruik).

Tijdens het verdachtenverhoor heeft de verdachte verklaard dat hij al vier jaar bezig is met een luchthavenregeling voor een reeds bestaande helispot. Voorafgaand aan de aankoop van het pand en de helispot heeft hij geïnformeerd naar de mogelijkheid van toestemming en dat hem zou zijn meegedeeld dat dit in beginsel geen probleem zou zijn. Dit bleek een langdurige procedure. Er zou zijn gezegd dat de verdachte een TUG nodig heeft, ondanks het lopende traject voor een luchthavenregeling. De verdachte heeft vervolgens de TUG aangevraagd en hij meende (ten onrechte) dat deze TUG geldig was tot [datum in het jaar] 2024. De verdachte verklaarde dit niet te hebben gecontroleerd om eraan toe te voegen dat hij toch zou vliegen, ongeacht of de TUG geldig was of niet. Daarbij verwees hij naar de problemen met de provincie over de helispot. Om dezelfde reden had hij zich niet aan de beperkingen van de ontheffing gehouden. Hij heeft verklaard dat hij een nieuwe TUG vanaf [maand in het jaar] 2024 had willen aanvragen zonder het broedseizoen, maar dat de provincie hem had gewaarschuwd dat er dan twee procedures zouden gaan lopen: een voor de luchthavenregeling en een voor de TUG. Daarom heeft hij het zo gelaten. Nadat de verdachte van de luchtvaartpolitie hoorde van de verdenkingen heeft hij alsnog een TUG aangevraagd en verkregen (ingaande [datum in het jaar] 2025).

Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte ook andere terreinen die geen luchthaven zijn, heeft gebruikt als opstijg- en/of landingsplaats voor zijn helikopter. Zo heeft de verdachte op [datum in het jaar] 2024 een vlucht gemaakt vanaf vliegveld [vliegveld] naar een weiland nabij [plaats] in de provincie [provincie 2], terwijl de verdachte daarvoor geen TUG-ontheffing had van de Gedeputeerde Staten van [provincie 2]. Tijdens een vlucht op [ander datum in het jaar] 2024 is de verdachte bovendien geland op en opgestegen van een weiland nabij [plaats] in de provincie [provincie 3]. Ook daarvoor had de verdachte geen TUG-ontheffing aangevraagd en verkregen.

Het onderzoek heeft verder aangetoond dat de verdachte als gezagvoerder van de helikopter stelselmatig vluchten heeft uitgevoerd zonder de transponder te gebruiken. Via raadpleging van de openbare bron ADS-B Exchange en het systeem FANOMOS zijn de vliegbewegingen van de helikopter in 2024 in beeld gebracht. In totaal kwamen 19 vluchten naar voren. Het viel de luchtvaartpolitie daarbij op dat niet zichtbaar was hoe de helikopter op [datum in het jaar] 2024 op vliegveld [vliegveld] is terechtgekomen. Evenmin was geregistreerd dat de helikopter diezelfde dag van het weiland nabij [plaats] terug naar [vliegveld] is gevlogen. Ook de vlucht op [datum in het jaar] 2024 naar het weiland bij [plaats] was niet helemaal zichtbaar op de radarbeelden. Dit zijn aanwijzingen dat de transponder tijdens de betreffende vluchten niet (de gehele tijd) heeft aangestaan. Daar komt bij dat uit het vlieglogboek naar voren komt dat de verdachte veel meer vluchten heeft uitgevoerd met de helikopter dan zichtbaar zijn op de radarbeelden. De onderzoeksbevindingen wijzen erop dat er in 2024 ten minste 60 van dergelijke vluchten zijn geweest.

De verdachte heeft tegenover de luchtvaartpolitie verklaard dat hij de transponder niet altijd aan zet om te voorkomen dat hij zou worden afgerekend op zijn vluchten in verband met de klachten die er worden gedaan. Volgens de verdachte zouden die klachten negen van de tien keer betrekking hebben op andere helikopters en hij wilde verwarring voorkomen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Ten aanzien van het vliegen zonder transponder heeft de verdachte voorts verklaard te menen dat dit onder de 1200 voet niet vereist is. De luchtvaartofficier van justitie stelt die verklaring terzijde gelet op de duidelijke regel die daarover al sinds 2016 bestaat.[2] Bovendien is het verdachtes eigen verantwoordelijkheid om de geldende wet- en regelgeving te kennen.

Beslissing

Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat de verdachte zowel art. 8.1a Wet luchtvaart als SERA.13001 Bijlage Verordening 923/2012 stelselmatig heeft overtreden.

De uitgangspunten in de Richtlijn voor strafvordering luchtvaartwet- en regelgeving zijn voor ‘first offenders’ die eenmalig een overtreding plegen. Bij stelselmatige overtredingen zoals deze zijn die uitgangspunten niet aan de orde. Dit geldt te meer nu de verdachte blijk heeft gegeven de regelgeving bewust te negeren.

Naar het oordeel van de luchtvaartofficier van justitie is sprake van opzettelijke overtredingen, die binnen een Just Culture gesanctioneerd moeten worden en waarvoor in principe een vliegontzegging op zijn plaats is. Daarom heeft de luchtvaartofficier van justitie besloten de verdachte te dagvaarden en de zaak aan te brengen op de eerstvolgende luchtvaartzitting.

Luchtvaartzitting

De zaak is behandeld op de luchtvaartzitting van 10 juli 2025. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 2.000 voor het meerdere keren opstijgen en landen met zijn locaties zonder de vereiste ontheffing. Daarnaast werd gevorderd dat de verdachte voor het meerdere keren uitzetten van de transponder van de helikopter wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke vliegontzegging van 12 maanden.

De rechter heeft de verdachte voor het eerste feit overeenkomstig de vordering van de officier van justitie veroordeeld. Voor het tweede feit legde de rechter een taakstraf van 240 uur op en daarnaast een onvoorwaardelijke vliegontzegging van 4 maanden. De beperkte duur van de ontzegging houdt verband met het oordeel dat het bewijs niet voor alle ten laste gelegde vluchten zonder transponder voldoende duidelijk was.

De verdachte heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.

[1] Subsidiair art. 5.8 Wet luchtvaart (als gezagvoerder niet voor aanvang van iedere vlucht kennis nemen van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de lucht van belang zijn) en art. 5.3 Wet luchtvaart (zodanig deelnemen aan het luchtverkeer, dat daardoor gevaar wordt of kan worden veroorzaakt voor personen of zaken).

[2] SERA.13001 is via Verordening 2016/1185 ingevoegd in Verordening 923/2012.